ECLI:NL:RBDHA:2026:16267
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- L.J. van der Veen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening in asielzaak na ongegrondverklaring beroep
Verzoeker, een Nigeriaanse nationaliteit dragende persoon, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Deze aanvraag werd door de minister van Asiel en Migratie op 5 februari 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond. Verzoeker stelde beroep in tegen dit besluit en vroeg tevens om een voorlopige voorziening.
De voorzieningenrechter behandelde het verzoek om voorlopige voorziening samen met het beroep op 11 juni 2026 in een zitting waar ook de gemachtigden van beide partijen en een tolk aanwezig waren. De rechtbank heeft op dezelfde dag uitspraak gedaan in de hoofdzaak (zaaknummer NL26.7881) en het beroep ongegrond verklaard.
Omdat het beroep ongegrond werd verklaard, achtte de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening niet langer noodzakelijk en wees het verzoek af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen na ongegrondverklaring van het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag.