ECLI:NL:RBDHA:2026:16241

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.62245
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 8:29 AwbArt. 8:72 AwbArt. 23 Procedurerichtlijn 2013/32/EUArt. 28 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvraag wegens onvoldoende waarborging verdedigingsrechten in besluitvormingsfase

Eiser, een Belarussische staatsburger, diende op 4 september 2022 een asielaanvraag in die op 18 december 2025 werd afgewezen als kennelijk ongegrond. Hij voerde aan dat hij zijn verdedigingsrechten niet kon uitoefenen omdat verweerder de onderliggende stukken van het onderzoeksrapport van Bureau Documenten niet aan hem had verstrekt, terwijl dit volgens het arrest Multan van het Hof van Justitie van de EU vereist is.

De rechtbank oordeelt dat verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid doordat eiser in de besluitvormingsfase geen toegang had tot alle relevante informatie in zijn dossier. De procedure zoals bedoeld in artikel 8:29 Awb Pro, die pas in de beroepsfase geldt, is onvoldoende om het verdedigingsrecht te waarborgen. De rechtbank stelt vast dat het Nederlandse vreemdelingenrecht momenteel geen adequate procedure kent om dit te garanderen.

Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit en draagt verweerder op binnen twaalf weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd omdat eiser zijn verdedigingsrechten in de besluitvormingsfase onvoldoende kon uitoefenen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62245

