Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16165

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
AWB 24/9211
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 17 VwArt. 3.102b VbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor verblijf als gezinslid

Eiseres, een Marokkaanse vrouw geboren in 2002, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier met als doel verblijf als gezinslid bij haar moeder in Nederland. De aanvraag werd op 15 mei 2023 afgewezen wegens het ontbreken van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en het niet voldoen aan de voorwaarden voor vrijstelling hiervan. Ook het bezwaar van eiseres werd ongegrond verklaard.

Eiseres voerde aan dat verweerder over haar medische stukken beschikte en dat zij vanwege haar verstandelijke beperking en traumatische ervaringen vrijstelling van het mvv-vereiste zou moeten krijgen. De rechtbank oordeelde dat eiseres onvoldoende medische stukken had overgelegd om een medische noodsituatie aan te tonen, waardoor verweerder terecht geen advies van het BMA kon inwinnen. Daarnaast werd geoordeeld dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro in het nadeel van eiseres uitviel, mede omdat haar moeder ook was afgewezen en zij geen sterke banden met Nederland had.

Verder werd het beroep op de hardheidsclausule afgewezen omdat eiseres onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat terugkeer naar Marokko onmogelijk was. Ook het beroep op het discriminatieverbod faalde, aangezien het mvv-vereiste een objectieve rechtvaardigingsgrond kent. De rechtbank concludeerde dat geen schending van de hoorplicht had plaatsgevonden en verklaarde het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand bleef.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning regulier wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/9211

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2026 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. S. Karkache),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.J.M.C. Jansen).

