ECLI:NL:RBDHA:2026:16248

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL26.17058 en NL26.17059
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • D. C. Laagland
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 12 DublinverordeningArt. 8:54 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens verantwoordelijkheid Duitsland

Eiser, met Pakistaanse nationaliteit, heeft beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel niet in behandeling te nemen. De minister baseerde dit besluit op de verantwoordelijkheid van Duitsland voor de behandeling van de aanvraag op grond van de Dublinverordening.

Eiser betwist de uitgangspunten van de minister, met name de datum waarop zijn visum zou zijn verlopen. Hij stelt dat de geldigheidsduur van het visum moet worden bepaald door het moment van inreis en de maximale verblijfsduur na binnenkomst, en niet door de datum die de minister hanteert.

De rechtbank volgt eiser niet in deze uitleg en verwijst naar een eerdere uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waarin is bepaald dat de geldigheidsduur van het visum bepalend is, niet de maximale verblijfsduur. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het visum geldig was tot 13 mei 2025, en aangezien de asielaanvraag in Nederland op 7 november 2025 werd ingediend, is Duitsland op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk.

De rechtbank oordeelt dat het beroep kennelijk ongegrond is en verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt kennelijk ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.17058 en NL26.17059
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)

(gemachtigde: mr. C. Mayne),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 26 maart 2026 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag.

Beoordeling door de rechtbank

Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. [1] Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Pakistaanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1986 te zijn geboren. Verweerder heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Duitsland verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser stelt allereerst dat hij zijn standpunten zoals naar voren gebracht in de zienswijze handhaaft. Eiser stelt verder dat verweerder een onjuiste einddatum voor eisers visum als uitgangspunt heeft genomen, namelijk 13 mei 2025, terwijl eiser uitgaat van de datum van verlopen van het visum, te weten 28 april 2025
.Eiser stelt daartoe dat de geldigheidsduur van zijn visum moet worden bepaald door het moment van inreis en de maximale verblijfsduur na binnenkomst.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin handhaven van wat eiser eerder in de zienswijze naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel.
7. Ten aanzien van eisers stelling over de datum van verlopen van het visum overweegt de rechtbank als volgt. Eiser wordt niet gevolgd in zijn standpunt dat de geldigheidsduur van zijn visum wordt bepaald door het verstrijken van de maximale toegestane elf dagen na binnenkomst, te weten 28 april 2025. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 23 juli 2019 [2] overwogen dat voor de term ‘verlopen’ uit artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening, gezien de context en het doel van die bepaling, moet worden aangesloten bij de geldigheidsduur van het visum en niet de maximale verblijfsduur waarop het visum recht geeft. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om tot een andere uitleg van de term ‘verlopen’ te komen. Uit de door eiser overlegde foto van het visum en EU-VIS resultaat blijkt dat het visum geldig was tot 13 mei 2025. Nu op 7 november 2025, de dag van de asielaanvraag van eiser in Nederland, nog geen zes maanden waren verstreken sinds 13 mei 2025 stelt verweerder terecht dat Duitsland op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de asielaanvraag van eiser.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
9. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [3] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
10. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D. C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Zie artikel 8:54, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid, van de Awb.