ECLI:NL:RBDHA:2026:16273

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
26_3325
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Participatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens huwelijk

Verzoekster kreeg een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder toegekend. Verweerder ontdekte dat verzoekster sinds 21 augustus 2020 gehuwd was en dat dit niet was gemeld. Na onderzoek en verzoek om nadere informatie bleek dat verzoekster en haar echtgenoot samenwoonden zonder melding van het huwelijk.

Verweerder trok daarom de uitkering per 1 maart 2026 in omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld zonder volledige informatie. Verzoekster stelde dat het huwelijk niet automatisch een gezamenlijke huishouding betekende en dat intrekking onevenredig was.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het huwelijk onbetwist was en dat verzoekster haar inlichtingenplicht had geschonden. De gehuwdennorm is van toepassing, tenzij duurzaam gescheiden leven wordt aangetoond, wat niet het geval was. Intrekking was daarom terecht en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.

Verzoekster kan een nieuwe aanvraag indienen samen met haar echtgenoot. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 26/3325

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 juni 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [woonplaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. G.A.S. Maduro),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: mr. P. Siemerink).

Procesverloop

Met het besluit van 10 maart 2026 heeft verweerder de aan verzoekster toegekende uitkering op grond van de Participatiewet (Pw) per 1 maart 2026 ingetrokken.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. De voorzieningenrechter acht het spoedeisende belang in onderhavig geval voldoende aangetoond.
3. Aan verzoekster is per 1 augustus 2018 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder toegekend. Nadat verweerder op de hoogte kwam dat de heer [naam] zich per 15 juli 2025 had ingeschreven op het woonadres van verzoekster, heeft verweerder nader onderzoek gedaan en bij brieven 29 september 2025 en 6 januari 2026 aan verzoekster verzocht nadere informatie te verstrekken over haar woon- en leefsituatie. Verzoekster heeft in reactie hierop verklaard dat de heer [naam] een familielid is, dat hij geen eigen kamer in haar woning heeft, maar op de bank in de woonkamer slaapt, dat zij en de heer [naam] alleen de kosten van de boodschappen delen en dat de heer [naam] kookt, de boodschappen haalt en met haar mee gaat naar afspraken. Voorts is verweerder gebleken dat in de basisregistratie personen een buitenlandse huwelijksakte is geregistreerd, waarin vermeld staat dat verzoekster en de heer [naam] sinds 21 augustus 2020 met elkaar zijn gehuwd.
4. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bijstandsuitkering van verzoekster per 1 maart 2026 ingetrokken, op de grond dat het recht op bijstand niet is vast te stellen, omdat verzoekster niet alle informatie heeft gegeven die daarvoor nodig is.
5. Verzoekster voert aan dat het enkele feit dat zij sinds 21 augustus 2020 gehuwd zou zijn, onvoldoende reden is om te concluderen dat er sprake is van een gezamenlijke huishouding. Verder is intrekking van de uitkering in haar geval onevenredig.
6. De voorzieningenrechter overweegt dat onbetwist is dat verzoekster sinds 21 augustus 2020 is gehuwd met de heer [naam] . Verzoekster heeft hiervan geen melding gemaakt bij verweerder en daarmee haar inlichtingenplicht geschonden. Nu verzoekster vanaf die datum is gehuwd, is zij voor de toepassing van de Participatiewet niet aan te merken als zelfstandig subject van bijstand. Dit betekent dat vanaf die datum ten onrechte aan verzoekster een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder is toegekend. Verweerder heeft daarom naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op goede gronden de bijstandsuitkering per 1 maart 2026 ingetrokken. Dat verzoekster en [naam] geen wederzijdse zorg verlenen, zoals door verzoekster is gesteld, is niet relevant, zelfs als dat zou kloppen. Het enkele feit dat zij gehuwd zijn maakt dat de gehuwdennorm op haar van toepassing is. Dat kan alleen anders zijn als de gehuwden duurzaam gescheiden leven. Daar is in deze zaak geen sprake van. Verder heeft eiseres geen concrete omstandigheden naar voren gebracht die aanleiding geven voor het oordeel dat intrekking van de uitkering onevenredig zou zijn. Uiteraard kan verzoekster als ze dat wil een nieuwe aanvraag om bijstand doen, samen met haar echtgenoot.
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van W.M. Colpa, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.