Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16147

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
5 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
SGR 25/755
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbBesluit proceskostenvergoeding bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen bouwplan ondanks herstel motiveringsgebrek welstandsadvies

De rechtbank Den Haag heeft op 5 juni 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over een bouwplan nabij molen [naam molen]. Eiser 1 had beroep ingesteld tegen het besluit van 20 december 2024, omdat het welstandsadvies waarop het college zich baseerde onvoldoende was gemotiveerd. In een eerdere tussenuitspraak van 26 januari 2026 werd het beroep van eisers 2 niet-ontvankelijk verklaard en het college in de gelegenheid gesteld het gebrek te herstellen.

Het college heeft vervolgens een nadere onderbouwing van het welstandsadvies overgelegd, waarin de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit Leiden uitgebreid toelichtte dat het bouwplan voldoet aan de redelijke eisen van welstand, met aandacht voor de architectuur, materialisering en de relatie tot de omgeving, waaronder de molenbiotoop.

De rechtbank oordeelt dat het college zich op dit nadere advies mocht baseren en dat het bouwplan geen strijd oplevert met de redelijke eisen van welstand. Het beroep van eiser 1 is gegrond vanwege het eerdere motiveringsgebrek, maar de rechtsgevolgen van het bestreden besluit blijven in stand. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser 1.

Uitkomst: Het beroep van eiser 1 is gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen blijven in stand na herstel van het motiveringsgebrek.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/755

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser 1] , uit [woonplaats] , eiser 1,

[eiser 2a] , [eiser 2b]en
[eiser 2c], uit [woonplaats] , eisers 2,
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden

(gemachtigde: Y. Assad).
Als derde-partijen nemen aan de zaak deel:
[derde-partij 1] B.V.uit [plaats] (vergunninghoudster) en
[derde-partij 2]uit [woonplaats] ,
(gemachtigden: mr. C. Koningferander en mr. J.J. van Lint).

Samenvatting

1. De rechtbank komt in deze einduitspraak tot het oordeel dat het beroep van eiser 1 gegrond is, maar dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand kunnen worden gelaten. Op basis van het nadere advies van de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit Leiden heeft het college zich op het standpunt mogen stellen dat het bouwplan geen strijd oplevert met redelijke eisen van welstand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot deze uitspraak is gekomen en welke gevolgen deze heeft.