Procesverloop

Bij besluit van 15 mei 2023 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1]’ afgewezen.
Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit.
Bij besluit van 29 mei 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1.1.
Eiseres is geboren op 27 december 2002 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Zij is de dochter van [naam 1] (referent). Eiseres en haar moeder zijn in 2018 samen naar Nederland gekomen en zijn niet in het bezit van een verblijfsvergunning.
1.2.
Op 4 oktober 2022 heeft eiseres de onderhavige aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij referent’ op grond van artikel 8 van Pro het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) ingediend.
Bestreden besluit
2. Het bestreden besluit, waarbij de afwijzing van de aanvraag in het primaire besluit is gehandhaafd, houdt het volgende in. Eiseres beschikt niet over een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en zij voldoet niet aan de voorwaarden voor vrijstelling hiervan. Zonder medische stukken kan verweerder geen oordeel vormen over de medische situatie van eiseres, zodat zij niet vrijgesteld kan worden van het mvv-vereiste op medische gronden. Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat de uitzetting van eiseres niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM. Hoewel tussen eiseres en haar moeder wel sprake is van beschermingswaardig familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, is ook de aanvraag van de moeder van eiseres afgewezen, zodat zij bij een uitzetting niet van elkaar zullen worden gescheiden. Verweerder neemt verder aan dat eiseres privéleven heeft in Nederland, maar de belangenafweging die met het oog hierop is gemaakt, valt in het nadeel van eiseres uit. Het belang van de Nederlandse overheid weegt volgens verweerder zwaarder dan het persoonlijke belang van eiseres. Wat eiseres heeft aangevoerd over de vrees voor de ex-man van haar moeder leidt volgens verweerder ook niet tot vijstelling van het mvv-vereiste op grond van de hardheidsclausule. Eiseres heeft de problemen niet met bewijsstukken onderbouwd en bovendien zou zij hulp kunnen inroepen van de daartoe bestemde instanties of politie in Marokko.
Gronden van beroep
3. Eiseres voert aan dat verweerder wel over haar medische stukken beschikt. Zij heeft een brief van [naam 2] van [naam praktijk] overgelegd waaruit volgt dat haar IQ en mentale toestand is onderzocht en een brief van het [naam ziekenhuis] waaruit volgt dat een psychologisch en lichamelijk onderzoek is afgenomen en is vastgesteld dat eiseres aan ernstige trauma's leed en in 2017 Marokko is ontvlucht. Er is geadviseerd om psychologische begeleiding vanuit de LVB of Stichting Mee aan te bieden. Eiseres is verstandelijk beperkt en functioneert op het niveau van een kind van 4 tot 5 jaar. In het verslag van [naam zorgverlener] te Rotterdam is uitvoerig ingegaan op wat de moeder van eiseres was overkomen in Marokko. Deze aspecten zijn niet meegenomen in het besluit. Verweerder had het BMA om advies kunnen verzoeken. Ook had verweerder eiseres de gelegenheid moeten bieden wat zij heeft aangekaart op een hoorzitting nader te concretiseren. Er zijn concrete feiten en omstandigheden naar voren gebracht over het eergerelateerd geweld waaraan haar moeder was blootgesteld en wat de redenen zijn dat ze niet terug kan naar Marokko. Het bezwaar was niet kennelijk ongegrond. Eiseres is inmiddels voor haar traumatische ervaringen doorverwezen naar gespecialiseerde zorg. Met de AVIM te Rotterdam is overleg geweest om haar te horen over het seksueel misbruik in Nederland. Vanwege haar mentale en fragiele toestand was ze niet in staat om de aangiftefase door te komen. Ze wenste geen aangifte te doen, en nog steeds niet. De AVIM te Rotterdam was niet bereid om een verklaring conform het bepaalde in paragraaf B8/3.3. van de Vc af te geven, daarvoor wilden ze haar eerst spreken.
Eiseres is inderdaad niet in het bezit van een geldige mvv. Dit wordt onterecht aan eiseres tegengeworpen nu dit in strijd is met het discriminatieverbod. Het mvv-vereiste wordt niet tegengeworpen aan mensen die westers, ontwikkeld gelieerd zijn, dus blank zijn dan wel enige aanzienlijke binding met het westen hebben. Wat het legitieme doel van het mvv-vereiste dan is, ontgaat eiseres volledig. Verweerder beschikt over alle gegevens om een weloverwogen besluit te kunnen nemen. Eiseres verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 16 april 2024 (met betrekking tot het examen inburgering buitenland, ECLI:NL:RBDHA:2024:5396).
Beoordeling door de rechtbank
Vrijstelling van het mvv-vereiste
4. De rechtbank stelt voorop dat het hier gaat om een aanvraagsituatie. Dit betekent dat het in beginsel aan eiseres is om aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor de gevraagde verblijfsvergunning. Dit betekent meer concreet dat het in eerste instantie aan eiseres is om feiten en omstandigheden naar voren te brengen, en die te onderbouwen, die aanleiding geven voor het oordeel dat zij in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste.
