Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16199

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
26/3517
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Artikel 23, eerste lid, aanhef en onder g, sub ii, van de HuisvestingsverordeningArtikel 49 van de HuisvestingsverordeningHuisvestingsverordening Regio Holland Rijnland 2026
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om urgentieverklaring voor woonruimte ondanks medische situatie

Verzoeker, die lijdt aan PTSS en siderodromofobie, kan niet in zijn huidige huurwoning verblijven en vroeg om een urgentieverklaring om spoedig andere woonruimte te verkrijgen. Verweerder wees dit verzoek af omdat verzoeker een inschrijfduur van 103 maanden heeft, waarmee hij redelijkerwijs binnen zes maanden een woning kan vinden.

De voorzieningenrechter oordeelt dat verweerder een ruime beleidsruimte heeft bij het toekennen van urgentieverklaringen en dat het beleid gericht is op een rechtvaardige verdeling van de schaarse woningvoorraad. Verzoekers medische situatie en de specifieke woonwensen zijn onvoldoende onderbouwd om het beleid te doorbreken.

Hoewel sprake is van een spoedeisend belang, is er onvoldoende bewijs dat verzoeker zijn woonprobleem niet zelf kan oplossen binnen de gestelde termijn. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af, maar geeft aan dat tijdens de bezwaarprocedure nader onderzoek moet plaatsvinden naar de inspanningen van verzoeker en zijn medische situatie.

De uitspraak is voorlopig van aard en bindt de rechtbank niet in een eventueel bodemgeding. Verzoeker mag nog in de woning van zijn overleden moeder verblijven tot de bezwaarprocedure is afgerond.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening en urgentieverklaring wordt afgewezen omdat verzoeker zijn woonprobleem binnen zes maanden redelijkerwijs kan oplossen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3517

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], uit [woonplaats], verzoeker

(gemachtigde: mr. D.H. van Tongerlo),
en

het dagelijks bestuur van Holland Rijnland, verweerder

(gemachtigde: mr. C. Lekkerkerker).

