Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16211

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
2 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
: 09/035857-26 en 15/272005-25 (ttz.gev.) en 13/222154-25 (tul) en 09/342199-24 (tul)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 SrArt. 266 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Oplegging ISD-maatregel voor winkeldiefstal en belediging conducteur

De rechtbank Den Haag heeft op 2 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte zonder vaste woon- of verblijfplaats, die werd verdacht van winkeldiefstal op 3 februari 2026 en het beledigen van een conducteur op 14 oktober 2025.

Tijdens de terechtzitting op 19 mei 2026 werd het tenlastegelegde bewezen verklaard. De winkeldiefstal werd onderbouwd met camerabeelden, verklaringen van winkelpersoneel en een bekentenis van de verdachte. De belediging werd eveneens bekend door de verdachte. De rechtbank oordeelde dat de feiten strafbaar zijn en dat de verdachte strafbaar is.

Gezien het strafblad van de verdachte, zijn problematische leefomstandigheden en het advies van de reclassering, werd de ISD-maatregel voor de maximale duur van twee jaar opgelegd. Daarnaast werd de verdachte veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding van €250 aan de benadeelde partij wegens immateriële schade door de belediging. De vorderingen tot tenuitvoerlegging van eerdere voorwaardelijke gevangenisstraffen werden afgewezen vanwege de opgelegde ISD-maatregel.

