ECLI:NL:RBDHA:2026:16289

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
09/057723-26 en 09/044781-26 (gev. ttz.)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 SrArt. 33a SrArt. 57 SrArt. 2 OpiumwetArt. 2a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak rijden onder invloed, veroordeeld voor grootschalige drugshandel en bezit onvergunde geneesmiddelen

De rechtbank Den Haag heeft op 17 juni 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die op 11 en 24 februari 2026 werd aangehouden met grote hoeveelheden harddrugs en onvergunde geneesmiddelen in zijn auto. De verdachte werd vrijgesproken van het rijden onder invloed van drugs op 24 februari 2026, omdat het bloedonderzoek geen aanwezigheid van drugs kon aantonen.

De rechtbank achtte bewezen dat de verdachte op genoemde data aanzienlijke hoeveelheden cocaïne, MDMA, 2-MMC en diverse geneesmiddelen vervoerde en aanwezig had, zonder vergunning. Tevens werd vastgesteld dat hij zich schuldig maakte aan het voorbereiden en bevorderen van de handel in verdovende middelen, onder meer door het bijhouden van een administratie in chatberichten op zijn telefoon.

De rechtbank nam de ernst van de feiten, de grote hoeveelheden drugs en geneesmiddelen, en het feit dat de verdachte binnen twee weken twee keer werd aangehouden met soortgelijke feiten zwaar mee in de strafoplegging. Ondanks een sociaal-maatschappelijke kwetsbaarheid en een laag tot gemiddeld recidiverisico, wees de rechtbank een deels voorwaardelijke straf af vanwege het ontbreken van bewijs voor bedreiging of druk.

De verdachte werd veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest. Daarnaast werden de inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder een auto, geld en een mobiele telefoon, verbeurd verklaard. De rechtbank benadrukte de schadelijke maatschappelijke gevolgen van drugshandel en het belang van een passende straf.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 16 maanden gevangenisstraf voor drugshandel en bezit onvergunde geneesmiddelen, vrijgesproken van rijden onder invloed.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09/057723-26 en 09/044781-26 (gev. ttz.)
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] ,
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats] , locatie [locatie] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 3 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A.L.M van Rookhuizen en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. K. Jevtovic naar voren is gebracht.
De rechtbank heeft de voeging bevolen van de dagvaarding met parketnummer 09/057723-26 (hierna te noemen dagvaarding I) en de dagvaarding met parketnummer 09/044781-26 (hierna te noemen dagvaarding II).

