De minister heeft op 13 januari 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 27 januari 2026 via een beeldverbinding.
Eiser voerde aan dat de minister de grondslag van de inbewaringstelling ten onrechte had omgezet, dat de minister niet had voldaan aan de informatieplicht en dat een lichter middel had moeten worden toegepast vanwege zijn herhaalde asielaanvraag en homoseksuele geaardheid. De rechtbank oordeelde dat de minister de grondslag terecht had omgezet omdat eiser door zijn herhaalde asielaanvraag rechtmatig verblijf had, ondanks een eerder opgelegd inreisverbod dat pas geldt na vertrek uit Nederland.
Verder concludeerde de rechtbank dat de minister had voldaan aan de informatieplicht, aangezien eiser de informatiefolder in het Arabisch had ontvangen en de inhoud van de folder overeenkwam met de maatregel. Ten slotte vond de rechtbank dat het onttrekkingsrisico voldoende was gemotiveerd en dat de versnelde procedure passend was, ook gezien de aard van de asielmotieven. Het beroep en het verzoek om schadevergoeding werden ongegrond verklaard.