Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16213

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
16 juni 2026
Zaaknummer
09/050056-24 en 09/371780-24 (ttz. gev)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 47 SrArt. 57 SrArt. 420bis SrArt. 2 OpiumwetArt. 10 Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen handel en bezit van 69 kg cocaïne en witwassen

De rechtbank Den Haag heeft op 17 juni 2026 uitspraak gedaan in een zaak tegen een verdachte die werd verdacht van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 69 kilogram cocaïne, medeplegen van handel in cocaïne gedurende een periode van zes weken en medeplegen van witwassen van een bedrag van 1.350.000 euro.

De zaak maakte deel uit van een groter onderzoek naar georganiseerde drugshandel, waarbij SkyECC-berichten als belangrijk bewijsmateriaal werden gebruikt. De verdediging voerde aan dat dit bewijs onrechtmatig was verkregen, maar de rechtbank verwierp dit op basis van recente jurisprudentie van de Hoge Raad en het Hof van Justitie van de EU.

De rechtbank stelde vast dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van de cocaïne in zijn woning en dat hij bewust had meegewerkt aan de handel en het witwassen. De verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 66 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest. Het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis werd afgewezen.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 66 maanden gevangenisstraf voor medeplegen van handel en bezit van 69 kg cocaïne en witwassen.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/050056-24 en 09/371780-24 (ttz. gev)
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1964 te [geboorteplaats],
BRP-adres: [adres 1], [woonplaats],
Verblijfadres: [adres 2], [plaats 1].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 16 juli 2024, 14 oktober 2024, 7 januari 2025, 4 april 2025, 17 juni 2025, 15 september 2025, 10 december 2025 (allen pro forma) en 3 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officieren van justitie mr. E.J. van Drongelen en mr. I. Hoek en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.Y. Taekema naar voren is gebracht.
De officieren van justitie hebben op de terechtzitting van 3 juni 2026 medegedeeld dat zij voornemens zijn een ontnemingsvordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.Inleiding

De zaak tegen de verdachte is onderdeel van een groter strafrechtelijk onderzoek, genaamd Bieslook.
Naar aanleiding van veiliggestelde SkyECC-berichten is het vermoeden ontstaan dat verschillende personen betrokken waren bij de (internationale) handel in harddrugs in georganiseerd verband. Een van de betrokken Sky-ID’s was [kenmerk], waarvan de politie de verdachte als gebruiker heeft geïdentificeerd. Uit de berichten die door en naar dit account zijn verstuurd, heeft de politie afgeleid dat de verdachte gedurende een periode van ongeveer zes weken handelingen zou hebben verricht in het kader van de handel in harddrugs.
Na onderzoek door de politie is de verdachte op 8 april 2024 aangehouden. Tijdens een doorzoeking van de woning zijn op de vliering verschillende dozen en tassen aangetroffen, waar cocaïne in bleek te zitten.
De verdachte wordt in onderhavige zaak – kort samengevat – verweten dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan:
Dagvaarding I
- het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 69 kilogram cocaïne op 8 april 2024 (feit 1);
- het medeplegen van de handel in harddrugs in de periode van 27 januari 2021 tot en met 8 maart 2021 (feit 2);
Dagvaarding II
- het medeplegen van het witwassen van een bedrag van 1.350.000 euro op 4 februari 2021.

4.Geen bewijsuitsluiting

Bewijsuitsluiting in verband met SkyECC-bewijs
De raadsman heeft - overeenkomstig zijn op schrift gestelde pleitnota en kort samengevat - ter terechtzitting betoogd dat de SkyECC-data van het bewijs dienen te worden uitgesloten, omdat dit bewijs onrechtmatig verkregen zou zijn. De officieren van justitie hebben op dit punt in repliek aangevoerd dat er jurisprudentie van de Hoge Raad is waarin de werkwijze is goedgekeurd en dat de SkyECC-data wel kunnen worden gebruikt voor het bewijs.
De rechtbank overweegt als volgt. In de beslissing van 13 juni 2023 (ECLI:NL:HR:2023:913) heeft de Hoge Raad prejudiciële vragen beantwoord in verband met het gebruik van EncroChat- en SkyECC-berichten in strafzaken. In deze beslissing heeft de Hoge Raad het toetsingskader geformuleerd voor het gebruik van dergelijke berichten voor de bewijsbeslissing. In het onlangs gewezen arrest van 14 april 2026 (ECLI:HR:NL:2026:650) heeft de Hoge Raad uiteengezet wat de gevolgen zijn van de prejudiciële beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) in de zaak C-670/22 (M.N. (EncroChat)) voor het genoemde toetsingskader. Kort samengevat heeft de Hoge Raad het toetsingskader uit het arrest van 13 juni 2023 enigszins bijgesteld (zie r.o. 4.13), maar grotendeels in stand gelaten.
Gelet op de overwegingen in de aangehaalde arresten van de Hoge Raad, is de rechtbank van oordeel dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel in dit geval met zich brengt dat van de rechtmatige vergaring (en de daarop volgende verstrekking) van de SkyECC-data moet worden uitgegaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat de verdachte in voldoende mate in staat is geweest het bewijsmateriaal dat zich in het dossier bevindt te betwisten. De rechtbank ziet dan ook geen onherstelbare vormverzuimen die tot bewijsuitsluiting zouden moeten leiden.

