Verzoeksters hebben een verzoek tot faillietverklaring ingediend tegen verweerster, gebaseerd op diverse vorderingen voortkomend uit een langlopend geschil binnen een groep vennootschappen die een hotelketen exploiteert. Verzoeksters stellen dat verweerster grote geldbedragen heeft onttrokken en daardoor in een toestand verkeert van niet-betaling, wat aanleiding geeft tot faillietverklaring.
Verweerster betwist de vorderingen en wijst op lopende bodemprocedures waarin de vorderingen onderwerp van geschil zijn. Tevens stelt verweerster dat verzoeksters misbruik maken van het faillissementsverzoek en dat er verrekenbare tegenvorderingen bestaan. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vorderingen en de toestand van niet-betaling niet summierlijk kunnen worden vastgesteld vanwege de complexiteit en verwevenheid van de procedures.
Daarom wijst de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring af en veroordeelt verzoeksters in de proceskosten. De rechtbank benadrukt dat een faillissement alleen kan worden uitgesproken als vorderingsrechten en de toestand van niet-betaling na een kort en eenvoudig onderzoek duidelijk zijn, wat hier niet het geval is.
Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen na de uitspraak.