ECLI:NL:RBDHA:2026:16208
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning
Verzoeker, van Nigeriaanse nationaliteit, had een tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning die op 7 maart 2025 door de minister van Asiel en Migratie werd ingetrokken. Tevens werd zijn verzoek om wijziging naar een niet-tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning afgewezen. Na bezwaar op 10 oktober 2025 bleef de minister bij zijn besluit.
Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening. Op 11 juni 2026 vond de zitting plaats waarbij verzoeker, zijn gemachtigde, een tolk en de gemachtigde van de minister aanwezig waren.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het beroep ongegrond was en dat een voorlopige voorziening niet nodig was. Het verzoek om voorlopige voorziening werd daarom afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de tijdelijke humanitaire verblijfsvergunning is afgewezen en het beroep ongegrond verklaard.