Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16198

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
09/121772-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 SrArt. 82 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens geslaagd beroep op noodweer bij poging zware mishandeling

De rechtbank Den Haag behandelde de zaak tegen verdachte die werd beschuldigd van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever met een honkbalknuppel in mei 2024. Hoewel het letsel een gebroken kaak betrof, oordeelde de rechtbank dat dit niet kwalificeert als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr Pro, mede omdat het slachtoffer na een week weer aan het werk was.

De rechtbank verklaarde het subsidiair ten laste gelegde feit van poging zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen: verdachte had een honkbalknuppel gepakt en hiermee aangever geslagen, maar het misdrijf was niet voltooid. De verdediging voerde aan dat verdachte handelde uit noodweer, terwijl de officier van justitie dit betwistte.

Na beoordeling van de feiten, waaronder verklaringen van verdachte, aangever en diens vader, en het dossier, achtte de rechtbank het verhaal van verdachte aannemelijk. De situatie betrof een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding waarbij verdachte zich aanvankelijk probeerde te onttrekken, maar werd ingehaald. Het gebruik van de honkbalknuppel was proportioneel gezien het dreigende geweld met een motorheggenschaar.

De rechtbank concludeerde dat verdachte rechtmatig handelde uit noodweer en geen culpa in causa aanwezig was. Daarom werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging voor het bewezen verklaarde feit van poging zware mishandeling.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens geslaagd beroep op noodweer bij poging zware mishandeling.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/121772-25
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de door de politierechter naar de meervoudige kamer verwezen zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres]

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 2 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Knobbout, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. T. Scheffer, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 2 mei 2024 tot en met 3 mei 2024 te Leiden
aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak,
heeft toegebracht door hem met een (honkbal)knuppel tegen zijn kaak en/of hoofd
en/of heup en/of elleboog te slaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 2 mei 2024 tot en met 3 mei 2024 te Leiden
ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om
aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen,
een (honkbal)knuppel heeft gepakt en/of vervolgens deze heeft meegenomen naar
die [aangever] en/of vervolgens met die (honkbal)knuppel één of meerdere
keren tegen de kaak en/of het hoofd en/of de heup en/of de elleboog van die [aangever]
heeft geslagen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 2 mei 2024 tot en met 3 mei 2024 te Leiden
[aangever] heeft mishandeld door met een (honkbal)knuppel tegen diens kaak
en/of hoofd en/of heup en/of elleboog te slaan,
terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken kaak ten gevolge heeft
gehad.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het subsidiair tenlastegelegde feit met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2024185371, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 72).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever] , opgemaakt op 28 mei 2024 (p. 40 – 44);
3.2.
Bewijsoverweging ten aanzien het zwaar lichamelijk letsel.
De rechtbank is, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat het letsel dat door de handelingen van de verdachte bij het slachtoffer is veroorzaakt, te weten een gebroken kaak, niet als zwaar lichamelijk letsel kan worden aangemerkt in de zin van artikel 82 van Pro het Wetboek van Strafrecht. Weliswaar komt uit de geneeskundige verklaring naar voren dat medisch ingrijpen noodzakelijk was, maar daarin wordt niet een herstelperiode vastgesteld, noch vastgesteld of het letsel niet meer volledig kan herstellen. Uit het dossier blijkt dat het slachtoffer na een week weer aan het werk was. Gelet hierop, kan de rechtbank geen zwaar lichamelijk letsel vaststellen. De verdachte zal daarom van de primair tenlastegelegde zware mishandeling worden vrijgesproken.
3.3.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij in de periode van 2 mei 2024 tot en met 3 mei 2024 te Leiden ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, een honkbalknuppel heeft gepakt en vervolgens deze heeft meegenomen naar die
[aangever]en vervolgens met die honkbalknuppel tegen de kaak van die [aangever] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