Uitkomst: Verdachte opgelegd ISD-maatregel van twee jaar en veroordeeld tot schadevergoeding van €250 wegens winkeldiefstal en belediging.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/035857-26 en 15/272005-25 (ttz.gev.) en 13/222154-25 (tul) en 09/342199-24 (tul)
Datum uitspraak: 2 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,
zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 19 mei 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.M.A. Ramdharie-Beckers en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. R. Pothast naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaardingen met parketnummers 09/035857-26 (hierna: dagvaarding I) en 15/272005-25 (hierna: dagvaarding II):
Ten aanzien van dagvaarding I:
hij op of omstreeks 3 februari 2026 te ’s-Gravenhage een speaker, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Action, locatie Turfmarkt, in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Ten aanzien van dagvaarding II:
hij op of omstreeks 14 oktober 2025 te Haarlem opzettelijk [aangever 2] , in zijn/haar/hun tegenwoordigheid, mondeling, heeft beledigd door hem/haar/hun de woorden toe te voegen: 'kankerlijer', althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft vrijspraak bepleit voor het feit ten laste gelegd onder dagvaarding I. Voor wat betreft het feit ten laste gelegd onder dagvaarding II heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat het feit wettig en overtuigend bewezen kan worden, omdat de verdachte heeft bekend.
3.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden voor het bij dagvaarding I tenlastegelegde feit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026038926, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 27).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1] , opgemaakt op 3 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 6-7):
Plaats delict: [adres] te 's-Gravenhage
Pleegdatum/tijd: Tussen dinsdag 3 februari 2026 om 18:44 uur en dinsdag 3 februari 2026 om 19:00 uur
Ik zag de persoon die ik herken als de verdachte, na het afrekenen van een 'Caprisun' door de detectiepoortjes heenlopen. Toen de verdachte de detectiepoortjes passeerde zag en hoorde ik dat de detectiepoortjes afgingen. Nadat wij vertelden dat wij de politie zouden bellen als wij niet mochten kijken in zijn rugzak, opende hij deze. In de rugzak zagen wij een Speaker uit onze winkel. Ik hoorde de verdachte hierop zijn excuses aanbieden en zeggen dat hij de speaker bij ons had gestolen.
2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 4 februari 2026, voor zover inhoudende (p. 20):
Op woensdag 4 februari 2026 om 14:15 uur kreeg ik het verzoek om de camerabeelden van een winkeldiefstal te onderzoeken. De camerabeelden zijn afkomstig van een bewakingscamera van de aangever.
Ik herkende de kassa met daarnaast de diefstaldetectiepoort als de binnenkant van de Action gelegen aan de [adres] te 's-Gravenhage.
Ik zag dat 18:39:28 uur in beeld was en dat verdachte [verdachte] de diefstaldetectiepoort passeerde met een rugtas op zijn rug. Ik zag dat er een diefstaldetectiepoort een rood knipperend licht gaf.
3.4.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het tenlastegelegde feit onder dagvaarding II met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan. De verdachte heeft dit feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman ten aanzien van dit feit geen vrijspraak bepleit en de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van dit feit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1100-2025240588, van de politie eenheid Noord-Holland, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 35).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 19 mei 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 2] , opgemaakt op 14 oktober 2025 (p. 5).
3.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is van oordeel dat de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Ten aanzien van dagvaarding I:
hij op 3 februari 2026 te ’s-Gravenhage een speaker die aan
deAction, locatie Turfmarkt, toebehoorde, heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
Ten aanzien van dagvaarding II:
hij op 14 oktober 2025 te Haarlem opzettelijk [aangever 2] , in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd door hem de woorden toe te voegen: 'kankerlijer'.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De op te leggen maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte geen ISD-maatregel kan worden opgelegd, omdat niet voldaan is aan artikel 38m Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). De verdediging heeft hiertoe aangevoerd dat de veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel niet eisen. Dit met het oog op de aard van de eerdere veroordelingen van verdachte. Ook heeft de verdediging aangevoerd dat een ISD-maatregel op dit moment een te zware maatregel betreft en er een goed alternatief voorhanden is in de vorm van inwoning van de verdachte bij zijn tante, tezamen met toezicht vanuit de reclassering en bijpassende hulpverlening.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden maatregel is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan winkeldiefstal. Dat is een hinderlijk feit, waarvan winkeliers en de maatschappij schade en overlast ondervinden. Met het plegen van dit feit heeft de verdachte blijk gegeven van een gebrek aan respect voor de eigendomsrechten van anderen.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan belediging van een conducteur. Verdachte heeft een conducteur in de uitoefening van zijn functie uitgescholden in een rijdende trein. Niet alleen heeft de conducteur daarvan de nadelige gevolgen ondervonden, maar ook de medereizigers hebben door het strafbare gedrag van verdachte vertraging opgelopen.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 april 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte herhaaldelijk voor soortgelijke, overlastgevende, feiten is veroordeeld.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of oplegging van de ISD-maatregel, zoals door de officier van justitie gevorderd, is aangewezen. In dat verband overweegt de rechtbank als volgt.
Reclasseringsadvies
De rechtbank heeft kennisgenomen van het reclasseringsadvies over de verdachte van 24 april 2026. De reclassering adviseert de rechtbank om bij een veroordeling aan de verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen.
Uit het advies blijkt dat er op nagenoeg elk leefgebied bij de verdachte sprake is van risicofactoren die het risico op recidive hoog maken. Verdachte leeft op straat, zonder inkomen en begeeft zich in een negatief netwerk. Tezamen met het feit dat verdachte door traumatische levensgebeurtenissen verslaafd is geraakt, weet de verdachte geen stabiliteit te creëren. De eerder ingezette justitiële interventies hebben niet tot het uitblijven van delictgedrag geleid. De verdachte heeft zich wisselend opgesteld tijdens de uitvoering van een eerdere ISD-maatregel. Door de niet meewerkende en zorg-mijdende houding van betrokkene stagneert de uitvoering van bijzondere voorwaarden, en wordt een dergelijk kader dan ook niet uitvoerbaar geacht.
Een ISD-maatregel is volgens de reclassering geïndiceerd om de risico's te beperken. Deze biedt, vanuit een duidelijke structuur, de tijd en de mogelijkheid om stabiliteit te creëren en meer zicht te krijgen op de mogelijkheden en onmogelijkheden van verdachte waarbij het helder is wat de consequenties zijn van niet meewerken hieraan. Hiermee kan de kans op re-integratie worden vergroot met uiteindelijk als doel de recidivekans te doen afnemen.
Voorwaarden ISD-maatregel
De rechtbank stelt, anders dan de raadsman, vast dat de verdachte voldoet aan alle voorwaarden voor het opleggen van de ISD-maatregel, zoals bepaald in artikel 38m Sr. Er is een vordering van het Openbaar Ministerie tot oplegging van de ISD-maatregel. De verdachte heeft zich onder andere schuldig gemaakt aan diefstal, een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegestaan. Ook is hij in de vijf jaar voorafgaand aan het door hem begane feit ten minste driemaal onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf of maatregel veroordeeld, terwijl de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Er moet gelet op de problematiek waarmee verdachte kampt, het strafblad en de onderhavige veroordeling (waaronder voor diefstal), ernstig rekening mee gehouden worden dat de verdachte een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van personen of goederen in het geding is.
De verdachte voldoet naast deze wettelijke vereisten ook aan de definitie van ‘zeer actieve veelpleger’ uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers. Tegen de verdachte zijn in de afgelopen vijf jaar processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de datum van het laatst gepleegde feit.
ISD-maatregel passend en geboden
De rechtbank is, met de reclassering, van oordeel dat reële, minder ingrijpende alternatieven voor hulpverlening en het voorkomen van recidive zijn uitgeput en dus het uiterste middel van de ISD-maatregel overblijft. Verdachte heeft een verleden van het niet nakomen van afspraken bij de reclassering. Hij is moeilijk bereikbaar of weigert in gesprek te gaan. De zorg-mijdende houding van verdachte tezamen met zijn complexe problematiek, maken dat het door de raadsman aangevoerde alternatief in een voorwaardelijk kader niet als een reële, voldoende kansrijke optie kan worden beschouwd.
Alles afwegende acht de rechtbank het opleggen van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaar passend en geboden. Voor een optimale bescherming van de maatschappij, maar ook om de verdachte gelegenheid te geven aan zijn problematiek te werken, acht de rechtbank het belangrijk voldoende tijd te nemen om de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 250,00, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij, zonder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de vordering van de benadeelde partij af te wijzen, dan wel de vordering slechts toe te wijzen voor een bedrag van € 150,00.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van de belediging door de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Grondslag voor vergoeding van de immateriële schade is gelegen in de aantasting van de eer en goede naam van de benadeelde partij. Met het begaan van de bewezenverklaarde gedraging is die aantasting naar het oordeel van de rechtbank gegeven. De verdachte heeft de benadeelde partij immers in de trein beledigd. De omvang van de immateriële schade als gevolg van de belediging zal op de voet van het bepaalde in artikel 6:106 BW Pro naar maatstaven van billijkheid worden geschat op € 250,00. De rechtbank heeft daarbij aansluiting gezocht bij de bedragen die in vergelijkbare zaken worden toegewezen. De rechtbank zal de vordering van de benadeelde partij dus toewijzen.
Wettelijke rente
De gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen met ingang van 14 oktober 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Proceskosten
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor belediging worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] .