Medische gronden
5. Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat zij in aanmerking dient te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste gelet op haar medische situatie, overweegt de rechtbank als volgt.
5.1.
Artikel 17, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw bepaalt dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet wordt afgewezen wegens het ontbreken van een geldige mvv, indien het betreft de vreemdeling voor wie het gelet op diens gezondheidstoestand niet verantwoord is om te reizen.
Uit paragraaf B1/4.1. van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) volgt dat eiseres ook van het mvv-vereiste vrijgesteld kan worden als er binnen drie tot zes maanden bij het uitblijven van behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan.
Onder een medische noodsituatie verstaat de IND: die situatie waarbij de vreemdeling lijdt aan een aandoening, waarvan op basis van de huidige medisch-wetenschappelijke inzichten vaststaat dat het achterwege blijven van behandeling binnen een termijn van 3 maanden zal leiden tot overlijden, invaliditeit of een andere vorm van ernstige geestelijke of lichamelijke schade (zie paragraaf A3/7. 1.3 van de Vc).
Uit artikel 3.102b, aanhef en onder c, van het Vreemdelingenbesluit (Vb) volgt dat een vreemdeling zelf relevante medische gegevens en bescheiden moet overleggen, indien hij stelt dat hij om medische redenen vrijgesteld moet worden van het mvv-vereiste.
5.2.
Verweerder heeft gemotiveerd dat eiseres een sociaal maatschappelijk rapport van Presentie Zorg en een onderzoek door [naam praktijk] heeft overgelegd, maar dat er nog stukken ontbreken. Verweerder heeft per brief van 30 december 2022 aan eiseres verzocht om de volgende medische stukken op te sturen, zodat het BMA advies uit kan brengen over de medische situatie van eiseres:
- Bijlage Toestemmingsverklaring medische gegevens voor alle behandelaars;
- Bijlage Bewijs omtrent medische situatie vreemdeling van alle behandelaars;
- Informatie van de behandelaars (zie Bijlage Toelichting en bewijsmiddelen medische omstandigheden).
Verder heeft verweerder betrokken dat eiseres hierop niet heeft gereageerd.
5.3.
Verweerder heeft aan eiseres kunnen tegenwerpen dat zij heeft verzuimd om een compleet medisch dossier over te leggen. Eiseres is tijdens de aanvraagprocedure geïnformeerd over de benodigde medische stukken en is er op gewezen dat het haar verantwoordelijkheid is om die stukken over te leggen. Nu eiseres deze stukken (waaronder de toestemmingsverklaring op basis waarvan het BMA medische informatie kan opvragen bij behandelaars van eiseres) niet heeft overgelegd, heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat het BMA niet kan onderzoeken of eiseres onder medische behandeling staat in Nederland, of zij kan reizen en of zij eventueel kan worden behandeld in Marokko. Verweerder heeft er dan ook van kunnen afzien het BMA om een advies te vragen. Verder heeft verweerder terecht overwogen dat hij zich zonder dit medische advies van het BMA geen oordeel kan vormen over de medische situatie van eiseres en zij dus niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op medische gronden.
Artikel 8 van Pro het EVRM
6. Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat zij in aanmerking dient te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste op de grond dat haar uitzetting strijd oplevert met haar recht op familieleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt.
6.1.
Niet in geschil is dat tussen eiseres en haar moeder sprake is van familieleven zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Verweerder stelt zich echter terecht op het standpunt dat de afwijzing van de aanvraag niet in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM, omdat de aanvraag voor een verblijfsvergunning van de moeder van eiseres ook is afgewezen. Eiseres en haar moeder zullen niet van elkaar worden gescheiden, zodat geen sprake is van een inbreuk op hun familieleven. Eiseres en haar moeder kunnen hun familieleven in Marokko voortzetten. Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat zij en haar moeder in Marokko problemen met de ex-man van haar moeder hebben gehad en het daarom niet mogelijk is om terug te keren naar Marokko, is de rechtbank van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat eiseres deze standpunten niet aannemelijk heeft gemaakt en dat zij zich bij eventuele problemen kan wenden tot de autoriteiten in Marokko. Niet is gebleken dat dit niet kan.
6.2.
Ten aanzien van het standpunt van eiseres dat zij in aanmerking dient te komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste op de grond dat haar uitzetting strijd oplevert met haar recht op privéleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM, overweegt de rechtbank als volgt.
6.3.
