ECLI:NL:RBDHA:2026:1616

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
13 januari 2026
Publicatiedatum
30 januari 2026
Zaaknummer
rekestnummer : C/09/696716 / FT RK 25/884; insolventienummer: C/09/26/7 R
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 Verordening 2015/848Art. 7:629 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek tot faillietverklaring wegens niet-betaling loonvordering

Verzoeker, voormalig werknemer van verweerster, heeft een verzoek tot faillietverklaring ingediend wegens onbetaalde loonvorderingen, vakantiegeld, verlofuren en reiskosten. Na een conflict heeft verzoeker de arbeidsovereenkomst zelf opgezegd per 30 november 2025. Verweerster betwist betaling vanwege vermeende onvoldoende werk en onjuiste diploma’s, maar erkent geen procedure te zijn gestart tegen de loonvordering.

De rechtbank oordeelt bevoegd te zijn op grond van de Verordening 2015/848 en stelt vast dat verzoeker een vorderingsrecht heeft dat summierlijk is bewezen. Verweerster verkeert in financiële problemen en laat meerdere schuldeisers onbetaald, waaronder verzoeker. De toestand van opgehouden te betalen is daarmee aanwezig.

De rechtbank wijst het verzoek tot faillietverklaring toe, verklaart de BV failliet, benoemt een rechter-commissaris en curator, en geeft de curator opdracht tot inzage in de post van verweerster. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open binnen acht dagen.

Uitkomst: Verzoek tot faillietverklaring van de BV wordt toegewezen wegens niet-betaling van loonvorderingen.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANKDEN HAAG
Team Toezicht
rekestnummer : C/09/696716 / FT RK 25/884
insolventienummer: C/09/26/7 F
vonnis van 13 januari 2026
in de zaak van
[verzoeker]
verzoeker,
advocaat: mr. A.C.E.G. Cordesius,
tegen
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[bedrijf] B.V.,
tevens handelend onder de naam [naam] , uitgevers achter de schermen,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer [nummer] ,
statutair gevestigd te [vestigingsplaats] ,
vestigingsadres: [adres] ,
verweerster.
Waar deze zaak over gaat
Verzoeker heeft een verzoekschrift ingediend strekkende tot faillietverklaring van verweerster. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Zij legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
Verzoeker heeft een verzoekschrift met bijlagen ingediend strekkende tot faillietverklaring van verweerster.
1.2.
Het verzoekschrift is op 13 januari 2026 in raadkamer behandeld. Bij die gelegenheid zijn verschenen en gehoord:
- verzoeker, voornoemd;
- mr. Cordesius, voornoemd;
- de heer [naam] , indirect bestuurder van verweerster (hierna: [naam] ).
1.3.
De rechtbank heeft op 13 januari 2026 kennis genomen van een (ongedateerd)
verweerschrift met acht bijlagen.
1.4.
De uitspraak is bepaald op vandaag.

2.Standpunten van partijen

2.1.
Verzoeker was in dienst bij verweerster en heeft werkzaamheden voor haar verricht. Na een opgelopen conflict heeft verzoeker zich ziekgemeld en gedurende zijn ziekteperiode heeft verzoeker de arbeidsovereenkomst zelf opgezegd tegen
30 november 2025, met inachtneming van een opzegtermijn. Op 1 december 2025 is hij niet meer bij verweerster in dienst. Verzoeker stelt dat hij een vordering van totaal
€ 10.080,- bruto heeft op verweerster uit hoofde salaris, vakantiegeld en ongebruikte verlofuren, alsmede een bedrag van totaal € 329,68 netto uit hoofde van reiskosten.
2.2.
Verweerster heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Zij heeft – kort samengevat – het standpunt ingenomen dat zij verzoeker niet hoeft te betalen, aangezien verzoeker zijn werk niet naar behoren heeft gedaan en niet de waarheid heeft gesproken over zijn diploma’s, althans niet heeft aangetoond dat hij over de gevraagde diploma’s beschikt.

3.De beoordeling

Bevoegdheid

3.1.
De rechtbank is, gelet op het bepaalde in artikel 3, eerste lid, Verordening 2015/848 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie (herschikking IVO), bevoegd deze insolventieprocedure als hoofdprocedure te openen nu het centrum van voornaamste belangen van verweerster in Nederland ligt.
Het beoordelingskader
3.2.
Een faillissement kan op verzoek worden uitgesproken wanneer van een vorderingsrecht van een verzoeker is gebleken én is gebleken dat de schuldenaar verkeert in de toestand dat hij heeft opgehouden te betalen (de faillissementstoestand). Van die toestand is sprake wanneer de schuldenaar diverse schuldeisers heeft en hij niet meer betaalt. Een en ander moet summierlijk blijken, dat wil zeggen dat zowel de toestand als de vordering na een kort, eenvoudig onderzoek moeten blijken. Voor een uitgebreid onderzoek is in een faillissementsprocedure geen plaats.
Vorderingsrecht van verzoeker
3.3.
De vordering van verzoeker heeft betrekking op maanden gedurende welke verzoeker in loondienst bij verweerster was. Verweerster heeft verzoeker niet ontslagen en ter zitting heeft [naam] namens verweerster desgevraagd verklaard dat verweerster ook geen procedure heeft gestart om de loonvordering of de arbeidsovereenkomst aan te vechten. Ook is niet gebleken dat verzoeker zich ten onrechte heeft ziekgemeld.
Dit maakt dat verzoeker recht heeft op betaling van salaris (artikel 7:629 BW Pro).
[naam] heeft op de zitting de gevorderde bedragen als omschreven in het verzoekschrift uiteindelijk niet weersproken. Van het vorderingsrecht van verzoeker is daarmee summierlijk gebleken.
Pluraliteit
3.4.
[naam] heeft verklaard dat verweerster financieel in zwaar weer verkeert en ook andere schuldeisers onbetaald laat.
Toestand van hebben opgehouden te betalen
3.5.
Nu uit summier onderzoek is gebleken van het vorderingsrecht van verzoeker en duidelijk is dat verweerster diverse schuldeisers heeft, moet de vraag worden beantwoord of ook sprake is van een situatie van opgehouden hebben te betalen.
Daarvoor is ten minste vereist dat een of meer van genoemde schulden niet of te laat worden voldaan. De vordering van verzoeker wordt geruime tijd onbetaald gelaten. [naam] heeft namens verweerster verklaard dat verweerster die vordering niet
op korte termijn geheel kan betalen en dat verweerster ook andere vorderingen niet meer (volledig) kan betalen. De rechtbank is daarom van oordeel dat sprake is van de toestand van hebben opgehouden te betalen.
3.6.
De rechtbank zal het verzoek tot faillietverklaring daarom toewijzen.

4.De beslissing

De rechtbank:
- verklaart
[bedrijf] B.Vvoornoemd, in staat van faillissement;
- benoemt tot rechter-commissaris mr. R. Cats;
- stelt aan als curator mr. R.J.H. Berghuis, advocaat te 's-Gravenhage;
- geeft de curator opdracht om de post van verweerster in te zien.
Dit is een beslissing van mr. drs. J.C.A.T. Frima, rechter, in samenwerking met R. Becker, griffier. Deze beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 januari 2026 om 12:00 uur.
Wat kunt u doen als u het niet eens bent met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak kan degene die is verschenen en aan wie de Faillissementswet dat recht toekent gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen. Dat kan door een advocaat een verzoekschrift in te laten dienen bij de griffie van het gerechtshof in Den Haag.