ECLI:NL:RBDHA:2026:16284

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
AWB 24/19375
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M.J. Paffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:9 AwbArt. 69 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2001/55/EGArt. 3.9a Voorschrift Vreemdelingen 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen beëindiging tijdelijke bescherming Oekraïense vreemdeling afgewezen

Eiser, een Oekraïense vreemdeling, maakte bezwaar tegen de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank beoordeelde het beroep buiten zitting en stelde vast dat het beroepschrift tijdig was ingediend.

De kern van het geschil betrof de toepasselijkheid van de tijdelijke beschermingsrichtlijn 2001/55/EG. Eiser was vóór de vastgestelde datum van 26 november 2021 uit Oekraïne vertrokken en had niet aannemelijk gemaakt dat hij toen al bestendig in Nederland verbleef. Hoewel hij een stabiele woon- en werksituatie in Nederland had en een bijdrage leverde aan de samenleving, voldeed hij niet aan de voorwaarden voor tijdelijke bescherming.

De rechtbank oordeelde dat het bestreden besluit geen terugkeerbesluit is en dat eiser niet verplicht is terug te keren naar Oekraïne. Het beroep werd kennelijk ongegrond verklaard en het bestreden besluit bleef in stand. De rechtbank wees proceskostenveroordeling af en besloot het betaalde griffierecht terug te storten.

Uitkomst: Het beroep tegen de beëindiging van de tijdelijke bescherming wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/19375

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], eiser

V-nummer: [V-nummer]
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

In het besluit van 23 oktober 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de beëindiging van zijn tijdelijke bescherming ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Beoordeling door de rechtbank

1. Hoewel eiser heeft aangegeven een verzoek om een voorlopige voorziening, dan wel een bezwaar te willen indienen, volgt evident uit zijn schrijven dat hij het niet eens is met het bestreden besluit. De rechtbank merkt dit schrijven daarom aan als een beroepschrift.
2. Op grond van artikel 69, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 bedraagt de termijn voor het indienen van een beroepschrift vier weken. Het beroepschrift is op 26 november 2024 en daarmee meer dan vier weken na het bestreden besluit ontvangen. Artikel 6:9, tweede lid, van de Awb bepaalt echter dat bij verzending via de gewone post een beroepschrift tijdig is ingediend als het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd en niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Uit de enveloppe waarin het beroepschrift is verstuurd, blijkt dat deze op 19 november 2024 en daarmee vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd. Het beroepschrift is op 26 november 2024 en daarmee niet langer dan een week na het einde van de termijn ontvangen. Het beroepschrift is daarmee ontvankelijk en kan inhoudelijk worden beoordeeld.
3. In het bestreden besluit heeft verweerder bepaald dat eiser geen recht heeft op tijdelijke bescherming zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG. Oekraïners die na 26 november 2021 uit Oekraïne zijn vertrokken vanwege de inval door Rusland kunnen aanspraak maken op tijdelijke bescherming. Eiser is echter al op 12 maart 2021 uit Oekraïne vertrokken. Weliswaar heeft eiser aangetoond dat hij in de voorafgaande periode ook in Nederland heeft verbleven, maar dit was geen bestendig verblijf. Ook heeft eiser weliswaar enkele familieleden en vrienden in Nederland, maar dit leidt niet tot een sterke band met Nederland aangezien eiser in de periode van december 2021 tot maart 2024 in Polen en Tsjechië heeft verbleven.
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat hij al geruime tijd in Nederland is, een actieve bijdrage levert aan de samenleving, een stabiele woon- en werksituatie heeft en geen beroep doet op overheidsfinanciën. Ter ondersteuning hiervan heeft eiser een verklaring van zijn werkgever overgelegd, waaruit blijkt dat hij een gewaardeerde werknemer is. Daarnaast voert eiser aan dat hij vanwege de veiligheidssituatie niet kan terugkeren naar Oekraïne.
5. De rechtbank stelt allereerst vast dat het bestreden besluit geen terugkeerbesluit is. Het bestreden besluit brengt dan ook niet mee dat eiser verplicht is om zich naar Oekraïne te begeven. Daarnaast kan uit wat eiser heeft aangevoerd niet worden afgeleid dat hij onder het toepassingsbereik van de Richtlijn 2001/55/EG valt. Dat eiser een goede bijdrage levert aan de samenleving maakt niet dat hij aan de voorwaarden voldoet om onder deze regeling een verblijfsvergunning te krijgen. Deze voorwaarden staan in artikel 3.9a, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Vereist is dat eiser na 26 november 2021 Oekraïne is ontvlucht, of in de periode vóór 27 november 2021 feitelijk al in Nederland heeft verbleven. Niet in geschil is dat eiser al vóór 26 november 2021 uit Oekraïne is vertrokken. Daarnaast heeft eiser in beroep niet alsnog aannemelijk gemaakt dat hij in die periode al bestendig in Nederland verbleef.
6. Het beroep is daarom kennelijk ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Wel zal de rechtbank het door eiser betaalde griffierecht terugstorten, omdat bij nader inzien geen sprake is van een zaak waarvoor griffierecht is verschuldigd.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 11 juni 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.