Verzoeker heeft bij besluit van 7 november 2025 uitstel van vertrek geweigerd gekregen door de minister van Asiel en Migratie. Hiertegen is op 8 november 2025 beroep ingesteld. Op 3 juni 2026 verzocht verzoeker de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening om de behandeling van het beroep in de opvang te mogen afwachten.
De voorzieningenrechter oordeelt dat op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Awb zonder zitting uitspraak kan worden gedaan. De minister verzet zich niet tegen het verzoek om uitzetting achterwege te laten. Daarom wordt het primaire besluit geschorst totdat op het beroep is beslist.
Het verzoek om de inhoudelijke behandeling van het beroep in de opvang te mogen afwachten kan niet in deze procedure worden beoordeeld, omdat het COA bevoegd is voor opvangbesluiten en de minister niet. Verzoeker wordt verwezen om zich tot het COA te wenden voor opvang en daarna eventueel een voorlopige voorziening te vragen.
De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker, vastgesteld op € 934,-. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.