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker van een urgentieverklaring. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoeker.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Verweerder heeft zich op goede gronden op het standpunt kunnen stellen dat verzoeker zijn woonprobleem zelf kan oplossen binnen zes maanden. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 14 april 2026 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
3. Verzoeker woont in een huurwoning aan het spoor in [plaats]. Omdat vastgesteld is dat verzoeker leidt aan PTSS en siderodromofobie (angst voor treinen) is het voor hem niet mogelijk om in zijn woning te verblijven. De afgelopen jaren woonde verzoeker bij zijn moeder voor wie hij mantelzorger was. Nadat verzoekers moeder begin 2026 overleed werd het duidelijk dat verzoeker niet in zijn moeders woning kon blijven wonen. Daarom heeft verzoeker gevraagd om een urgentieverklaring om zo spoedig mogelijk andere woonruimte te regelen aangezien hij niet terecht kan in zijn eigen woning.
Wat heeft verweerder besloten?
4. Verweerder constateert in het primaire besluit dat verzoeker een aanzienlijke inschrijfduur heeft van 103 maanden. Met die inschrijfduur kan verzoeker op zoek gaan naar een geschikte woning en zo zijn woonprobleem oplossen [1] . Daarom komt verzoeker ook niet in aanmerking voor toepassing van de hardheidsclausule. In het verweerschrift wijst verweerder op zes woningen die in de afgelopen periode in de regio zijn toegekend aan personen met een kortere inschrijfduur dan verzoeker.
Wat voert verzoeker aan?
5. Volgens verzoeker maakt zijn lange inschrijfduur niet dat binnen korte termijn een passende woning beschikbaar is. Door de specifieke medische contra-indicatie is het woningaanbod beperkt. Verzoeker loopt het risico op een terugval in verslaving als hij dakloos raakt. Daarmee voldoet verzoeker aan de criteria voor urgentie op grond van de Huisvestingsverordening. [2] Verweerder heeft de belangenafweging ten onrechte in het nadeel van verzoeker laten uitvallen en had toepassing moeten geven aan de hardheidsclausule. [3]
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is sprake van spoedeisend belang, nu verzoeker niet in de woning van zijn moeder kan blijven en ook niet terug kan naar zijn woning.
7. De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij de aan hem in de Huisvestingsverordening verleende bevoegdheid tot het toekennen van een urgentieverklaring, gelet op de tekst ervan, een bepaalde mate van beoordelings- en beleidsruimte toekomt. Dit leidt er toe dat de voorzieningenrechter het bestreden besluit terughoudend moet toetsen. Het restrictieve beleid van verweerder ten aanzien van urgentieverklaringen heeft als doel de verdeling van de woningvoorraad onder de vele woningzoekenden op een zo rechtvaardig mogelijke manier te regelen. Het verlenen van voorrang aan de één betekent namelijk dat andere woningzoekenden langer op een woning moeten wachten. Bij het verlenen van urgentieverklaringen is verweerder gehouden aan de weigeringsgronden uit het opgestelde beoordelingssysteem. Dit beleid is door de hoogste bestuursrechter niet onredelijk geacht, gelet op het grote aantal aanvragen voor een urgentieverklaring en het in verhouding daarmee geringe aantal woningen dat voor toewijzing beschikbaar is. [4]
8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er een weigeringsgrond van toepassing is, nu verzoeker met de door hem opgebouwde inschrijftijd redelijkerwijs zijn woonprobleem binnen zes maanden kan oplossen door op een woning te reageren. Verzoeker heeft op dit moment onvoldoende onderbouwd dat het voor hem niet mogelijk is om zijn woonprobleem binnen korte termijn zelf op te lossen. De enkele niet onderbouwde stelling dat het voor verzoeker niet mogelijk is om een geschikte woning te vinden is daarvoor onvoldoende. Het voorgaande betekent dat verweerder de aanvraag van verzoeker om een urgentieverklaring in beginsel mocht afwijzen, nu is gebleken dat er in de afgelopen periode meerdere woningen zijn vergeven aan mensen die korte op de wachtlijst stonden. Dat deze woningen niet geschikt zouden zijn geweest voor eiser omdat zijn woning in [plaats] moet zijn en dat die aan bepaalde voorwaarden moet voldoen is niet met stukken onderbouwd.
9. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat de door verzoeker geschetste omstandigheden niet leiden tot onbillijkheden van overwegende aard waardoor verweerder gehouden was om, in afwijking van het beleid, alsnog een urgentieverklaring te verstrekken. De lat hiervoor ligt hoog. Hierbij is van belang dat er vooralsnog vanuit gegaan kan worden dat verzoeker zijn woonprobleem zelf kan oplossen.
10. De voorzieningenrechter ziet echter wel aanleiding om in deze uitspraak alvast aan verweerder mee te geven dat het aangewezen is om tijdens de bezwaarfase en de hoorzitting in het bijzonder, te inventariseren welke inspanningen verzoeker tot nu toe verricht heeft om een woning te bemachtigen met zijn inschrijfduur. Daarbij is van belang om na te gaan welke eisen verzoeker stelt aan een woning en of deze eisen realistisch en noodzakelijk zijn. Hierbij is ook is van belang om verzoekers medische situatie nader te bespreken en onderzoeken. De voorzieningenrechter geeft verweerder verder mee dat in het kader van zijn beroep op de hardheidsclausule in de besluitvorming betrokken dient te worden dat verzoeker feitelijk twee woningen achter laat als hij een nieuwe woning heeft. Datzelfde gaat op voor verzoekers hoge plek op de wachtlijst, ook die zal immers vrij komen als verzoeker een nieuwe woning heeft. Uit verweerders betoog ter zitting blijkt dat in de belangenafweging verzoeker kennelijk wordt tegengeworpen dat hij zijn huidige woning aan het spoor ooit heeft geaccepteerd. Dit is verzoeker niet tegengeworpen in het bestreden besluit. Ter zitting heeft de gemachtigde van verzoeker de achtergrond van deze keuze al geschetst en het is zeer de vraag of deze tegenwerping terecht is. Het is van belang voor verweerder om dit verder te onderzoeken en af te wegen in de besluitvorming. Verder ligt het op weg van verzoeker om inzichtelijk te maken op welke woningen hij heeft gereageerd en (met stukken) te onderbouwen waarom hij het voor hem niet mogelijk is om op andere woningen te reageren, zodat dit ook betrokken kan worden bij de besluitvorming.
11. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan verzoekers bezwaar dus wel een kans van slagen hebben als alle feiten en omstandigheden worden betrokken en gewogen maar bestaat er op dit moment geen aanleiding om een voorziening te treffen. Daarbij speelt ook mee dat verzoekers gemachtigde ter zitting heeft aangegeven dat met de verhuurder van de woning van verzoekers moeder is afgesproken dat verzoeker nog even in die woning mag blijven wonen en dat de hoorzitting en besluitvorming van verweerder op korte termijn wordt voorzien.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat verzoeker geen urgentieverklaring krijgt. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A. Badermann, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 23, eerste lid, aanhef en onder g, sub ii, van de Huisvestingsverordening.
2.Huisvestingsverordening Regio Holland Rijnland 2026.
3.Artikel 49 van Pro de Huisvestingsverordening.
4.Zie uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 5 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4374.