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L.G. de Rooij).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Zij komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder het bestreden besluit onzorgvuldig heeft voorbereid. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 4 september 2022 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 18 december 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Eiser heeft de rechtbank verzocht het beroep aan te houden, omdat de onderliggende stukken van het onderzoeksrapport van Bureau Documenten (BD) niet waren toegevoegd aan het dossier.
2.3.
De rechtbank heeft dit aanhoudingsverzoek op 30 januari 2026 toegewezen en heeft verweerder een termijn van twee weken gegeven om te reageren op het verzoek van eiser. De rechtbank heeft daarbij gewezen op het arrest Multan van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 29 januari 2026. [2]
2.4.
Verweerder heeft op 5 februari 2026 gereageerd op het verzoek van eiser. Eiser heeft op 11 februari 2026 gereageerd op het standpunt van verweerder.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 28 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, mevrouw [tolk] als tolk, en de gemachtigde van verweerder deelgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eiser heeft de Belarussische nationaliteit en is geboren op [datum] 1992. Eiser stelt aanwezig te zijn geweest bij demonstraties en dat hij naar aanleiding daarvan telefonisch is benaderd door de Belarussische autoriteiten om zich te melden. Eiser is eerst naar Rusland gevlucht en heeft daar één jaar gewoond. Vervolgens is eiser vanwege de ziekte van zijn moeder teruggekeerd naar Belarus, waar hij één jaar bij een vriendin heeft gewoond. Na dat jaar is eiser naar Nederland gevlucht. Eiser vreest bij terugkeer te worden gearresteerd.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Eisers problemen vanwege zijn politieke overtuiging.
Verweerder heeft eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht. Verweerder acht eisers problemen vanwege zijn politieke activiteiten niet geloofwaardig, omdat eiser geen documenten heeft overgelegd en daar geen goede verklaring voor heeft. Het document dat eiser heeft overgelegd om zijn strafrechtelijke vervolging aannemelijk te maken heeft verweerder laten onderzoeken door Bureau Documenten (BD). BD heeft geconcludeerd dat dit document hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd is opgemaakt. Daarnaast vormen eisers verklaringen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verweerder acht eisers politieke overtuiging wel geloofwaardig, maar stelt zich op het standpunt dat uit eisers verklaringen niet blijkt dat hij gegronde vrees voor vervolging heeft. Volgens verweerder heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de Belarussische autoriteiten heeft gestaan of zal komen te staan bij terugkeer naar Belarus. Dat eiser in Nederland bij een bijeenkomst is geweest van Svetlana Tikhanovskaya leidt volgens verweerder niet tot een andere conclusie. Eiser is daar immers niet herkenbaar op de foto gezet. Eiser is geen invloedrijke persoon op social media, hij heeft slechts 414 volgers en heeft geen significante politieke berichten geplaatst. Bovendien maakt eiser gebruik van een pseudoniem dat de berichten niet naar hem te herleiden zijn door de autoriteiten. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt. Verweerder concludeert daarom dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw.
Heeft eiser zijn verdedigingsrechten kunnen uitoefenen?
5. Eiser stelt dat hij zijn verdedigingsrechten niet heeft kunnen uitoefenen. Eiser voert aan dat verweerder op basis van artikel 23 van Pro de Procedurerichtlijn [3] de onderliggende stukken van het rapport van BD moet verstrekken aan de rechtbank. Eiser verwijst in dat kader naar het arrest Multan, waarin het Hof uitleg heeft gegeven aan deze bepaling. Volgens eiser heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat dit arrest niet van toepassing is op de onderhavige zaak. Eiser stelt dat het arrest niet alleen betrekking heeft op een individueel ambtsbericht. Daarnaast voert eiser aan dat zijn verdedigingsrechten onvoldoende worden gewaarborgd als verweerder de onderliggende stukken enkel aan de rechtbank doet toekomen. Eiser stelt dat zijn toegang tot het dossier en de toegang tot het dossier van de rechtbank twee afzonderlijke aspecten vormen. Volgens eiser kan de toegang van de rechtbank tot het dossier niet in de plaats komen van eisers toegang. Daarom kan verweerder volgens eiser niet volstaan met een procedure als bedoeld in artikel 8:29 van Pro de Awb [4] .
6. In haar beoordeling van dit beroep betrekt de rechtbank het volgende.
6.1.
In artikel 23, eerste lid, van de Procedurerichtlijn is het volgende bepaald:
“1. De lidstaten zorgen ervoor dat een juridische adviseur of andere raadsman die door het nationale recht als zodanig is erkend of toegelaten en die de verzoeker overeenkomstig de bepalingen van het nationale recht bijstaat of vertegenwoordigt, toegang heeft tot de informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen.
De lidstaten kunnen een uitzondering maken wanneer de openbaarmaking van informatie of bronnen de nationale veiligheid, de veiligheid van de organisaties of personen die de informatie hebben verstrekt dan wel de veiligheid van de perso(o)n(en) op wie de informatie betrekking heeft, in gevaar zou brengen, of wanneer het belang van het onderzoek in verband met de behandeling van verzoeken om internationale bescherming door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of de internationale betrekkingen van de lidstaten zouden worden geschaad. In dergelijke gevallen moeten de lidstaten:
(a) die informatie of bronnen beschikbaar stellen aan de in hoofdstuk V bedoelde autoriteiten; en
(b)
in het nationale recht procedures vaststellen die waarborgen dat het recht van verweer van de verzoeker geëerbiedigd wordt.
In verband met punt (b) kunnen lidstaten met name toegang verlenen tot die informatie of bronnen aan juridisch adviseurs of andere raadslieden die aan een veiligheidscontrole werden onderworpen, voor zover de informatie relevant is voor de behandeling van het verzoek of voor het nemen van een besluit tot intrekking van internationale bescherming.’’
6.2.
De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest Multan heeft verduidelijkt dat “informatie in het dossier van de verzoeker op grond waarvan een beslissing is of zal worden genomen”, betrekking heeft op alle informatie die relevant kan zijn voor de beslissing. [5] Het enkele feit dat het in de zaak Multan ging om een individueel ambtsbericht, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat dit arrest slechts ziet op dergelijke stukken. Bovendien heeft verweerder onvoldoende toegelicht waarom het arrest Multan enkel hierop betrekking zou hebben.
6.3.
Daarnaast overweegt de rechtbank dat artikel 23 van Pro de Procedurerichtlijn invulling geeft aan het verdedigingsrecht, wat een fundamenteel karakter heeft. Hoewel verweerder heeft aangegeven bereid te zijn de onderliggende stukken naar de rechtbank te sturen door toepassing te geven aan de in artikel 8:29 van Pro de Awb neergelegde procedure, heeft de rechtbank van deze gelegenheid geen gebruik gemaakt. Toepassing van deze procedure maakt immers niet dat eiser in de besluitvormingsfase zijn verdedigingsrechten heeft kunnen uitoefenen. Daar komt bij dat de 8:29 Awb-procedure ziet op de beroepsfase. Zoals onder 6.1 overwogen volgt uit artikel 23 van Pro de Procedurerichtlijn dat voorafgaand aan het nemen van het besluit toegang tot de informatie in het dossier van de aanvrager is vereist. Er moet dus worden gewaarborgd dat eiser in de besluitvormingsfase de mogelijkheid moet krijgen om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen. Naar het oordeel van de rechtbank bestaat er op dit moment in het Nederlandse vreemdelingenrecht geen toereikende procedure waarin dit wordt gewaarborgd. In artikel 18 van Pro de Verordening 2024/1348 tot vaststelling van een gemeenschappelijke procedure voor internationale bescherming in de Unie is wel in een doeltreffende procedure voorzien. Die Verordening is nog niet van kracht.
6.4.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder op geen enkele wijze heeft gewaarborgd dat eiser zijn verdedigingsrechten kan uit oefenen tijdens de besluitvormingsfase. Dat brengt de rechtbank tot het oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Verweerder heeft daarmee in strijd met artikel 3:2 van Pro de Awb gehandeld. Al daarom is het beroep gegrond en wordt het bestreden besluit vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

7. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 van Pro de Awb. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor twaalf weken.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.335,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend, heeft deelgenomen aan de zitting en schriftelijk op verweerder heeft gereageerd (1 punt per proceshandeling, met een waarde van € 934,- per punt, met een wegingsfactor 1 voor het indienen van het beroepschrift en het deelnemen aan de zitting, en een wegingsfactor 0,5 voor de schriftelijke reactie).

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 december 2025;
- draagt verweerder op binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.335, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Broekhof, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Aden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.In zaak C-431/24, ECLI:EU:C:2026:53.
3.Richtlijn 2013/32/EU.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Arrest Multan van het Hof van Justitie van de Europese Unie, C-431/24, ECLI:EU:C:2026:53, r.o.46.