ECLI:NL:RBDHA:2026:16249

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.25711
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing mvv-aanvragen wegens ontbreken feitelijke gezinsband met kinderen

Eiser heeft namens zichzelf en zijn kinderen mvv-aanvragen ingediend voor verblijf als familie- of gezinsleden, welke door de minister van Asiel en Migratie zijn afgewezen. De minister stelde dat de identiteit en familierechtelijke relatie onvoldoende waren aangetoond, maar kende het voordeel van de twijfel toe. Desondanks concludeerde de minister dat er geen feitelijke gezinsband bestond ten tijde van het peilmoment.

Eisers voerden aan dat de relatie en identiteit wel voldoende waren aangetoond en dat een DNA-onderzoek had moeten worden aangeboden. Tevens stelde eiser dat hij financieel en emotioneel zorgde voor zijn kinderen, waarmee een feitelijke gezinsband bestond. De rechtbank oordeelde dat de minister zich op goede gronden baseerde en dat de feitelijke gezinsband met de meeste kinderen was verbroken, mede door het huwelijk van eiser met een andere vrouw en het vormen van een nieuw gezin.

De rechtbank stelde vast dat de gezinsband met de jongste dochter nooit heeft bestaan omdat zij elkaar nooit fysiek hebben ontmoet en er geen onderhoud was. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. De uitspraak benadrukt dat het doel van nareis is het herstellen van de gezinsband zoals die gold ten tijde van het peilmoment bij aankomst in Nederland.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de mvv-aanvragen wordt ongegrond verklaard wegens het ontbreken van een feitelijke gezinsband.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.25711

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiserV-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. M.P.J.W.M. Govers),

[eiseres 1] , eiseres 1

[eiseres 2] ,eiseres 2
[eiseres 3] ,eiseres 3
[eiseres 4] ,eiseres 4
hierna samen: eisers
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. C.H.P.M. Kelderman).

Procesverloop

Bij besluit van 1 juli 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvragen van eiser (tevens referent) tot het verlenen van mvv’s aan eiseressen voor het doel ‘Verblijf als familie- of gezinslid’ afgewezen.
Bij besluit van 30 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.
Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 21 mei 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [naam] .

Overwegingen

Eisers stellen te zijn geboren op respectievelijk [datum 1] 1979, [datum 2] 2010, [datum 3] 2012, [datum 4] 2018 en [datum 5] 2020 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Eiser stelt de vader van eiseressen te zijn. Eiser heeft op 15 augustus 2022 een mvv-aanvraag ingediend ten behoeve van eiseressen.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen de afwijzing van de aanvraag om verlening van een mvv ongegrond verklaard. Verweerder stelt dat eiser de identiteit en familierechtelijke relatie met eiseressen onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt, maar kent het voordeel van de twijfel toe vanwege de administratieve praktijk in Eritrea. Verweerder gaat hierom niet over tot het opstarten van nader onderzoek. Volgens verweerder is op voorhand gebleken dat ten tijde van het peilmoment geen sprake was van een feitelijke gezinsband tussen eiser en eiseressen.
Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Zij stellen zich primair op het standpunt dat vanwege de door eiser overgelegde documenten de identiteit en familierechtelijke relatie tussen eisers had moeten worden gevolgd. Subsidiair voeren zij aan dat verweerder een DNA-onderzoek had moeten aanbieden in het kader van het voordeel van de twijfel. Verder heeft verweerder ten onrechte geoordeeld dat ten tijde van eisers inreis in Nederland geen sprake was van een feitelijke gezinsband tussen hem en eiseressen. Eiser verbleef regelmatig bij [persoon 1] , de vrouw met wie hij dochter [eiseres 3] heeft gekregen, ook al was hij op dat moment gehuwd met [persoon 2] . Hij onderhield hen financieel, door eten, kleiding en goederen te kopen. Op die manier heeft hij feitelijk invulling gegeven aan de gezinsband met [eiseres 3] . Hij heeft voor [persoon 1] en [eiseres 3] ook een mvv-aanvraag lopen. Voor de drie andere kinderen geldt dat eiser met de oudste twee tijdens zijn huwelijk met [persoon 3] heeft samengewoond. Na de scheiding in 2014 bleef hij de kinderen op regelmatige basis zien en ondersteunde hij hen financieel door ook voor hun eten, kleding en goederen te kopen. Hij heeft deze kinderen ook nog voor zijn vertrek uit Eritrea gezien. Met zijn jongste dochter [eiseres 4] is het doel van de mvv-aanvraag om de gezinsband te bevorderen en herstellen. Hij heeft haar nog nooit gezien.
Eiser heeft ter zitting gemeld dat de door hem ingediende mvv-aanvraag in het kader van nareis voor zijn (inmiddels) echtgenote [persoon 1] en hun dochter [eiseres 3] , eiseres 3, is ingewilligd. De mvv-aanvraag voor eiseres 3 is daarom in deze procedure komen te vervallen.
De rechtbank oordeelt als volgt.
De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder het voordeel van de twijfel heeft toegekend ten aanzien van de identiteit van eiseressen en familierechtelijke relatie tussen eisers. Eisers hebben daarom ter zitting de beroepsgrond over het verrichten van nader onderzoek ingetrokken.
Anders dan eisers aanvoeren, heeft verweerder zich op goede gronden en voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en eiseressen 1 en 2 is verbroken en met eiseres 4 nooit heeft bestaan. In dit kader heeft verweerder ten aanzien van eiseressen 1 en 2 kunnen overwegen dat de feitelijke gezinsband is verbroken vanwege het huwelijk dat eiser met [persoon 2] is aangegaan na de echtscheiding met de moeder van deze eiseressen in 2014. Uit de relatie met [persoon 2] zijn ook twee kinderen geboren en eiser heeft ervoor gekozen om met dit gezin in het kader van gezinshereniging in juni 2020 naar Nederland te komen. Dat eiser in beroep stelt te zorgen voor spullen die deze eiseressen nodig hebben, heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden voor de vaststelling dat ten tijde van het peilmoment van de mvv-aanvraag sprake was van een feitelijke gezinsband. Ten aanzien van de gezinsband met eiseres 4 heeft verweerder in zijn beoordeling kunnen betrekken dat eiser ten tijde van de geboorte van eiseres 4 niet in Eritrea verbleef en zij elkaar nooit fysiek hebben ontmoet. Ook heeft verweerder kunnen meewegen dat niet is gebleken dat eiser eiseres 4 onderhoudt of dat hij op andere wijze een band met haar heeft opgebouwd. Verweerder overweegt voorts terecht dat nareis bedoeld is om de gezinsband te herstellen zoals deze ten tijde van het peilmoment bij aankomst in Nederland gold. Verweerder heeft terecht geconcludeerd dat er geen feitelijke gezinsband (meer) was ten tijde van de inreis van eiser in Nederland met eiseressen en dat eiser heeft gekozen voor het gezin dat hij heeft gevormd met [persoon 2] om na te reizen en invulling te geven aan de gezinsband met hen.
7. Het beroep is ongegrond. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 15 juni 2026 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op
www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.