ECLI:NL:RBDHA:2026:16199
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek om urgentieverklaring voor woonruimte ondanks medische situatie
Verzoeker, die lijdt aan PTSS en siderodromofobie, kan niet in zijn huidige huurwoning verblijven en vroeg om een urgentieverklaring om spoedig andere woonruimte te verkrijgen. Verweerder wees dit verzoek af omdat verzoeker een inschrijfduur van 103 maanden heeft, waarmee hij redelijkerwijs binnen zes maanden een woning kan vinden.
De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder een ruime beleidsruimte heeft bij het toekennen van urgentieverklaringen en dat het beleid gericht is op een rechtvaardige verdeling van de schaarse woningvoorraad. Verzoekers medische situatie en de specifieke woonwensen zijn onvoldoende onderbouwd om het beleid te doorbreken.
Hoewel sprake is van een spoedeisend belang, is er onvoldoende bewijs dat verzoeker zijn woonprobleem niet zelf kan oplossen binnen de gestelde termijn. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, maar geeft aan dat tijdens de bezwaarprocedure nader onderzoek moet plaatsvinden naar de inspanningen van verzoeker en zijn medische situatie.
De uitspraak is voorlopig van aard en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Verzoeker mag nog in de woning van zijn overleden moeder verblijven tot de bezwaarprocedure is afgerond.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening en urgentieverklaring wordt afgewezen omdat verzoeker zijn woonprobleem binnen zes maanden redelijkerwijs kan oplossen.