ECLI:NL:RBDHA:2026:16168

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL26.28537
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing voorlopige voorziening voor voortzetting arbeid tijdens bezwaarprocedure GVVA-afwijzing

Verzoeker, van Indiase nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor verlenging van zijn Gecombineerde Vergunning voor Verblijf en Arbeid (GVVA) met het verblijfsdoel 'Arbeid in loondienst'. Deze aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie op 12 mei 2026 afgewezen. Verzoeker maakte hiertegen bezwaar en vroeg de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, zodat hij tijdens de bezwaarprocedure mocht blijven werken.

De voorzieningenrechter beoordeelde het verzoek op grond van artikel 8:83 lid 3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting. Verweerder maakte geen bezwaar tegen het verzoek. Gezien de belangen en het ontbreken van beletselen, besloot de voorzieningenrechter het verzoek toe te wijzen. Dit betekent dat verzoeker zijn werkzaamheden bij zijn huidige werkgever mag voortzetten totdat op het bezwaar is beslist.

Daarnaast werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van het griffierecht van € 200,- en de proceskosten van € 934,-, conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter A.E.J.M. Gielen en griffier L. Kooring op 12 juni 2026. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep of verzet mogelijk.

Uitkomst: Verzoeker mag tijdens de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van zijn GVVA-verlenging blijven werken bij zijn werkgever.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.28537
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], geboren op [geboortedag] 1986, van Indiase nationaliteit, verzoeker

(gemachtigde: mr. B.D. Lit),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. H.Q. van der Zaan).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker.
1.1.
Bij besluit van 12 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker om verlenging van zijn GVVA [1] met het verblijfsdoel ‘Arbeid in loondienst’ afgewezen.
1.2.
Op 15 mei 2026 heeft verzoeker hiertegen bezwaar gemaakt. Op 21 mei 2026 heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die ertoe strekt hem toe te staan tijdens de bezwaarprocedure te mogen blijven werken voor zijn werkgever.
1.3.
De voorzieningenrechter doet op grond van 8:83, derde lid, van de Awb [2] uitspraak
zonder zitting.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan hangende een bezwaarprocedure de voorzieningenrechter van de rechtbank op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
3. Op 5 juni 2026 heeft verweerder de voorzieningenrechter laten weten zich niet te
verzetten tegen toewijzing van de gevraagde voorlopige voorziening. Gelet hierop en omdat de voorzieningenrechter ook verder geen beletselen ziet die zich tegen toewijzing van dit verzoek verzetten, zal de voorzieningenrechter het verzoek toewijzen. Dit betekent dat verzoeker mag blijven werken bij zijn huidige werkgever totdat op het bezwaar is beslist.
4. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet verweerder het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarnaast veroordeelt de voorzieningenrechter verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een
wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter,
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat verzoeker
gedurende de bezwaarprocedure mag blijven werken voor zijn werkgever;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 200,- aan verzoeker te vergoeden; en,
- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 934,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L. Kooring, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Gecombineerde vergunning voor verblijf en arbeid.
2.Algemene wet bestuursrecht.