ECLI:NL:RBDHA:2026:16170

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
15 juni 2026
Zaaknummer
NL25.5075
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:46 AwbArt. 4:84 AwbArt. 6:19 AwbArt. 3.14 VbArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging weigering mvv voor gezinshereniging minderjarige dochter

De rechtbank Den Haag heeft op 12 juni 2026 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke zaak over de weigering van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor de minderjarige dochter van de referent. De aanvraag was afgewezen omdat verweerder twijfelde aan het eenhoofdig gezag van de moeder en de geldigheid van de toestemmingsverklaring van de vader.

Tijdens de zitting op 18 mei 2026 werd vastgesteld dat de moeder aannemelijk heeft gemaakt dat de vader toestemming heeft gegeven voor het vertrek van de dochter uit Ghana. De rechtbank oordeelde dat verweerder ten onrechte twijfelde aan de authenticiteit van de toestemmingsverklaring, ondanks het verlopen paspoort van de vader, mede door aanvullende bewijsstukken zoals foto's en een zorgpas.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit wegens onvoldoende motivering in strijd met artikel 3:46 Awb Pro en beval verweerder binnen acht weken een nieuw besluit te nemen waarbij de toestemming van de vader wordt meegewogen. Tevens werd verweerder veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en verweerder moet binnen acht weken een nieuw besluit nemen waarbij toestemming van de vader wordt meegewogen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.5075
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

geboren op [geboortedag] 2010, van Ghanese nationaliteit, eiseres,
(gemachtigde: mr. F. Kiliç-Arslan)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Samenvatting