8.De vorderingen tot tenuitvoerlegging

8.1.
De vorderingen van de officier van justitie
De officier van justitie heeft bij vorderingen van 3 april 2026 gevorderd dat de bij parketnummers 09/342199-24 en 13/222154-25 door de politierechter van de rechtbank Den Haag, respectievelijk de politierechter van de rechtbank Amsterdam, op 30 oktober 2024 en 13 augustus 2025 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen van 1 week, respectievelijk 28 dagen, ten uitvoer worden gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om de vorderingen tot tenuitvoerlegging af te wijzen.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich opnieuw schuldig gemaakt aan strafbare feiten terwijl hij in een proeftijd liep. In beginsel kan daarom de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen worden gelast. De rechtbank zal echter een onvoorwaardelijk ISD-maatregel opleggen, waardoor om die reden de vorderingen tot tenuitvoerlegging zullen worden afgewezen.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen maatregel is gegrond op de artikelen:
- 36f, 38m, 38n, 57, 266 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I (09/035857-26);
diefstal;
ten aanzien van dagvaarding II (15/272005-25);
belediging;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op:
de maatregel tot plaatsing in een
inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur
van 2 (TWEE) JAREN.
de vordering van de benadeelde partij;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [aangever 2] toe en veroordeelt de verdachte om te betalen een bedrag van € 250,00, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 14 oktober 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald;
veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
de schadevergoedingsmaatregel;
legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 250,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 14 oktober 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2] ;
bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 2 (twee) dagen, waarbij de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;
bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;
de vordering tenuitvoerlegging (09/342199-24)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 30 oktober 2024 van de politierechter van deze rechtbank aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf;
de vordering tenuitvoerlegging (13/222154-25)
wijst af de gevorderde tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 13 augustus 2025 van de politierechter van de rechtbank Amsterdam aan de veroordeelde opgelegde voorwaardelijke gevangenisstraf.
Dit vonnis is gewezen door
mr. N. Hengeveld, voorzitter,
mr. E.C. Kole, rechter,
mr. A.W. Duijnstee, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.J. Koster, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 2 juni 2026.