Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16202

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
09/053715/26
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 310 SrArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging ISD-maatregel voor stelselmatige winkeldiefstal in Den Haag

De rechtbank Den Haag heeft op 16 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die op 21 februari 2026 twee winkeldiefstallen pleegde bij The Sting en Arket in Den Haag. De verdachte heeft de feiten bekend en de rechtbank acht deze wettig en overtuigend bewezen op basis van verklaringen, aangiften en camerabeelden.

De verdachte heeft een uitgebreid strafblad met meerdere eerdere veroordelingen voor soortgelijke feiten, waaronder een eerdere ISD-maatregel. De reclassering adviseerde een onvoorwaardelijke ISD-maatregel vanwege het hoge recidiverisico en psychosociale problemen. De rechtbank concludeert dat de verdachte voldoet aan de criteria van een stelselmatige dader en dat een gevangenisstraf onvoldoende is om recidive te voorkomen.

Daarom legt de rechtbank een ISD-maatregel op voor de maximale duur van twee jaren, zonder aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis. De maatregel heeft als doel het criminele gedrag te stoppen en de terugkeer naar het land van herkomst te bevorderen. De verdachte wordt strafbaar verklaard voor beide diefstallen en vrijgesproken van overige tenlasteleggingen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaren wegens stelselmatige winkeldiefstal.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/053715/26
Datum uitspraak: 16 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1989 te [geboorteplaats] , [geboorteland]
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 2 juni 2026. De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. R. Knobbout, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. J.G.W.M. Lut, naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 21 februari 2026 te ’s-Gravenhage twee, althans een of meer, (cargo)broek(en) en/of een bodywarmer, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan (winkelbedrijf) The Sting (filiaal Dagelijkse Groenmarkt), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 21 februari 2026 te ’s-Gravenhage een jas, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan (winkelbedrijf) Arket (filiaal Wagenstraat), in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich met betrekking tot het tenlastegelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Opgave van bewijsmiddelen ten aanzien van feit 1
De rechtbank zal ten aanzien van feit 1 met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit bewezen verklaarde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit. De officier van justitie heeft met betrekking tot dit feit gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2026060243, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 55).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op
21 februari 2026 (p. 8-15).
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen opgenomen met de voor de bewezenverklaring van feit 2 redengevende feiten en omstandigheden.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer
PL1500-2026060243, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 55).
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 2 juni 2026, voor zover inhoudende:
U vraagt mij of de Albert Heijn tas die bij mijn aanhouding is aangetroffen van mij was. Ja die was van mij. U vraagt mij hoe de kledingstukken met prijskaartjes en beveiligingstags er nog aan in die tas kwamen. Die heb ik erin gedaan.
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op
21 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 30-31):
[aangever 2] deed aangifte namens slachtoffer Arket, gevestigd op [adres] te ’s-Gravenhage.
Ik doe aangifte van diefstal. De politie heeft een gestolen goed aangetroffen bij een verdachte. De politie is naar het filiaal gekomen met het gestolen goed. Bij binnenkomst in de winkel ging het beveiligingsalarm af. Het goed miste uit de winkelvoorraad van dit filiaal. De volgende goederen zijn bij de diefstal weggenomen: Quilted jacket.
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 21 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 32-33):
Op 21 februari 2026 bekeek ik camerabeelden van een mogelijke diefstal die had plaatsgevonden op dezelfde dag. Het betreft kledingwinkel Arket. Aldaar was een kinderjas weggenomen zonder betaling en later bij een verdachte aangetroffen.
Vervolgens liet [aangever 2] camerabeelden zien. Ik zag een persoon die ik volledig herkende als verdachte [verdachte] de Arket in lopen. [verdachte] loopt de winkel binnen en draagt daarbij dezelfde kleding als tijdens zijn aanhouding. Ik zag dat [verdachte] een Albert Heijn tas bij zich droeg, deze werd ook bij zijn aanhouding aangetroffen. Ik zag dat [verdachte] de tas neerzette naast de ingang en niet door de poortjes liep met de tas. Ik zag [verdachte] terug lopen naar de uitgang. Ik zag hem om de poortjes heen lopen waarmee hij een eventuele detectie kon omzeilen. Ik zag [verdachte] zijn Albert Heijn tas pakken en naar buiten lopen.