Procesverloop

2. Voor het procesverloop wordt verwezen naar de tussenuitspraak van 26 januari 2026. In die tussenuitspraak heeft de rechtbank het beroep van eisers 2 niet-ontvankelijk verklaard. Daarnaast heeft de rechtbank het college in de gelegenheid gesteld om het geconstateerde gebrek in het besluit van 20 december 2024 (het bestreden besluit) te herstellen met inachtneming van de overwegingen en aanwijzingen in die tussenuitspraak. De rechtbank heeft iedere verdere beslissing aangehouden.
2.1.
Bij brief van 6 maart 2026 heeft het college een reactie ingediend. Bij brief van 2 april 2026 heeft eiser 1 daarop gereageerd. Bij brief van 7 april 2026 hebben de derde-partijen hierop gereageerd.
2.2.
Bij brief van 23 april 2026 heeft de rechtbank met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 26 januari 2026. De rechtbank blijft bij al wat zij in die tussenuitspraak heeft overwogen en beslist, tenzij hierna uitdrukkelijk anders wordt overwogen.
3.1.
In onderdeel A van zijn reactie voert eiser 1 gronden aan tegen zonder voorbehoud gegeven oordelen in de tussenuitspraak. Het staat de rechtbank niet vrij om daarvan terug te komen. Dit is alleen anders in zeer uitzonderlijke gevallen. Van een dergelijk uitzonderlijk geval is in dit geval geen sprake. Dat betekent dat de rechtbank onderdeel A van de reactie van eiser 1 onbesproken zal laten. Indien eiser 1 het niet eens is met de tussenuitspraak kan hij daartegen desgewenst in hoger beroep gaan.
Redelijke eisen van welstand
4. In de tussenuitspraak heeft de rechtbank overwogen dat uit het bestreden besluit niet blijkt dat het college is nagegaan of het advies van de welstandscommissie voldoet aan de hieraan te stellen eisen. Het advies bevat geen nadere motivering van de hierin neergelegde conclusie, zodat niet duidelijk is op welke informatie het advies is gebaseerd en welke afwegingen de welstandscommissie heeft gemaakt. Omdat ook in het bestreden besluit zelf geen inhoudelijke en gemotiveerde welstandsbeoordeling is gemaakt, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het bestreden besluit op dit punt niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd.
5. Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft het college een nader advies van de Gemeentelijke Adviescommissie Omgevingskwaliteit Leiden (de welstandscommissie) van 18 februari 2026 overgelegd. Het betreft een nadere onderbouwing van het eerder door de welstandscommissie uitgebrachte advies dat het bouwplan geen strijd oplevert met redelijk eisen van welstand. In deze nadere onderbouwing wordt door de welstandscommissie toegelicht dat de woningen voldoen aan de gebiedscriteria voor deelgebied 3B van de welstandsnota. Ze maken deel uit van een stedenbouwkundig patroon, een ensemble, dat voldoende is afgestemd op de bestaande omgeving. De bouwmassa’s zijn gedifferentieerd en gevarieerd, met aandacht voor ornamentiek. De gebouwen hebben representatieve gevels en de bouwmassa’s zijn voldoende afgestemd op de samenhang in de rij of het ensemble. De gebouwen hebben een kap. Uitbreidingen zoals aanbouwen en dakkappellen zijn vormgegeven als toegevoegd ondergeschikt element. De architectonische uitwerking en de detaillering zijn volgens de welstandscommissie zorgvuldig, gevarieerd en binnen het ensemble in samenhang. De gekozen abstracte schuurtypologie is passend in de omgeving van de molen en houtzagerij ‘ [naam molen] ’ aan de [straatnaam] . De materialisering is voldoende afgestemd op de omgeving en op de gekozen typologie. Er is voldoende samenhang binnen het ensemble. Hiermee zijn de woningen voldoende onderschikt aan de molen en voldoende passend in de groene omgeving aan de Haarlemmertrekvaart. Het bouwplan voldoet ook aan de algemene welstandscriteria. De verschijningsvorm heeft volgens de welstandscommissie voldoende relatie met het gebruik en de vormgeving heeft voldoende structuur, samenhang en logica. Er is voldoende evenwicht tussen helderheid en complexiteit. Er is voldoende samenhang in schaal- en maatverhoudingen. Materiaal, textuur, kleur en licht ondersteunen het karakter van het bouwwerk zelf en de ruimtelijke samenhang met de omgeving.
6. In zijn reactie heeft eiser 1 naar voren gebracht dat in het nadere advies van de welstandscommissie vooral wordt ingegaan op de bouwkwaliteit van de woningen. Volgens eiser 1 is ten onrechte nauwelijks aandacht besteed aan de omgeving van het bouwplan, waaronder de aanwezige molenbiotoop.
7. Zoals ook in de tussenuitspraak is overwogen, is het vaste rechtspraak dat, hoewel het college niet aan een welstandsadvies is gebonden en de verantwoordelijkheid voor welstandstoetsing bij het college zelf ligt, het college op een advies van de welstandscommissie mag afgaan, nadat het is nagegaan of dit advies op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de getrokken conclusies daarop aansluiten. Het overnemen van een welstandsadvies behoeft in beginsel geen nadere toelichting. Dit is anders als de aanvrager of een derde-belanghebbende een advies van een andere deskundig te achten persoon of instantie heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten voor twijfel aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies, de begrijpelijkheid van de in het advies gevolgde redenering of het aansluiten van de conclusies daarop naar voren heeft gebracht.
8. In wat eiser 1 heeft aangevoerd, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het college zich niet op het nadere advies van de welstandscommissie heeft mogen baseren. De rechtbank volgt eiser 1 niet in zijn betoog dat het advies niet aan de hieraan te stellen eisen voldoet. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat uit de nadere onderbouwing blijkt dat de welstandscommissie het bouwplan heeft getoetst aan de geldende welstandseisen zoals opgenomen in de Welstandsnota Leiden 2022. In de nadere toelichting is toegelicht welke aspecten van het bouwplan door de welstandscommissie zijn beoordeeld en wat het resultaat van die beoordeling is. De nadere onderbouwing is duidelijk en de door de welstandscommissie getrokken conclusies zijn navolgbaar. In het kader van de te toetsen welstandseisen is ook aandacht besteed aan de omgeving van het bouwplan. Zo wordt in het advies onder meer toegelicht dat de woningen voldoende ondergeschikt zijn aan de nabijgelegen molen en voldoende passend zijn binnen de groene omgeving van de Haarlemmertrekvaart. Eiser 1 heeft geen advies van een deskundige overgelegd dat twijfel zaait over de inhoud van het nadere advies. Op basis van dit advies heeft het college zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat het bouwplan geen strijd oplevert met redelijke eisen van welstand. Het betoog slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

9. Gelet op het in de tussenuitspraak van 26 januari 2026 geconstateerde gebrek, is het beroep tegen het bestreden besluit gegrond. Omdat het college het gebrek met het nadere advies van de welstandscommissie heeft hersteld, ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Dit betekent dat de drie woningen aan de [straatnaam] in [plaats] , nabij molen [naam molen] , mogen worden gerealiseerd.
9.1.
Eiser 1 heeft verzocht om vergoeding van de door hem gemaakte reis- en verletkosten. De verletkosten heeft eiser 1 begroot op in totaal € 305,76, bestaande uit tijdverzuim in verband met het bijwonen van de zitting (2 uur) en voorbereidingskosten (6 uur).
9.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser 1 vergoeden en krijgt eiser 1 ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Onder verletkosten zijn begrepen de benodigde tijd voor het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis. Tijd die is besteed aan de voorbereiding van de zitting valt hier niet onder.
De rechtbank stelt de te vergoeden kosten op grond van het Besluit proceskostenvergoeding bestuursrecht vast op € 84,64 (€ 8,20 aan reiskosten en € 76,44 aan verletkosten in verband met reistijd en het bijwonen van de zitting (2 uur à € 38,22 per uur).
Beslissing
De rechtbank:
  • verklaart het beroep van eiser 1 gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit van 20 december 2024;
  • bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand blijft;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiser 1 te vergoeden;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiser 1 tot een bedrag van € 84,64.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.