Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16232

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.13780
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30c Vreemdelingenwet 2000paragraaf C2/8 Vreemdelingencirculaire 2000paragraaf C1/2.3 Vreemdelingencirculaire 2000paragraaf C1/4.8 Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag buiten behandeling gesteld wegens vertrek met onbekende bestemming en gebrek aan contact

Eiser, een Syrische nationaliteit dragende man, diende op 4 maart 2024 een asielaanvraag in omdat hij niet in militaire dienst wilde. Verweerder stelde de aanvraag buiten behandeling op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000, omdat eiser op 1 januari 2026 zonder toestemming en met onbekende bestemming Nederland had verlaten.

Eiser voerde aan dat hij op 10 december 2025 in Duitsland strafrechtelijk was aangehouden en vervolgens aan België was uitgeleverd, waar hij in voorarrest zat. Ondanks deze omstandigheden heeft eiser geen geldige reden gegeven voor zijn vertrek en heeft hij niet binnen twee weken contact opgenomen met de bevoegde autoriteiten, zoals vereist.

De rechtbank erkent dat eiser op het moment van vertrek in detentie zat, maar oordeelt dat dit hem niet ontslaat van de verplichting tot contact opnemen, zeker omdat hij wel contact had met familie. Eiser heeft ook nagelaten om tijdens de zitting zijn vertrek en detentie toe te lichten.

De rechtbank concludeert dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld en verklaart het beroep ongegrond. Eiser kan een nieuwe asielaanvraag indienen conform de Vreemdelingencirculaire. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de buiten behandeling stelling van de asielaanvraag.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.13780

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser,

V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. W.M. Blaauw)
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.P.C. van der Weyden).

Samenvatting

1. Eiser komt uit Syrië. Hij heeft een asielaanvraag ingediend, omdat hij niet in militaire dienst wil.
1.1.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag buiten behandeling gesteld, omdat eiser met onbekende bestemming is vertrokken.
1.2.
De rechtbank volgt verweerder nu eiser tot op heden geen reden heeft gegeven voor zijn vertrek uit Nederland en zijn aanhouding in Duitsland.
1.3.
Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 4 maart 2024 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 6 maart 2026 deze aanvraag buiten behandeling gesteld.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [datum] 1995. Hij legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij niet in militaire dienst wil.
Het bestreden besluit
4. Volgens verweerder is eiser op 1 januari 2026 met onbekende bestemming vertrokken. Dit blijkt uit informatie van het Centraal Orgaan opvang Asielzoekers en ook uit informatie van de korpschef van het regionaal politiekops Amsterdam. Eisers stelling dat hij niet met onbekende bestemming is vertrokken omdat hij strafrechtelijk is aangehouden in Duitsland en is overgeleverd aan de Belgische autoriteiten, is volgens verweerder niet nader onderbouwd. Daarnaast blijft volgens verweerder overeind dat eiser zonder toestemming is vertrokken en daarvoor geen goede reden heeft opgegeven. Eiser betwist niet dat hij zijn asielprocedure niet in Nederland heeft afgewacht. Hij heeft zich ook niet binnen twee weken gemeld bij de daartoe bevoegde autoriteiten, nadat dit hem middels het voornemen was opgedragen.
4.1.
Verweerder heeft eisers asielaanvraag buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser moet zich onmiddellijk begeven naar het grondgebied van Griekenland, omdat eiser daar een asielstatus heeft.
Heeft verweerder eisers asielaanvraag terecht buiten behandeling gesteld?
5. Eiser vindt de buiten behandeling stelling niet terecht. Hij voert aan dat hij op 10 december 2025 in Duitsland strafrechtelijk is aangehouden en is uitgeleverd aan België, waar hij vanaf 6 februari 2026 in voorarrest heeft gezeten. Eisers gemachtigde heeft aangegeven dat hij van eisers Belgische advocaat twee documenten heeft ontvangen waaruit dit blijkt. Per brief van 26 mei 2026 heeft eisers gemachtigde laten weten dat eiser inmiddels in vrijheid is gesteld en dat hij weer terug is in Nederland. Eind 2026 is de strafzitting gepland bij de rechtbank in Gent.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.
5.2.
Op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan een aanvraag buiten behandeling worden gesteld als de vreemdeling is verdwenen of zonder toestemming van verweerder is vertrokken en hierover toerekenbaar niet binnen een termijn van twee weken contact heeft opgenomen met de bevoegde autoriteiten. Volgens paragraaf C2/8 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) betrekt verweerder bij het beoordelen van de toerekenbaarheid of de vreemdeling een geldige reden heeft voor het niet verschijnen of zonder toestemming (tijdelijk) vertrekken.
5.3.
Op 1 januari 2026 werd eiser geregistreerd als ‘met onbekende bestemming vertrokken’, maar op dat moment was hij al aangehouden in Duitsland. Verweerder betwist ter zitting niet dat eiser is aangehouden in Duitsland en dat hij in België in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank gaat er daarom, als ook gelet op de verklaring van eisers gemachtigde op zitting, van uit dat dit klopt. Hij zat dus op 1 januari 2026, de dag van het voornemen, in het buitenland in detentie. Daardoor kon hij wellicht minder eenvoudig contact opnemen met de bevoegde autoriteiten als bedoeld in de in 5.2 genoemde bepaling. Eiser heeft echter tot op heden geen reden gegeven voor zijn vertrek naar Duitsland en voor zijn aanhouding en detentie. Het enkele feit dat hij toen in detentie zat, betekent dan ook niet dat hem niet kan worden verweten geen contact te hebben opgenomen. Dit geldt te meer nu ter zitting is gebleken dat hij tijdens zijn detentie wel contact had met zijn familie. Eiser heeft evenmin gebruik gemaakt van de mogelijkheid om ter zitting aanwezig te zijn en het uit te leggen. De rechtbank constateert daarom dat is voldaan aan de voorwaarden om de asielaanvraag buiten behandeling te stellen. Het is naar het oordeel van de rechtbank niet onredelijk dat verweerder gebruik heeft gemaakt van deze bevoegdheid.
5.4.
De beroepsgrond slaagt niet. Eiser kan conform paragraaf C1/2.3 en paragraaf C1/4.8 van de Vc een nieuwe asielaanvraag indienen.
Conclusie en gevolgen
6. Verweerder heeft de aanvraag terecht buiten behandeling gesteld. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.N. van Rijn, rechter, in aanwezigheid van mr. S.L. Clemens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.