ECLI:NL:RBDHA:2026:1619

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL26.3004
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 59 Vw 2000Art. 5.3 Vreemdelingenbesluit 2000Art. 8 onder f Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van artikel 59b Vreemdelingenwet 2000

De minister heeft op 13 januari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 27 januari 2026 via een beeldverbinding.

Eiser voerde aan dat de minister de grondslag van de inbewaringstelling ten onrechte had omgezet, dat de minister niet had voldaan aan de informatieplicht en dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn herhaalde asielaanvraag en homoseksuele geaardheid. De rechtbank oordeelde dat de minister de grondslag terecht had omgezet omdat eiser door zijn herhaalde asielaanvraag rechtmatig verblijf had, ondanks een eerder opgelegd inreisverbod dat pas geldt na vertrek uit Nederland.

Verder concludeerde de rechtbank dat de minister had voldaan aan de informatieplicht, aangezien eiser de informatiefolder in het Arabisch had ontvangen en de inhoud van de folder overeenkwam met de maatregel. Ten slotte vond de rechtbank dat het onttrekkingsrisico voldoende was gemotiveerd en dat de versnelde procedure passend was, ook gezien de aard van de asielmotieven. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.3004

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 13 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Heeft de minister de grondslag van de inbewaringstelling terecht omgezet?
1. Eiser betoogt dat de minister de grondslag van de maatregel niet om had hoeven zetten. Eiser zat namelijk eerst in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw 2000, omdat hij geen rechtmatig verblijf had. Volgens eiser heeft hij, ondanks zijn herhaalde asielaanvraag, geen rechtmatig verblijf gekregen, omdat hem eerder een inreisverbod is opgelegd. Artikel 59b van de Vw 2000 is daarom een onjuiste grondslag, aldus eiser.
1.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de grondslag van de inbewaringstelling terecht omgezet naar aanleiding van de herhaalde asielaanvraag van eiser op 12 januari 2026. Anders dan eiser betoogt, heeft hij vanwege zijn herhaalde asielaanvraag wel degelijk rechtmatig verblijf. Dit volgt uit artikel 8 onder Pro f van de Vw 2000. Een eerder opgelegd inreisverbod doet hier niet aan af. [1] Een inreisverbod is bovendien pas van toepassing op het moment dat eiser Nederland en het grondgebied van de Europese Unie heeft verlaten. Dat is niet het geval geweest. Artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 is daarom de juiste grondslag voor de inbewaringstelling van eiser.
Heeft de minister voldaan aan de informatieplicht?
2. Eiser betoogt vervolgens dat de minister de informatieplicht als bedoeld in artikel 5.3 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft geschonden. Aan het dossier is namelijk een informatiefolder toegevoegd, maar het is onduidelijk of deze folder daadwerkelijk bij eiser hoort omdat daar geen naam of v-nummer op vermeld staan.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister wel voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 5.3 van het Vb 2000. Uit de maatregel van bewaring blijkt namelijk dat aan eiser de informatiefolder is uitgereikt in de Arabische taal. Dit is door eiser ook niet betwist. Dat op deze folder niet het v-nummer of de naam van eiser vermeld staan, acht de rechtbank onvoldoende voor het oordeel dat niet aan de informatieplicht is voldaan. Daarbij komt dat de minister tijdens de zitting heeft gewezen op het feit dat op de folder die in het dossier is toegevoegd, kruisjes staan bij de gronden van de maatregel en deze kruisjes komen overeen met de maatregel van eiser. Daarmee acht de rechtbank voldoende aannemelijk dat eiser de juiste folder heeft gekregen.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
3. Eiser betoogt dat de minister aan hem een lichter middel had moeten opleggen. Eiser heeft namelijk een herhaalde asielaanvraag ingediend waarbij hij zijn homoseksuele geaardheid naar voren heeft gebracht. Dat asielmotief is ingewikkeld om te beoordelen waardoor de herhaalde asielaanvraag zich niet leent voor afdoening in de versnelde procedure vanuit bewaring. Eiser had dus de gelegenheid moeten krijgen om in Ter Apel zijn aanvraag af te wachten.
3.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe dat het onttrekkingsrisico volgt uit de niet-betwiste gronden van bewaring. Daardoor heeft de minister terecht gesteld dat geen lichter middel kon worden toegepast. Dit heeft de minister in de maatregel van bewaring ook voldoende gemotiveerd. Dat eiser een herhaalde asielaanvraag heeft lopen, maakt dit niet anders. Hierbij heeft de minister tijdens de zitting terecht gesteld dat op dit moment geen aanknopingspunten zijn dat deze aanvraag niet in de versnelde procedure vanuit bewaring kan worden afgedaan. Daarbij heeft de minister erop gewezen dat eiser een nader gehoor heeft gehad en dat een voornemen is uitgebracht waarin staat dat de minister voornemens is de aanvraag van eiser af te wijzen als kennelijk ongegrond. De minister heeft verder toegelicht dat op alle twee de momenten is bekeken of de aanvraag van eiser nog steeds in de versnelde procedure kan worden afgedaan. Dat is het geval. De rechtbank ziet geen reden om aan die conclusie te twijfelen. Verder heeft de minister tijdens de zitting terecht gesteld dat enkel het naar voren brengen van bepaalde asielmotieven, niet maakt dat iemand dan direct naar Ter Apel zou mogen gaan om daar de asielprocedure verder af te wachten.
Leidt de ambtshalve toets tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [2]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 27 september 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2620.
2.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X).