5.De bewijsbeslissing

5.1.
Het standpunt van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben zich op het standpunt gesteld dat alle tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.
5.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak bepleit van alle tenlastegelegde feiten.
5.3.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
5.4.
Bewijsoverwegingen
De rechtbank zal eerst kort stilstaan bij de vraag of er sprake is geweest van medeplegen bij de ten laste gelegde feiten. Vervolgens gaat de rechtbank in op het verweer van de verdediging dat de verdachte niet zou hebben geweten dat er op 8 april 2024 cocaïne bij hem op de vliering lag. Ten slotte reageert de rechtbank op het gevoerde verweer met betrekking tot het ten laste gelegde witwassen.
Medeplegen
Uit de SkyECC-gesprekken en de verklaring van de verdachte ter zitting blijkt dat de verdachte bij het aanwezig hebben van de cocaïne, de handel in cocaïne en bij het witwassen nauw en bewust samen heeft gewerkt met anderen en dat sprake is van medeplegen.
Aanwezig hebben 69 kilogram cocaïne
Door de verdachte en zijn raadsman is betoogd dat de verdachte niet wist dat er cocaïne in de dozen en tassen bij hem op zolder zat. De rechtbank verwerpt dit verweer op grond van de volgende feiten en omstandigheden. In de eerste plaats heeft als uitgangspunt te gelden dat een bewoner van een woning in beginsel wetenschap heeft van hetgeen zich in zijn woning bevindt. In de tweede plaats heeft de verdachte verklaard dat hij de dozen zelf naar boven heeft getild en dat hij toen een zakje cocaïne heeft gezien. Ook is op één van de vacuümzakken waar cocaïne in zat, een vingerafdruk van de partner van de verdachte aangetroffen. Dit soort zakken zou volgens de partner van de verdachte in de keukenla van hun huis hebben gelegen. Zij heeft verder hierover verklaard dat de verdachte zo’n zak zou kunnen hebben gepakt. De verdachte heeft op zijn beurt weer verklaard dat zijn partner nergens iets mee te maken heeft gehad. Hier komt nog bij dat de verdachte ter zitting heeft verklaard dat hij eerder op verzoek cocaïne op de zolder heeft bewaard en hem een beloning in het vooruitzicht was gesteld voor het bewaren van de dozen en de tassen. Het voorgaande in onderlinge samenhang bezien brengt de rechtbank tot de conclusie dat buiten gerede twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap had van de aanwezigheid van cocaïne in zijn woning en dat zijn verklaring, voor zover hij het tegendeel beweert, niet aannemelijk is geworden.
Witwassen
De verdachte zou volgens het openbaar ministerie een bedrag van 1.350.000 euro hebben witgewassen, door dit geld te gebruiken als betaling voor vijftig blokken cocaïne. Ter zitting heeft de verdachte verklaard dat hij inderdaad vijftig blokken ging ophalen. Hij moest in ruil daarvoor tassen afleveren, maar dit zouden dichte tassen zijn en hij zou er niet in gekeken hebben. De verdachte stelt dus niet geweten te hebben dat hij een geldbedrag van 1.350.000 euro bij zich had. De rechtbank stelt aan de hand van het procesdossier en de verklaring van de verdachte vast dat deze wetenschap (minst genomen) in voorwaardelijke zin wel kan worden vastgesteld. Dit blijkt onder andere uit zijn verklaring dat hij wist dat hij cocaïne ging ophalen en dat hij daarvoor tassen mee had genomen die hij in ruil moest afgeven. Ook betrekt de rechtbank hier de rol die de verdachte in de organisatie had, waarbij als algemeen bekend kan worden verondersteld dat het verkrijgen van een grote hoeveelheid cocaïne gepaard gaat met het betalen van grote contante geldbedragen. De rechtbank verwerpt het verweer.
5.5.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
1
hij op 8 april 2024 te [plaats 2], tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 69 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne althans een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op een of meer tijdstippen in de periode van 27 januari 2021 tot en met 8 maart 2021 te [plaats 2], in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, meermalen, (telkens) opzettelijk heeft bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Dagvaarding IIhij op 4 februari 2021, te [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen,
eenvoorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal 1.350.000 euro, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden
heeftgehad
en heeftovergedragen, terwijl hij wist, dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

