Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16152

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30271
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b derde lid Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b vierde lid Vreemdelingenbesluit 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens onvoldoende motivering lichter middel

Eiser, een burger van Bosnië-Herzegovina, werd op 25 mei 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet vanwege het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken. Eiser voerde aan dat hij juist wilde terugkeren naar zijn land van herkomst en contact had onderhouden met verweerder over een eerder toegekende schadevergoeding die hij nodig had voor zijn vertrek.

De rechtbank stelde vast dat de door verweerder aangevoerde gronden feitelijk juist waren, maar oordeelde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. De rechtbank nam het standpunt van eiser over dat hij zich inspande om terug te keren en dat het contact met verweerder niet los gezien kon worden van deze inspanningen.

De maatregel van bewaring werd daarom onrechtmatig geacht. Omdat eiser inmiddels was uitgezet, werd de maatregel niet opgeheven, maar werd een schadevergoeding van €1.320 toegekend voor de onrechtmatige vrijheidsontneming van elf dagen. Tevens werden proceskosten van €1.868 aan eiser toegekend.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is gegrond verklaard en eiser krijgt een schadevergoeding voor onrechtmatige vrijheidsontneming toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.30271

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Raaijmakers).

Procesverloop

Bij besluit van 25 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Eiser is op 5 juni 2026 uitgezet naar zijn land van herkomst. Volgens de aanbiedingsbrief van verweerder d.d. 9 juni 2026 is de bewaring dezelfde dag opgeheven. In het digitale dossier waar de rechtbank over beschikt zijn hiervan geen stukken aanwezig.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eiser stelt te zijn geboren op [datum] 1986 en burger van Bosnië-Herzegovina te zijn.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft als zware gronden [2] vermeld dat eiser:
- 3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
- 3c. eerder een visum, besluit, of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en de vreemdeling daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg aan heeft gegeven;
en als lichte gronden [3] vermeld dat eiser:
- 4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
- 4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;- 4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
3. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zich op het standpunt heeft gesteld dat sprake is van een risico op onttrekking en dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel. Daartoe wijst eiser erop dat hij wilde terugkeren naar zijn land van herkomst, contact heeft onderhouden met verweerder over de uitbetaling van een eerder toegekende schadevergoeding en dat hij dit geld nodig had om zijn terugkeer mogelijk te maken. Hij heeft zich daarom juist ingespannen om zijn vertrek te bewerkstelligen.
4. De rechtbank stelt vast dat eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde zware en lichte gronden niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van bewaring. Daarmee heeft verweerder in beginsel mogen aannemen dat sprake was van een risico op onttrekking. Dat neemt echter niet weg dat verweerder steeds moet beoordelen of in het individuele geval met een lichter middel kan worden volstaan.
5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Daarbij acht zij van belang dat de gemachtigde van eiser ter zitting onweersproken heeft toegelicht dat eiser wel degelijk wilde terugkeren naar zijn land van herkomst en dat door of namens eiser meerdere malen contact is opgenomen met verweerder over de uitbetaling van een eerder toegekende schadevergoeding. Ook de gemachtigde heeft voorafgaand aan het gehoor contact opgenomen met de AVIM om de omstandigheden van eiser toe te lichten. Eiser heeft aangegeven de schadevergoeding nodig te hebben om zijn terugkeer mogelijk te maken en om na terugkeer een goede en vooral ook veilige start in zijn land van herkomst te kunnen maken. Verweerder heeft ter zitting erkend dat de uitbetaling van deze schadevergoeding vertraging had opgelopen aan zijn zijde. Dat eiser de schadevergoeding in verband bracht met zijn vertrek uit Nederland vindt bovendien steun in eisers verklaringen tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling.
6. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat uit de contacten met eiser niet blijkt dat eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij illegaal in Nederland verbleef en dat deze contacten uitsluitend betrekking hadden op de schadevergoeding. De rechtbank volgt verweerder hierin niet. Ter zitting is gebleken dat de gemachtigde van eiser en eiser contact hebben opgenomen om zijn omstandigheden toe te lichten. Daarbij heeft eiser aangegeven terug te willen keren, maar daarvoor afhankelijk te zijn geweest van de uitbetaling van de schadevergoeding. Verweerder kan dan ook geacht worden te hebben geweten dat, en waarom, eiser nog in Nederland aanwezig was. Onder deze omstandigheden kan het contact met verweerder niet los worden gezien van eisers inspanningen om zijn terugkeer te bewerkstelligen.
7. Tegen deze achtergrond heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd waarom niet met een lichter middel kon worden volstaan. Dat eiser niet zelfstandig was vertrokken, rechtvaardigt onder deze omstandigheden niet zonder meer de conclusie dat hij zich aan het toezicht zou onttrekken. De beroepsgrond slaagt. Dit betekent dat de aan eiser op 25 mei 2026 opgelegde maatregel van bewaring tot aan zijn uitzetting op 5 juni 2026 onrechtmatig was.
8. Het beroep is gegrond. Dit leidt echter niet tot het opheffen van de maatregel van bewaring of het in vrijheidstellen van eiser, omdat eiser reeds op 5 juni 2026 is uitgezet. De rechtbank kent wel schadevergoeding toe voor elf dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 11 x € 120 (verblijf detentiecentrum) = € 1.320.
9. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.320 (dertienhonderdtwintig euro);
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868 (achttienhonderdachtenzestig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2026 door mr. K.M. de Jager, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Artikel 5.1b, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb).
3.Artikel 5.1b, vierde lid, van het Vb.