Niet in geschil is dat eiseres privéleven heeft in Nederland. Verweerder stelt zich echter niet ten onrechte op het standpunt dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Verweerder heeft hierbij betrokken dat eiseres geen compleet medisch dossier heeft overgelegd en dat niet is aangetoond dat eiseres een actieve medische behandeling ondergaat en of zorg nodig heeft en indien zij van zorg afhankelijk is, deze zorg enkel door haar moeder in Nederland kan worden gegeven. Eiseres heeft ook niet met stukken onderbouwd en door het ontbreken van een BMA-advies is niet gebleken dat zij bij onderbreking van hulpverlening en medische behandeling in een gevaarlijke mentale situatie zal geraken met mogelijk suïcide als gevolg. Verweerder heeft in de belangenafweging verder betrokken dat eiseres vier jaar in Nederland verblijft en dat dit vergeleken met haar verblijf in Marokko nog altijd relatief kort is. Zij heeft immers vanaf haar geboorte tot haar vertrek uit Marokko in 2018 onafgebroken in Marokko gewoond. Zij heeft hierdoor geen sterke banden met Nederland, maar wel met Marokko. Daar komt bij dat zij nog nooit een verblijfsvergunning gehad heeft. Verweerder stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de banden met Nederland die eiseres heeft opgebouwd terwijl zij geen verblijfsvergunning had, niet zwaar meewegen. Verweerder stelt zich dan ook niet ten onrechte op het standpunt dat de belangen van de Nederlandse Staat (het beschermen van het economisch welzijn, de openbare orde, de rechten en vrijheden van anderen en de volksgezondheid van het land) zwaarder wegen dan de belangen van eiseres (dat zij in Nederland mag blijven wonen).
Hardheidsclausule
7. Ten aanzien van het beroep van eiseres op de hardheidsclausule, overweegt de rechtbank als volgt. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiseres niet heeft aangetoond dat zij (samen met haar moeder) niet terug kan keren naar Marokko omdat haar moeder vreest voor haar ex-man. De enkele stelling van eiseres dat zij seksueel is misbruikt in Marokko en dat zij zou zijn uitgehuwelijkt aan een oudere man, is zonder nadere onderbouwing onvoldoende om ervan uit te gaan dat zij niet terug zou kunnen naar Marokko. Verweerder stelt zich in dat kader terecht op het standpunt dat niet is gebleken dat eiseres (en haar moeder) in Marokko geen hulp kunnen inroepen van de politie of andere daartoe bestemde instanties. De door eiseres aangevoerde omstandigheden betreffen bovendien asielmotieven. Verweerder wijst er terecht op dat dergelijke motieven een rol kunnen spelen bij de beoordeling van een reguliere aanvraag als deze omstandigheden al zijn beoordeeld in een asielprocedure. Daar is in het geval van eiseres geen sprake van. Eiseres kan een asielaanvraag indienen als zij een beroep wil doen op die asielomstandigheden, dan kunnen die omstandigheden in dat kader onderzocht worden.
8. Ten aanzien van wat eiseres heeft aangevoerd over wat zij in Nederland heeft meegemaakt en betrekking heeft op haar aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het doel humanitair tijdelijk (mensenhandel), verwijst de rechtbank naar de zaak 24/9214.
Discriminatieverbod
9. Het standpunt van eiseres dat het mvv-vereiste in strijd is met het discriminatieverbod slaagt ook niet. De vraag of in het kader van het mvv-vereiste een onderscheid mag worden gemaakt naar nationaliteit is reeds bevestigend beantwoord door de Afdeling in onder meer de uitspraak van 31 januari 2006 (ECLI:NL:RVS:2006:AV1445). Hieruit volgt dat het onderscheid naar nationaliteit waar eiseres op doelt, wordt gemaakt ter bescherming van de Nederlandse economische orde en dat voor het maken van dit onderscheid een redelijke en objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat. De rechtbank ziet in wat eiseres heeft aangevoerd geen grond voor een ander oordeel. De verwijzing naar de hierboven genoemde uitspraak van 16 april 2024 gaat in deze zaak niet op. Deze uitspraak ziet immers op de vraag of sprake is van onderscheid op grond van nationaliteit tussen vreemdelingen die moeten voldoen aan het inburgeringsvereiste in het buitenland en vreemdelingen die daarvan zijn vrijgesteld. De door de Afdeling op 11 juni 2025 gestelde prejudiciële vragen zien ook op dit onderscheid. De vraag waarom onderdanen van bepaalde landen zijn vrijgesteld van het mvv-vereiste is in de zaken waar deze verwijzingsuitspraak op ziet, dan ook niet aan de orde (dit volgt uit punt 1.6 van de verwijzingsuitspraak van 11 juni 2025).
Hoorplicht
10. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van schending van de hoorplicht. Verweerder mag met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht van het horen afzien indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat het bezwaar niet kan leiden tot een andersluidend besluit. Gelet op de inhoud van het primaire besluit en wat daartegen door eiseres is aangevoerd, doet een dergelijke situatie zich hier voor. Verweerder heeft gelet hierop kunnen afzien van horen in bezwaar.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. M.M. Mercelina, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2026.
De rechter is verhinderdde uitspraak te tekenen.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.