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding, die is gewijzigd op de terechtzitting van 3 juni 2026. De tekst van de gewijzigde tenlastelegging is omwille van de leesbaarheid van het vonnis als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde en tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I onder 1 en het bij dagvaarding II onder 1, 2, 3, 4 en 5 tenlastegelegde.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 2 tenlastegelegde bepleit en partiële vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 1 tenlastegelegde. Zij heeft voorts de partiële vrijspraak van het bij dagvaarding II onder 1, 4 en 5 tenlastegelegde bepleit. Met betrekking tot het bij dagvaarding II onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Op specifieke standpunten wordt – voor zover van belang – hierna ingegaan.
3.3.
Vrijspraak dagvaarding I, feit 2
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit, het rijden onder invloed van drugs op 24 februari 2026, van oordeel dat dit feit niet wettig en overtuigend is bewezen.
De rechtbank overweegt daartoe dat bij de verdachte na zijn aanhouding op 24 februari 2026 bloed is afgenomen en dat uit het onderzoek naar dat bloed is gebleken dat daarin de aanwezigheid van de in de tenlastelegging genoemde stoffen niet kon worden aangetoond. Gelet daarop zal de rechtbank de verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde rijden onder invloed.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
De rechtbank heeft op grond van de inhoud van de gebruikte bewijsmiddelen – elk daarvan, ook in zijn onderdelen, gebruikt voor het bewijs van datgene waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft – de overtuiging gekregen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan
3.5.
Bewijsoverwegingen
3.5.1.
Inleiding
De verdachte is op 11 en 24 februari 2026 aangehouden terwijl hij in zijn auto reed. Op 11 februari 2026 trof de politie in de auto een plastic zak aan met daarin diverse andere plastic zakken waarin onder andere ponypacks en gebundelde medicatiestrips zaten. Uit onderzoek is gebleken dat dit ging om bijna 45 gram cocaïne, 45 gram MDMA, verschillende (grote) hoeveelheden alprazolam, diazepam, lorazepam en oxycodon, 63,4 gram 2-MMC en 40 eenheden Kamagra-100, met de werkende stof sildenafil. Ook had de verdachte € 1840,00 aan contant geld bij zich. Twee weken later, op 24 februari 2026, trof de politie in de auto van de verdachte twee plastic zakken aan met daarin twee verschillende witte substanties. Uit onderzoek is gebleken dat het hier bijna vijftig gram cocaïne betrof en ruim twee kilo 4-BMC. De verdachte heeft verklaard dat hij wist dat het om drugs en geneesmiddelen ging, die hij, samen met het geld, in bewaring hield voor anderen. Hij was er ook van op de hoogte dat die personen in drugs handelden. Zij zouden de verdovende middelen in zijn auto hebben gelegd. Bezorgers kwamen de verdovende middelen bij hem ophalen of hij reed naar een afgesproken plek om hen daar te ontmoeten. Voorts heeft de verdachte verklaard dat hij in een chat zat waar
ookandere bezorgers in zaten. Ten aanzien van de Kamagra-100 tabletten is uit het dossier gebleken dat de verdachte geen vergunning had om dat middel in voorraad te hebben. De verdachte heeft gesteld dat de personen voor wie hij de verdovende middelen bewaarde hem onder druk hebben gezet door hem te bedreigen.
3.5.2.
Bewijsoverweging ten aanzien van ‘vervoeren’
De rechtbank overweegt dat het feit dat de verdachte met de in de tenlastelegging genoemde verdovende middelen in zijn auto rondreed op de momenten dat hij werd aangehouden, betekent dat hij die middelen dus aan het vervoeren was. Dat dat mogelijk (op dat moment) niet naar de eindgebruiker was, is naar het oordeel van de rechtbank niet relevant.
De rechtbank overweegt voorts dat in het (opzettelijk) vervoeren van de verdovende middelen ligt besloten dat hij die middelen ook aanwezig heeft gehad. Zodoende komt de rechtbank bij de bewezenverklaring van de bij dagvaarding I onder 1 en bij dagvaarding II onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten tot het vervoeren van de in de tenlastelegging genoemde stoffen.
3.5.3.
Bewijsoverweging ten aanzien van dagvaarding II, feit 5
De verdachte heeft ontkend dat hij zich bezig hield met (de voorbereiding van) de handel in verdovende middelen. De rechtbank stelt echter vast dat de verdachte wist dat hij verdovende middelen in zijn auto had en dat hij ook wist dat die waren bedoeld voor drugshandel. Deze middelen vielen, als bestuurder van de auto, ook binnen zijn machtssfeer. Hij heeft bovendien zelf verklaard die middelen eveneens aan bezorgers te hebben afgegeven. Daarnaast zijn in de telefoon die bij de verdachte op 11 februari 2026 is aangetroffen en waarvan hij erkent dat die van hem is, chatberichten gevonden in een door hem zelf aangemaakt groepsgesprek, waarin in een stroom van berichten de administratie van de handel in verdovende middelen werd bijgehouden. In die berichten worden adressen, hoeveelheden, namen van verschillende soorten middelen, prijzen en betalingen genoemd. Veel van die berichten werden verstuurd door de eigenaar van de telefoon, oftewel de verdachte. Ook op 11 februari 2026 en de dagen daarvoor deelde de verdachte actief berichten waarin te lezen is dat er betalingen waren gedaan.
