ECLI:NL:RBDHA:2026:16210
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen voorgenomen overdracht aan Frankrijk
Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen en hem over te dragen aan Frankrijk. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de voorgenomen overdracht op 19 mei 2026 te voorkomen.
De voorzieningenrechter beoordeelde of het beroep tijdig was ingesteld en of het verzoek om een voorlopige voorziening gegrond was. Verweerder stelde dat het beroep en het verzoek te laat waren ingediend, maar verzoeker betoogde dat door een technische fout bij toezending via Zivver de gemachtigde pas op 7 mei 2026 kennis nam van het besluit, waardoor het beroep tijdig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat ondanks onduidelijkheid over de verzending van de verificatiecode, verzoeker geen spoedeisend belang had bij de voorlopige voorziening. Verzoeker werd niet gedwongen overgedragen en kon weigeren vrijwillig te vertrekken, waardoor het verzoek werd afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak is gedaan zonder zitting. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de voorgenomen overdracht aan Frankrijk is afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.