ECLI:NL:RBDHA:2026:16168
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Toewijzing voorlopige voorziening voor voortzetting arbeid tijdens bezwaarprocedure GVVA-afwijzing
Verzoeker, van Indiase nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn Gecombineerde Vergunning voor Verblijf en Arbeid (GVVA) met het verblijfsdoel 'Arbeid in loondienst'. Deze aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie op 12 mei 2026 afgewezen. Verzoeker maakte hiertegen bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij tijdens de bezwaarprocedure mocht blijven werken.
De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:83 lid 3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting. Verweerder maakte geen bezwaar tegen het verzoek. Gezien de belangen en het ontbreken van beletselen, besloot de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen. Dit betekent dat verzoeker zijn werkzaamheden bij zijn huidige werkgever mag voortzetten totdat op het bezwaar is beslist.
Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van € 200,- en de proceskosten van € 934,-, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.E.J.M. Gielen en griffier L. Kooring op 12 juni 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.
Uitkomst: Verzoeker mag tijdens de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van zijn GVVA-verlenging blijven werken bij zijn werkgever.