6.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

7.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

8.De strafoplegging

8.1.
De vordering van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft de rechtbank verzocht om geen langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen dan de duur van het voorarrest en verder te volstaan met het opleggen van een taakstraf.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken.
De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich, tezamen en in vereniging met anderen, schuldig gemaakt aan de handel in cocaïne gedurende een periode van zes weken en het aanwezig hebben van 69 kilogram cocaïne. De verdachte is door dit handelen deels verantwoordelijk voor de gevolgen van die drugshandel en de ontwrichtende invloed daarvan op de samenleving. Zo zijn harddrugs zeer schadelijk voor de volksgezondheid en veroorzaakt het gebruik daarvan overlast en criminaliteit. Daarnaast gaan in de georganiseerde handel van harddrugs grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van de daders groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt geweld vaak niet geschuwd. Van drugshandel gaat bovendien een ondermijnend effect uit. De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan het witwassen van een behoorlijke som geld, waarmee hij de onderliggende drugscriminaliteit heeft gefaciliteerd.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 april 2026. Het strafblad is niet van invloed op de op te leggen straf.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 11 september 2025, waaruit geen noemenswaardige problematiek is gebleken. De reclassering heeft geen inschatting kunnen maken van het recidiverisico.
Strafmaat
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin zijn onvoorwaardelijke gevangenisstraffen als uitgangspunt vermeld.
Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende en gelet op de LOVS-oriëntatiepunten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 66 maanden met aftrek van het voorarrest passend en geboden. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

9.De voorlopige hechtenis

9.1.
De vordering van de officieren van justitie
De officieren van justitie hebben verzocht om de schorsing van de voorlopige hechtenis op te heffen, gelet op het recidiverisico.
9.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis af te wijzen.
9.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank wijst het verzoek tot opheffing van de schorsing af, omdat niet is gebleken dat het recidiverisico op dit moment groter is dan gedurende de schorsing. De verdachte is sindsdien ook niet in aanraking gekomen met politie en justitie. Evenmin is gebleken dat de persoonlijke omstandigheden dermate anders zijn dan op het moment van de schorsing. Tot slot is de enkele omstandigheid dat de rechtbank een gevangenisstraf zal opleggen van langere duur dan de reeds ondergane voorlopige hechtenis, geen zelfstandige grond voor opheffing van de schorsing De rechtbank zal de beslissing tot schorsing van de voorlopige hechtenis handhaven.

10.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen:
47, 57, 420bis van het Wetboek van Strafrecht;
2, 10 van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11. De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 5.5 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
Dagvaarding I
ten aanzien van feit 1:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van feit 2:
medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Dagvaarding II
medeplegen van witwassen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een gevangenisstraf voor de duur van
66 (ZESENZESTIG) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
voorlopige hechtenis
handhaaft de schorsingsbeslissing van de rechtbank Den Haag d.d. 10 december 2025, waardoor de voorlopige hechtenis geschorst blijft onder de bij die beslissing gestelde voorwaarden.
Dit vonnis is gewezen door
mr. Y.J. Wijnnobel-van Erp, voorzitter,
mr. M.R. Aaron, rechter,
mr. L. Anemaet, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. V.J.J. van Mierlo, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.
Bijlage I – tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
09/050056-24 (hierna: dagvaarding I)
1
hij op of omstreeks 8 april 2024 te [plaats 2], in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer - 69 kilogram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne althans een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
2
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 27 januari 2021 tot en met 8 maart 2021 te [plaats 2], in ieder geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland, als bedoeld in artikel 1 lid 5 van Pro de Opiumwet, heeft gebracht, en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd en/of opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
09/371780-24 (hierna: dagvaarding II)hij op of omstreeks 4 februari 2021, te [plaats 2], althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, voorwerpen, te weten een of meer geldbedragen van in totaal 1.350.000 euro, althans enig geldbedrag, heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet en/of van dat/die voorwerpen gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat dat/die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.