ECLI:NL:RBDHA:2026:16210

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 mei 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
NL26.25845
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen voorgenomen overdracht aan Frankrijk

Verzoeker heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn asielaanvraag niet in behandeling te nemen en hem over te dragen aan Frankrijk. Tevens verzocht hij om een voorlopige voorziening om de voorgenomen overdracht op 19 mei 2026 te voorkomen.

De voorzieningenrechter beoordeelde of het beroep tijdig was ingesteld en of het verzoek om een voorlopige voorziening gegrond was. Verweerder stelde dat het beroep en het verzoek te laat waren ingediend, maar verzoeker betoogde dat door een technische fout bij toezending via Zivver de gemachtigde pas op 7 mei 2026 kennis nam van het besluit, waardoor het beroep tijdig was.

De voorzieningenrechter oordeelde dat ondanks onduidelijkheid over de verzending van de verificatiecode, verzoeker geen spoedeisend belang had bij de voorlopige voorziening. Verzoeker werd niet gedwongen overgedragen en kon weigeren vrijwillig te vertrekken, waardoor het verzoek werd afgewezen.

Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd en de uitspraak is gedaan zonder zitting. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening tegen de voorgenomen overdracht aan Frankrijk is afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.25845

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoeker], verzoeker

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: [naam]).

Procesverloop

Bij besluit van 8 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verweerder heeft verzoeker op 7 mei 2026 meegedeeld dat hij voornemens is om verzoeker over te dragen aan Frankrijk op 19 mei 2026 om 09:05 uur, per vliegtuig (vluchtnummer [vluchtnummer], bestemming Toulouse).
Verzoeker heeft op 7 mei 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (NL26.25844). Tevens heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft verweerder op 13 mei 2026 in de gelegenheid gesteld een standpunt in te nemen over het verzoek om een voorlopige voorziening.
Verweerder heeft op 14 mei 2025 een verweerschrift ingediend.
Verzoeker heeft op 14 mei 2025 gereageerd op het verweerschrift.
De voorzieningenrechter heeft vervolgens op 15 mei 2026 het onderzoek gesloten. De voorzieningenrechter doet zonder zitting uitspraak, met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een bodemgeding niet.
2. Op grond van artikel 8:81 van Pro de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. In dat kader moet getoetst worden of de gevraagde voorziening toegewezen moet worden omdat het beroep een redelijke kans van slagen heeft.
3. Op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb kan, als onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, de voorzieningenrechter uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen.
4. Verzoeker heeft de rechtbank op 13 mei 2026 bericht dat verweerder voornemens is om hem op 19 mei 2026 over te dragen aan de Franse autoriteiten. De gevraagde voorziening is erop gericht om dat te voorkomen. Gelet hierop en vanwege het korte tijdsbestek tot de vluchtdatum ziet de voorzieningenrechter aanleiding om uitspraak te doen zonder partijen op zitting te horen.
5. Tussen partijen is in geschil of verzoeker tijdig (binnen één week) beroep heeft ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en tijdig (binnen 24 uur) heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Als het beroep en het verzoek tijdig zijn gedaan mag verzoeker de uitspraak op het verzoek in Nederland afwachten.
6. Verweerder heeft zich primair op het standpunt heeft gesteld dat verzoeker te laat beroep heeft ingesteld en ook te laat heeft verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
7. Verzoeker heeft toegelicht dat het bestreden besluit is toegezonden via Zivver omdat de gebruikelijke wijze van toezending (door plaatsing in het portaal) vanwege een storing niet mogelijk was. De verificatiecode die nodig is om het per Zivver toegezonden bestand te openen, is volgens verzoeker echter verzonden aan een voormalig kantoorgenoot van de gemachtigde die thans niet meer werkzaam is als advocaat. Op verzoek van de gemachtigde heeft verweerder het bestreden besluit (nogmaals) per Zivver aan hem toegestuurd. Daardoor is de gemachtigde pas op 7 mei 2026 bekend geraakt met het bestreden besluit. Dit leidt volgens de gemachtigde tot de conclusie dat het op 7 mei 2026 ingestelde beroep (en het hier aan de orde zijnde verzoek om een voorlopige voorziening) tijdig is ingediend.
8. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Verweerder heeft weliswaar onderbouwd dat het Zivver-bericht op de juiste wijze aan het juiste emailadres is verzonden, maar verzoeker stelt dat de verificatiecode die nodig is om het Zivver-bericht te openen aan een onjuist mobiel telefoonnummer is gestuurd, te weten het telefoonnummer van een voormalig kantoorgenoot van de gemachtigde. Verweerder is hierop niet ingegaan en uit de stukken is niet af te leiden voor wiens rekening het moet komen indien de verificatiecode mogelijk inderdaad naar een onjuist mobiel nummer is gestuurd. Het is vanwege het korte tijdsbestek niet mogelijk dit voor de vluchtdatum opgehelderd te krijgen of partijen hierover op een zitting te horen.
9. De voorzieningenrechter ziet evenwel om een andere reden geen aanleiding om de door verzoeker gevraagde voorziening toe te wijzen. Verzoeker kan er immers voor kiezen om niet te vertrekken en zijn beroep in Nederland af te wachten. Uit het verweerschrift volgt dat verzoeker op dit moment niet gedwongen wordt overgedragen aan Frankrijk en dat de aangekondigde vlucht uitsluitend bedoeld is als het faciliteren van een vrijwillig vertrek naar Frankrijk op 19 mei 2026. Verweerder heeft aangegeven dat als verzoeker ervoor kiest om op die datum niet in de taxi naar het vliegveld te stappen, er geen sterke arm is die hem op dat moment alsnog zal dwingen te vertrekken. Verzoeker kan weigeren te vertrekken met het in de beroepsprocedure ingenomen argument dat hij wel tijdig beroep en een verzoek om een voorlopige voorziening heeft ingediend en dat hij dus niet verplicht is om te vertrekken.
10. Omdat er op dit moment geen sprake is van een gedwongen overdracht bestaat er naar het oordeel van de voorzieningenrechter nu geen spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening. De mogelijkheid dat verzoeker, als hij op 19 mei 2026 niet vrijwillig vertrekt, op enig moment in vreemdelingenbewaring kan worden gesteld en mogelijk wél gedwongen kan worden overgedragen, is een onzekere toekomstige gebeurtenis, waaraan verzoeker op dit moment geen spoedeisend belang kan ontlenen.
11. De voorzieningenrechter zal het verzoek om een voorlopige voorziening om de hiervoor genoemde redenen afwijzen.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Boesman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B. Tijssen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.