4.1.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte, indien een bewezenverklaring volgt, dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging, omdat hij heeft gehandeld uit noodweer.
4.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen geslaagd beroep op noodweer toekomt, omdat de verdachte zelf de confrontatie is aangegaan.
4.3.
Het oordeel van de rechtbank
Voor een geslaagd beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht (Sr), is vereist dat – in casu – het slaan met de honkbalknuppel door de verdachte, geboden was ter noodzakelijke verdediging tegen een (dreigende) ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van zijn lichaam. Vereist is dat de gedraging van de verdachte is "geboden door de noodzakelijke verdediging", waarmee zowel de subsidiariteits- als de proportionaliteitseis voor noodweer tot uitdrukking is gebracht.
De rechtbank dienst allereerst te beoordelen of zij de feitelijke toedracht, zoals de verdediging bij haar verweer heeft aangevoerd, aannemelijk acht.
Feitelijke toedracht
De verklaringen van de verdachte en vader en zoon [achternaam] ( [naam] en [aangever] ) lopen op een paar punten uiteen. Vader en zoon [achternaam] hebben verklaard dat zij naar de woning van de verdachte zijn gekomen om met hem de bedreigingen te bespreken die de verdachte zou hebben geuit over de telefoon en Whatsapp. Volgens hen is de verdachte vervolgens bij hun auto verschenen met een vriend en had de verdachte een hamer en een honkbalknuppel bij zich en droeg hij een bivakmuts. Volgens [aangever] zijn zij toen uitgestapt om de confrontatie aan te gaan en heeft hij van [naam] een motorheggenschaar uit de achterbak gekregen ter verdediging. Volgens [aangever] heeft de verdachte daarna een hamer naar hem gegooid, die voor zijn voeten terecht kwam. Vervolgens is [aangever] achter de verdachte aangerend met de heggenschaar (die volgens [aangever] niet aan stond). Toen [aangever] bij de verdachte was heeft de verdachte [aangever] een klap met de honkbalknuppel tegen zijn kaak gegeven.
De verdachte heeft verklaard dat hij, nadat hij [naam] over de telefoon heeft aangesproken op zijn gedrag richting de moeder van zijn ex-vriendin, door [naam] werd bedreigd. Volgens de verdachte waren de heren [achternaam] uit op een fysieke confrontatie. Nadat de verdachte te horen had gekregen van zijn toenmalige vriendin dat de heren [achternaam] voor zijn deur aan het wachten waren, heeft hij zich voorzien van een honkbalknuppel uit zijn schuur (en geen bivakmuts of hamer) en is samen met een vriend van hem naar de straat van zijn woning gelopen. Toen hij om de hoek kwam en hij werd gezien door de heren [achternaam] , stapten deze uit, pakten de heggenschaar uit de auto en kwamen op hen afrennen. Onderwijl werd volgens de verdachte de heggenschaar aangetrokken. De verdachte is toen weggerend. Op het moment dat hij bijna werd ingehaald door [aangever] en de verdachte zag dat [aangever] de heggenschaar opgeheven had, heeft hij zich omgedraaid en tegen zijn kaak geslagen met de honkbalknuppel.
Uit de verklaringen van beide kanten blijkt dat [naam] en [aangever] naar de woning van de verdachte zijn gegaan. Verder blijkt daaruit dat de verdachte, toen het kwam tot een confrontatie tussen partijen, is weggerend en dat [aangever] achter hem is aangerend met een motorheggenschaar. [aangever] is vervolgens door de verdachte geslagen met de honkbalknuppel en heeft hier een gebroken kaak aan overgehouden.
De verklaring van de verdachte over de feitelijke toedracht vindt naar het oordeel van de rechtbank meer steun in het dossier, gelet op de Whatsapp-berichten, het feit dat vader en zoon [achternaam] bij de woning van de verdachte waren en dat de ex-vriendin van de verdachte de politie heeft gebeld. De verklaringen van [naam] en [aangever] , inhoudende dat zij daar alleen waren om te praten met de verdachte, worden weersproken door deze eerdergenoemde feiten. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte aannemelijk.
Noodweer
De noodzaak tot verdediging ontbreekt indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit hoeft bijvoorbeeld niet als de situatie zo bedreigend is, dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.
De rechtbank moet ook de vraag beantwoorden of de wijze van verdediging door de verdachte proportioneel was. Uit de proportionaliteitseis volgt dat een gedraging niet straffeloos is als deze gedraging – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding.
Het door de verdachte geschetste verloop van het incident leverde naar het oordeel van de rechtbank een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding op waartegen de verdachte zich mocht verdedigen. Gegeven de omstandigheden waaronder de aanranding geschiedde, kon van de verdachte niet worden gevergd dat deze zich daaraan onttrok. De verdachte probeerde zich aanvankelijk immers aan een aanval te onttrekken door weg te rennen, maar werd ingehaald door [aangever] . Hierdoor bestond er geen reële mogelijkheid meer voor de verdachte om zich aan de aanranding te onttrekken.
Van de wijze waarop de verdachte zich heeft verdedigd, te weten het slaan met de honkbalknuppel richting het bovenlichaam/hoofd van de aangever, kan niet worden gezegd dat deze verdediging – tegenover het mogelijk slaan of snijden met een motorische heggenschaar richting de verdachte – disproportioneel was. Omdat de verdachte zich mocht verweren tegen het jegens hem gepleegde geweld is de rechtbank van oordeel dat de verdachte niet heeft gehandeld in strijd met de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit.
Culpa in causa
Van eigen schuld (culpa in causa) is in dit geval geen sprake. De omstandigheid dat de verdachte een honkbalknuppel had gepakt en zich begaf in een situatie waarin mogelijk een reactie van vader of zoon [achternaam] zou komen, is onvoldoende om aan te nemen dat hij zijn recht op verdediging had verloren. Niet is gebleken dat de verdachte een gewelddadige confrontatie heeft uitgelokt, dan wel dat hij willens en wetens heeft aangestuurd op een fysieke confrontatie. Integendeel, aannemelijk is dat de verdachte een fysieke confrontatie heeft willen voorkomen door weg te rennen.
Conclusie
Het bewezenverklaarde is niet strafbaar, omdat de verdachte een beroep op noodweer toekomt. De verdachte zal dan ook worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.3 bewezen is verklaard, en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
poging zware mishandeling;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde
nietstrafbaar en
ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging.
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.W. Duijnstee, voorzitter,
mr. G.H.M. Smelt, rechter,
mr. J.E. van Essen, rechter,
in tegenwoordigheid van A.E. van Gent, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2026.