ECLI:NL:RBDHA:2026:16259
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- M.M. van Veelen
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring wegens onvoldoende voortvarendheid en redelijk vooruitzicht op verwijdering
Eiser, van Tunesische nationaliteit, is sinds 20 februari 2026 in vreemdelingenbewaring genomen. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring vanaf 23 april 2026, het moment van sluiting van het vorige onderzoek.
Eiser voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn verwijdering, onder meer vanwege het ontbreken van een laissez-passer en presentatie bij de Tunesische autoriteiten. Ook stelde hij dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering bestaat en dat een lichter middel, zoals een meldplicht, passend zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de minister voldoende rappelleerde en vertrekgesprekken voerde, en dat het ontbreken van een presentatiedatum niet betekent dat verwijdering niet zal plaatsvinden.
De rechtbank verwierp de stelling dat er geen redelijk vooruitzicht op verwijdering is, omdat niet is gebleken dat de Tunesische autoriteiten geen medewerking verlenen. Ook achtte zij het gebruik van een lichter middel niet passend, mede omdat een geboorteakte geen identificerend document is en onvoldoende garanties biedt voor beschikbaarheid van eiser.
Het beroep werd ongegrond verklaard, het verzoek om schadevergoeding afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.