1. In deze uitspraak beslist de rechtbank op de weigering van verweerder om aan eiseres een mvv [1] te verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het beroep is daarom gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Referente, [referente], heeft op 30 juni 2023 een aanvraag ingediend voor een mvv met het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referente]’. De aanvraag is bedoeld voor haar dochter, eiseres.
2.1.
Bij het primaire besluit van 7 mei 2024 heeft verweerder de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet aan alle vereisten voor een mvv voldoet. Bij het bestreden besluit van 14 januari 2025 heeft verweerder deze afwijzing gehandhaafd.
2.2.
Op 3 februari 2025 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiseres tegen dit besluit ontvangen.
2.3.
Verweerder heeft op 24 maart 2026 een aanvullend besluit genomen en het bestreden besluit ingetrokken voor zover het betrekking heeft op de ingebrekestelling en dwangsom.
2.4.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 mei 2026. Partijen zijn vertegenwoordigd door hun voornoemde gemachtigden. Eiseres heeft aan de zitting deelgenomen door middel van een videoverbinding. Ook waren referente en
T. Oolman-Bakah, tolk in de taal Twi, ter zitting aanwezig. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Besluitvorming
3. Verweerder heeft de aanvraag van een mvv afgewezen, omdat er niet is gebleken dat referente het eenhoofdig gezag heeft over eiseres of dat er toestemming is gegeven voor het vertrek van eiseres naar het buitenland. Volgens verweerder zou referente, als zij inderdaad het eenhoofdig gezag over eiseres heeft, moeten beschikken over een ‘custody order’ van het Family Tribunal. Er is geen ‘custody order’ overgelegd. Daarnaast heeft eiseres op
11 november 2024 wel alsnog een toestemmingsverklaring van de vader van eiseres ingebracht, maar blijkt het paspoort van de vader bijna tien jaar verlopen te zijn. Hierdoor kan de handtekening op de toestemmingsverklaring volgens verweerder niet geverifieerd worden. Ten aanzien van de zorgpas van de vader, die ook door eiseres is overgelegd, stelt verweerder dat dit geen geldig identiteitsbewijs is en dat er geen handtekening op staat.
3.1.
Naast het bovenstaande levert de weigering om aan eiseres hier verblijf toe te staan volgens verweerder geen schending op van artikel 8 van Pro het EVRM [2] . Verweerder neemt wel aan dat er sprake is van gezinsleven, maar stelt zich op het standpunt dat de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvalt. Hierbij weegt verweerder zwaar in het nadeel mee dat niet is aangetoond dat referente het eenhoofdig gezag heeft of dat de vader toestemming heeft gegeven voor het verblijf van eiseres in Nederland.
3.2.
Daarbij zijn er volgens verweerder geen bijzondere omstandigheden die maken dat afgeweken moet worden van de beleidsregels en heeft eiseres ook onvoldoende geconcretiseerd welke humanitaire redenen en kinderrechten worden geschonden met dit besluit. [3]
Beroepsgronden eiseres
4. Eiseres stelt dat verweerder niet alleen referente had moeten horen, maar dat ook eiseres zelf gehoord had moeten worden. Tijdens de online hoorzitting heeft de moeder zo goed mogelijk de belevingswereld van haar minderjarige dochter proberen uit te drukken, maar zij kan dit niet namens eiseres doen.
4.1.
Eiseres stelt zich daarnaast op het standpunt dat verweerder niet had kunnen tegenwerpen dat er niet voldaan is aan de voorwaarden uit paragraaf B7/3.2.3 van de Vc [4] . Eiseres stelt hiertoe allereerst dat de vader helemaal geen gezag heeft over eiseres. Referente is niet getrouwd met de vader, er is geen sprake geweest van een namegiving ceremonie of een andere vorm van gewoonterechtelijke erkenning. De vader is nimmer betrokken geweest in de opvoeding en verzorging van eiseres. Mocht er toch van uitgegaan worden dat de vader van eiseres wel gezag heeft, dan stelt eiseres dat met foto’s, verklaringen en een uitgebreid feitenrelaas voldoende is overgelegd om verweerder ervan te overtuigen dat de biologische vader de toestemming verleent voor de overkomst van eiseres. Nadere verzoeken zoals het overleggen van een geldig paspoort zijn onmogelijk gebleken.
4.2.
Eiseres stelt ook dat het besluit inhumaan is en strijdig is met het belang van het kind zoals gelezen vanuit het IVRK [5] en artikel 8 van Pro het EVRM. Gezien de omstandigheden in deze zaak had er volgens eiseres genoegen moeten worden genomen met de overgelegde informatie.
Overgelegde documenten
5. Referente heeft onder andere de volgende documenten overgelegd:
  • Originele gelegaliseerde geboorteakte van eiseres;
  • Verklaring van de moeder van referente, mevrouw [naam 1], waarin zij toestemming geeft voor het uitreizen van eiseres;
  • Identiteitskaart van mevrouw [naam 1];
  • Huwelijksakte van referente met de heer [naam 2];
  • Echtscheidingsakte van referente met de heer [naam 2];
  • Toestemmingsverklaring van de vader van eiseres;
  • Kopie van het paspoort van de vader van eiseres;
  • Kopie van de zorgpas van de vader van eiseres;
  • Foto’s van het moment van ondertekening van de toestemmingsverklaring.
Oordeel van de rechtbank
Juridisch kader
6. Volgens artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb [6] wordt een verblijfsvergunning voor verblijf als familie- of gezinslid aan het minderjarige biologische of juridische kind van een ouder met een Nederlandse verblijfsvergunning verleend indien het minderjarige kind in het land van herkomst feitelijk behoorde tot het gezin van de ouder en onder het rechtmatige gezag van de ouder staat.
6.1.
Volgens paragraaf B7/ 3.2.3. van de Vc kan een aanvraag op grond van artikel 3.14, aanhef en onder c, van het Vb worden afgewezen als:
  • beide ouders het gezag hebben over het kind;
  • een van de ouders achterblijft in het land van herkomst; en
  • de achterblijvende ouder geen toestemming verleent voor het vertrek van het kind.
De toestemmingsverklaring
7. De rechtbank is van oordeel dat referente aannemelijk heeft gemaakt dat de vader van eiseres - voor zover vereist - toestemming heeft gegeven voor haar vertrek uit Ghana. Gezien dit oordeel laat de rechtbank de vraag of referente eenhoofdig gezag heeft over eiseres in het midden. De rechtbank overweegt dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat niet geverifieerd kan worden of de toestemmingsverklaring daadwerkelijk getekend is door de vader van eiseres. De rechtbank ziet geen aanleiding voor twijfel met betrekking tot de toestemming van de vader van eiseres. Verweerder wijst er terecht op dat het paspoort van de vader is verlopen. Uit de overgelegde kopie van het paspoort blijkt dat dit geldig was tot december 2016, zodat het paspoort ten tijde van de ondertekening van de toestemmingsverklaring bijna acht jaar verlopen was. De rechtbank ziet echter geen aanleiding om te twijfelen dat de man die de toestemmingsverklaring heeft getekend de houder van het verlopen paspoort is. Niet alleen is op de foto’s van het moment van ondertekening het betreffende paspoort zichtbaar, naast het toestemmingsformulier dat is overgelegd, maar de ondertekenaar beschikt ook over een geldige zorgpas met naam en foto. Naam en geboortedatum op de zorgpas komen overeen met die op het paspoort. Dat de zorgpas geen officieel identiteitsbewijs is en geen handtekening bevat, laat onverlet dat die bijdraagt aan de overtuiging dat degene die de toestemmingsverklaring heeft getekend de houder van het verlopen paspoort is. Verweerder dient daarom uit te gaan van toestemming van de vader, voor zover vereist.
Het aanvullend besluit
8. De gemachtigde van eiseres heeft ter zitting desgevraagd aangeven dat ze de data in het aanvullend besluit heeft gecontroleerd en dat die juist zijn. Eiseres heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het aanvullend besluit. De rechtbank is daarom van oordeel dat het beroep niet van rechtswege mede betrekking heeft op het aanvullend besluit, omdat eiseres daarbij geen belang heeft. [7]

Conclusie en gevolgen

9. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd en daarmee in strijd met artikel 3:46 van Pro de Awb. Zoals hierboven uiteengezet is, volgt de rechtbank het standpunt van verweerder niet dat niet geverifieerd kan worden of de toestemmingsverklaring getekend is door de vader van eiseres. Het beroep is om die reden gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking.
10. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen. Verweerder dient een nieuw besluit te nemen en moet er daarbij van uitgaan dat de vader van eiseres toestemming heeft gegeven voor haar vertrek uit Ghana. Verweerder dient dit ook mee te wegen bij de belangenafweging in het kader van artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank stelt een termijn van acht weken voor het nieuw te nemen besluit.
11. Omdat het beroep gegrond is, moet de verweerder de proceskosten vergoeden. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op
€ 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Daarnaast draagt de rechtbank verweerder op om het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-; en,
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 194,- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Een machtiging tot voorlopig verblijf.
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Artikel 4:84 van Pro de Algemene Wet Bestuursrecht (Awb).
4.Vreemdelingencirculaire 2000.
5.Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind.
6.Vreemdelingenbesluit 2000.
7.Artikel 6:19 van Pro de Awb.