3.5.
Bewijsoverwegingen bij feit 2
Op grond van de hiervoor aangehaald bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat de verdachte op 21 februari 2026 in de Arket is geweest en daar de kinderjas heeft weggenomen die later werd aangetroffen in de tas die hij tijdens zijn aanhouding bij zich had.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank van oordeel dat de ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
1
hij op 21 februari 2026 te ’s-Gravenhage twee (cargo)broeken en een bodywarmer die geheel aan The Sting (filiaal Dagelijkse Groenmarkt) toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op 21 februari 2026 te ’s-Gravenhage een jas die geheel aan Arket (filiaal Wagenstraat) toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De oplegging van de maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht dat bij een veroordeling aan de verdachte geen ISD-maatregel wordt opgelegd, maar dat wordt volstaan met een gevangenisstraf van zes maanden.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere winkeldiefstallen. Winkeldiefstallen zijn hinderlijke feiten die financiële schade en overlast veroorzaken. Bovendien dragen dergelijke feiten bij aan de versterking van gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving en bij winkelpersoneel, zoals in dit geval blijkt uit de aangifte van [aangever 1] . De verdachte heeft geen rekening gehouden met deze gevolgen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 7 mei 2026. De verdachte is in de afgelopen vijf jaren vele malen voor (soortgelijke) strafbare feiten veroordeeld. Klaarblijkelijk hebben de eerdere veroordelingen, waaronder een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, de verdachte er niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 19 mei 2026. Daaruit volgt dat bij de verdachte sprake is van een hoog recidiverisico. Ook ziet de reclassering problemen op de leefgebieden psychosociaal functioneren en houding.
De op te leggen ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan de voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel wordt voldaan.
Het feit waarvoor de verdachte wordt veroordeeld is een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten.
Uit het strafblad blijkt dat de verdachte in de vijf jaren voordat hij dit feit pleegde ten minste drie keer voor een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel, een vrijheidsbeperkende maatregel of een taakstraf, dan wel bij onherroepelijke strafbeschikking een taakstraf is opgelegd. Het feit waarvoor de verdachte nu wordt veroordeeld, heeft hij gepleegd nadat deze straffen en maatregelen ten uitvoer zijn gelegd.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, omdat over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
De rechtbank heeft het gemotiveerde rapport van de reclassering van 19 mei 2026 gezien over de wenselijkheid en noodzaak van de ISD-maatregel voor de verdachte en met het advies om aan de verdachte de onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen. Deze maatregel heeft volgens de reclassering ten eerste het doel om voortzetting van het criminele gedragspatroon onmogelijk te maken. Aangezien de verdachte uitgeprocedeerd asielzoeker is, richt de maatregel zich voorts op de bevordering van een succesvolle terugkeer naar het land van herkomst.
Dit alles bij elkaar genomen, maakt dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal plegen en dat de veiligheid van personen en goederen eist dat de ISD-maatregel wordt opgelegd. De verdachte veroorzaakt steeds weer overlast en schade en daar dient de samenleving voor te worden beschermd. Daarnaast kan de maatregel een bijdrage leveren aan het oplossen van de psychosociale en verslavingsproblemen van de verdachte en aan een terugkeer naar het land van herkomst. De rechtbank ziet geen reële andere mogelijkheid om de overlast en recidive te voorkomen. Een voorwaardelijke straf of maatregel met reclasseringstoezicht is, gelet op de verblijfstatus van de verdachte, geen reële mogelijkheid. De verdachte kan immers geen aanspraak maken op sociale voorzieningen in Nederland, terwijl de reclassering in de uitvoering van toezicht juist van die voorzieningen afhankelijk is.
Ter optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om het leveren van een bijdrage aan de oplossing van de problematiek van de verdachte alle kansen te geven, is het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.

7.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op artikelen 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van deze uitspraak gelden.

8.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van feit 1:
diefstal;
ten aanzien van feit 2:
diefstal;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van
2 (TWEE) JAREN.
Dit vonnis is gewezen door
mr. J.E. van Essen, voorzitter,
mr. G.H.M. Smelt, rechter,
mr. A.W. Duijnstee, rechter,
in tegenwoordigheid van A.E. van Gent, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 16 juni 2026.