ECLI:NL:RBDHA:2026:16228
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag en oplegging inreisverbod wegens ontbreken asielgronden
Eiser, van Iraakse nationaliteit, diende op 2 juli 2023 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. De minister wees deze aanvraag op 27 november 2025 af als kennelijk ongegrond, omdat eiser geen asielgronden had aangevoerd en geen reëel risico op vervolging kon aantonen.
Eiser stelde beroep in tegen deze beslissing en verzocht tevens om een voorlopige voorziening om zijn uitzetting te voorkomen. De rechtbank behandelde het beroep en het verzoek op 1 juni 2026. Eiser betoogde onder meer dat het inreisverbod een onevenredige beperking vormt van zijn recht op gezinsleven en dat het besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen.
De rechtbank oordeelde dat de minister terecht de aanvraag als kennelijk ongegrond heeft afgewezen, omdat eiser geen asielgronden had genoemd en het beroep op gezinshereniging geen asielgrond is. Het inreisverbod is volgens de rechtbank proportioneel en niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel, mede omdat eiser de onevenredige belasting onvoldoende heeft onderbouwd.
De rechtbank wees het beroep ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening af. Tevens werd eiser geen proceskostenvergoeding toegekend. De uitspraak is gedaan door de voorzieningenrechter mr. A.E.J.M. Gielen.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag en het inreisverbod wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen.