Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16268

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.29724
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag wegens ongeloofwaardigheid en onvoldoende risicoaantoon

Eiser, van Iraakse nationaliteit, verzocht om een verblijfsvergunning asiel vanwege bedreigingen door het Al Mahdi leger en de AAH-militie, die voort zouden komen uit de werkzaamheden van zijn broer voor het Amerikaanse leger. Hij stelde dat hij in Irak ontvoerd en mishandeld was en dat er een aanslag op zijn leven was gepleegd. De minister wees de aanvraag af wegens ongeloofwaardigheid van deze beweringen en onvoldoende bewijs van een reëel risico.

De rechtbank behandelde het beroep en stelde vast dat de minister de familieband tussen eiser en zijn broer aannam na onderzoek van documenten, maar de geloofwaardigheid van de bedreigingen terecht betwijfelde. De verklaringen van eiser over de ontvoering en het tijdsverloop van de bedreigingen waren ongerijmd en niet overtuigend onderbouwd.

Verder concludeerde de rechtbank dat de minister terecht oordeelde dat eiser onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade loopt. De aangevoerde algemene informatie over de situatie in Irak en de milities bood onvoldoende onderbouwing voor het persoonlijke risicoprofiel van eiser.

Daarom bleef het bestreden besluit in stand en werd het beroep ongegrond verklaard. Eiser kreeg geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter T.M. Weeda op 17 juni 2026.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29724

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. T. der Bedrosian),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. K. Jansen).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft namelijk de problemen met het Al Madhi leger en de AAH [2] -militie als gevolg van de werkzaamheden van de broer van eiser voor het Amerikaanse leger ongeloofwaardig mogen vinden. Ook heeft de minister mogen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 juni 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, B. Koro als tolk en de gemachtigde van de minister.
2.3.
Tijdens de zitting heeft de minister laten weten aanleiding te zien om nader onderzoek te doen naar een door eiser overgelegde brief waaruit de werkzaamheden van zijn broer voor de Amerikanen zou moeten volgen. De minister heeft de rechtbank vervolgens verzocht de zaak aan te houden voor nader onderzoek. De rechtbank heeft dit verzoek toegewezen en de behandeling van het beroep voor onbepaalde tijd geschorst in afwachting van het onderzoek.
2.4.
Op 3 maart 2026 heeft de minister de bevindingen van dit onderzoek en de gevolgen voor de uitkomst van de asielaanvraag kenbaar gemaakt. Op 30 maart 2026 heeft eiser op deze bevindingen gereageerd. Zowel eiser als de minister hebben, nadat zij hiernaar zijn gevraagd, niet laten weten dat zij opnieuw gehoord willen worden op zitting. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Wat is het asielrelaas van eiser?
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser wordt, eerst door het Al Mahdi leger en later door de hieraan gelieerde militie AAH, ervan verdacht dat hij informatie heeft verstrekt aan de Amerikanen. Dit komt omdat de broer van eiser, [naam 1], als tolk en bewaker voor het Amerikaanse leger werkzaam is geweest. Eiser is in 2016 ontvoerd en daarbij zwaar mishandeld. In 2018 is er een aanslag op zijn leven gepleegd, doordat hij samen met zijn broer op een liquidatielijst van de AAH staat. Eiser heeft Irak in augustus 2018 verlaten, waarna hij uiteindelijk in november 2022 naar Nederland is gekomen. Eiser vreest bij terugkeer naar Irak te worden gedood door het Al Mahdi leger of de AAH-militie.
Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit?
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser;
  • de problemen met het Al Mahdi leger en de AAH-militie als gevolg van de werkzaamheden van zijn broer voor het Amerikaanse leger.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De problemen met het Al Mahdi leger en de AAH-militie als gevolg van de werkzaamheden van de broer voor het Amerikaanse leger worden ongeloofwaardig geacht. De verklaringen van eiser zijn namelijk ongerijmd. Daarnaast kan aan de overgelegde documenten niet de bewijskracht worden toegekend die eiser daaraan wenst te hechten, omdat hij slechts kopieën heeft overgelegd. De inhoud van de documenten toont geen familierechtelijke relatie aan tussen hem en zijn gestelde broer. Ook volgt er uit de documenten geen informatie over de reden waarom de gestelde broer Irak zou hebben moeten verlaten. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond.
Heeft de minister de problemen met het Al Mahdi leger en de AAH-militie ongeloofwaardig mogen vinden?
Wat is het betoog van eiser?
5. Eiser voert aan dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en ondeugdelijk is gemotiveerd. Zijn verklaringen zijn namelijk uitvoerig en detailrijk. Hij weet bijvoorbeeld de namen te noemen van de personen die betrokken waren bij zijn ontvoering en mishandeling. Uit objectieve landeninformatie blijkt daarnaast dat vergelijkbare milities op grote schaal personen ontvoeren. Het noemen van deze namen is dan ook een teken dat eiser in een omgeving leefde waar milities aan de macht zijn en dat hij hier kennis over heeft. Daarnaast is het logisch dat eiser niet kan uitleggen hoe de milities hem hebben gevonden. Hij weet namelijk niet hoe de milities hun inlichtingen verkrijgen. Ook miskent de minister de dynamiek van de veiligheidssituatie in Irak en de werkwijze van de milities. De milities zijn namelijk een toenemende macht en genieten straffeloosheid. Daar komt bij dat de risico’s voor familieleden van personen die in verband worden gebracht met het Amerikaanse leger wisselend zijn en kunnen opleven bij politieke spanningen, wraakacties of nieuwe vermoedens van collaboratie. Het is dan ook niet vreemd dat er jaren zijn verstreken tussen de dood van de sheikh, het vertrek van zijn broer naar de Verenigde Staten en het intensiveren van de bedreigingen tegen eiser. Daarnaast is de familierechtelijke relatie met zijn broer aangetoond met de kopieën van de identiteitsbewijzen van de broers van eiser. De minister miskent de officiële aard van deze identiteitsbewijzen. Eiser legt verder nog een familie-uittreksel over met het verzoek deze te laten onderzoeken.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5.1.
De rechtbank stelt allereerst vast dat de minister de onderbouwing voor de ongeloofwaardigheid van het tweede asielmotief heeft aangepast. De minister heeft het familie-uittreksel, dat eiser heeft overgelegd bij de gronden van beroep, alsnog laten onderzoeken door Bureau Documenten. Dit uittreksel is positief beoordeeld. De minister neemt dan ook aan dat de gestelde broer daadwerkelijk de broer van eiser is. De brief van Kellogg Brown & Root van 13 oktober 2009 over de werkzaamheden van de broer is ook onderzocht. Bureau Documenten kan geen uitspraak doen over de echtheid van het document. De minister ziet echter wel aanleiding om aan te nemen dat de broer van eiser in de periode van 2006 tot 2009 werkzaamheden heeft verricht waarmee hij het Amerikaanse leger heeft ondersteund. Dit leidt volgens de minister echter niet tot geloofwaardigheid van het asielmotief. De rechtbank zal dan ook niet meer oordelen over de gronden die zien op de familieband tussen eiser en zijn broer of de werkzaamheden van de broer voor de Amerikanen.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de problemen van eiser met het Al Mahdi leger en de AAH-militie als gevolg van de werkzaamheden van zijn broer voor het Amerikaanse leger niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft bevonden. De minister heeft in aanmerking mogen nemen dat eiser ongerijmd heeft verklaard over de gestelde ontvoering. De minister heeft het onlogisch kunnen vinden dat de ontvoerders hebben gevraagd naar zijn broer, terwijl zij op dat moment niet wisten wie eiser was. Eiser heeft namelijk verklaard dat het voor de ontvoerders pas duidelijk was wie zij voor zich hadden op het moment dat de verantwoordelijke persoon van de subwijk aanwezig was. Eiser kan hier ook geen verklaring voor geven. De minister heeft daarnaast van belang mogen vinden dat eiser ongerijmd heeft verklaard over het tijdsverloop van de gestelde gebeurtenissen. Eiser heeft verklaard dat de sheikh in 2004 of 2005 is gedood door het Amerikaanse leger, maar uit openbare bronnen is gebleken dat de desbetreffende sheikh in mei 2007 is gedood. Daar komt bij dat na het vertrek van de broer van eiser naar de Verenigde Staten in 2009 het heel lang heeft geduurd, namelijk tot 2015 dan wel 2016, voordat eiser problemen zou hebben gekregen als gevolg van de werkzaamheden van zijn broer. Eiser kan geen duidelijke verklaring geven waarom hij pas na deze lange periode problemen kreeg. De verklaring dat het tijdsverloop zou zijn veroorzaakt doordat het leger in 2015 meer macht zou hebben gekregen omdat zij onderdeel zijn gaan uitmaken van het regime, hoefde de minister niet te volgen. Uit de rapporten [3] , waar eiser naar heeft verwezen, volgt dit niet. Voor zover eiser aanvoert dat Irakezen die door de milities worden aangemerkt als verraders ook later een doelwit kunnen zijn, heeft de minister onlogisch mogen vinden dat eiser een lange tijd zonder problemen in Irak heeft kunnen leven en pas na 10 jaar een doelwit werd. [4] Eiser weet namelijk niet te verklaren hoe de militie uiteindelijk bij hem terecht is gekomen. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister mogen concluderen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM?
Wat is het betoog van eiser?
6. Eiser voert aan dat uit openbare informatie [5] en meerdere rapporten [6] blijkt dat de Iraakse overheid zeer beperkt in staat is om haar burgers te beschermen tegen misdaden die worden begaan door de milities. De milities zijn namelijk straffeloos. Ook volgt er uit deze rapporten hoe deze milities te werk gaan en dat deze werkwijze laat zien dat de risico’s blijven bestaan voor personen die, net zoals eiser, in verband worden gebracht met Amerikaanse werkzaamheden. Eiser stelt verder dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging vanwege een toegedichte politieke opinie als collaborateur vanwege de familieband met zijn broer, maar ook vanwege zijn persoonlijke ervaringen. De ontvoering, de gerichte dreigingen, de waarschuwingen en de aanslag zijn specifiek en concreet en passen binnen het risicoprofiel. Daarnaast loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade vanwege het militiegeweld en de ontbrekende bescherming daartegen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
6.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Dat het geloofwaardig is dat zijn broer voor het Amerikaanse leger heeft gewerkt is daarvoor onvoldoende, aangezien de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het ongeloofwaardig is dat eiser daardoor problemen heeft gehad. Daarnaast heeft de minister van belang mogen vinden dat de aangehaalde informatie slechts algemeen van aard is en de persoonlijke situatie van eiser niet onderbouwt. De rechtbank verwijst daarvoor ook naar wat in 5.2 is overwogen. De minister heeft zich daardoor dan ook niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de algemene bronnen onvoldoende grond bieden om te concluderen dat eiser bij terugkeer een reëel risico loopt. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van
mr.M.L. Tijssen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Asa’ib Ahl al-Haq.
3.Zoals het rapport van Human Rights Watch 2016, p. 10-15.
4.Zie bijvoorbeeld ook ECLI:NL:RBMNE:2019:5783, r.o. 9.
5.Zoals het Algemeen ambtsbericht Irak van november 2023, p. 42-47.
6.Zoals het rapport van Human Rights Watch juli 2014, p. 12-18.