ECLI:NL:RBDHA:2026:16273
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening tegen intrekking bijstandsuitkering wegens huwelijk
Verzoekster kreeg een bijstandsuitkering als alleenstaande ouder toegekend. Verweerder ontdekte dat verzoekster sinds 21 augustus 2020 gehuwd was en dat dit niet was gemeld. Na onderzoek en verzoek om nadere informatie bleek dat verzoekster en haar echtgenoot samenwoonden zonder melding van het huwelijk.
Verweerder trok daarom de uitkering per 1 maart 2026 in omdat het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld zonder volledige informatie. Verzoekster stelde dat het huwelijk niet automatisch een gezamenlijke huishouding betekende en dat intrekking onevenredig was.
De voorzieningenrechter oordeelde dat het huwelijk onbetwist was en dat verzoekster haar inlichtingenplicht had geschonden. De gehuwdennorm is van toepassing, tenzij duurzaam gescheiden leven wordt aangetoond, wat niet het geval was. Intrekking was daarom terecht en het verzoek om voorlopige voorziening werd afgewezen.
Verzoekster kan een nieuwe aanvraag indienen samen met haar echtgenoot. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep mogelijk.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de bijstandsuitkering wordt afgewezen.