Gelet op het voorgaande in onderlinge samenhang bezien, heeft de verdachte zich naar het oordeel van de rechtbank schuldig gemaakt aan het voorbereiden en/of bevorderen van de handel in verdovende middelen.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 1 en de bij dagvaarding II onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I
1
hij op 24 februari 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft vervoerd, ongeveer 48,5 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet en een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten 2435,8 gram 4-BMC, zijnde een substantie behorend tot stofgroep 'Substanties die zijn afgeleid van 2-fenethylamine';
Dagvaarding II
1
hij op 11 februari 2026 te Zoetermeer opzettelijk heeft vervoerd
- ongeveer 44,9 gram van een materiaal bevattende cocaïne en
- ongeveer 45 gram van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde cocaïne en MDMA, telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
;
2
hij op 11 februari 2026 te Zoetermeer opzettelijk middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
- een hoeveelheid alprazolam, te weten 150 pillen van 1 mg, en
- een hoeveelheid diazepam, te weten 150 pillen van 10 mg, en
- een hoeveelheid lorazepam, te weten 100 pillen van 3 mg, en,
- een hoeveelheid oxycodon, te weten 10 pillen van 40 mg,
zijnde alprazolam en diazepam en lorazepam en oxycodon, heeft vervoerd;
3
hij op 11 februari 2026 te Zoetermeer opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten ongeveer 63,4 gram 2-MMC
,aanwezig heeft gehad;
4
hij op 11 februari 2026 te Zoetermeer opzettelijk 40 tabletten Kamagra-100, bevattende de werkzame stof sildenafil, een geneesmiddel, als bedoeld in artikel 1 sub b van Pro de Geneesmiddelenwet, waarvoor geen handelsvergunning gold, in voorraad heeft gehad
;
5
hij op of omstreeks 11 februari 2026 te Zoetermeer, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaf
t,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen
engelden voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door de volgende goederen voorhanden te hebben:
- een hoeveelheid voor verspreiding geschikte cocaïne en MDMA, verpakt in ponypacks, gripzakjes en buisjes, en
- een voertuig met kenteken [kenteken] , en
- een geldbedrag van in totaal 1840,05 euro (in coupures van 7x 100 euro, 21x 50 euro, 3x 20 euro, 2x 10 euro, 2x 5 euro en/of 1x 5 cent), en
- een mobiele telefoon;
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht bij het bepalen van de straf uitdrukkelijk rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en hem een deels voorwaardelijke straf op te leggen. De verdachte heeft verantwoordelijkheid genomen, is open geweest naar de reclassering en heeft een vangnet als hij weer vrijkomt. Hij staat volledig open voor de door de reclassering geadviseerde meldplicht en ambulante begeleiding en zal daaraan volledig meewerken, aldus de raadsvrouw.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft zich binnen een periode van twee weken tweemaal schuldig gemaakt aan het vervoeren en aanwezig hebben van verschillende soorten en grote hoeveelheden (hard)drugs en onvergunde geneesmiddelen. Tevens heeft hij zich schuldig gemaakt aan het voorbereiden en/of bevorderen van de handel in verdovende middelen. Dit zijn ernstige feiten. Het is algemeen bekend dat harddrugs en ongecontroleerd medicijngebruik ernstige schade kunnen toebrengen aan de gezondheid van de gebruikers van deze middelen. Daarnaast houdt het handelen in verdovende middelen de daarmee gepaard gaande criminaliteit in stand en levert het risico’s op voor de openbare orde en de maatschappelijke veiligheid. Verslaafde consumenten raken dikwijls verstrikt in (kleine) criminaliteit. De handel in verdovende middelen gaat vaak gepaard met grote financiële belangen en bij het beschermen van die belangen wordt (extreem) geweld dikwijls niet geschuwd, wat een ontwrichtend effect heeft op de maatschappij. De verdachte heeft door zijn handelen hieraan bijgedragen en zich daarbij niets aangetrokken van de schadelijke effecten voor de samenleving. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 19 mei 2026. Daaruit volgt dat de verdachte eenmaal is veroordeeld voor rijden onder invloed van drugs, maar dat hij niet eerder in aanraking is gekomen met justitie voor vergelijkbare feiten als het bewezenverklaarde. De rechtbank zal het strafblad van de verdachte daarom niet in zijn nadeel meewegen.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft voorts kennisgenomen van een reclasseringsadvies over de verdachte van 26 mei 2026, waaruit volgt dat sprake is van een sociaal-maatschappelijke kwetsbaarheid die voortkomt uit problemen op het gebied van emotionele draagkracht en weerbaarheid. Het recidiverisico wordt ingeschat als laag tot gemiddeld. De reclassering adviseert bij veroordeling van de verdachte hem een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen, met als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling, het vinden van dagbesteding en de beheersing van middelengebruik door middel van controles. De ambulante behandeling zou zijn gericht op het vergroten van zijn draagkracht en weerbaarheid. De beheersing van het middelengebruik wordt vooral geadviseerd in het geval de verdachte wordt veroordeeld voor het rijden onder invloed. Ter terechtzitting zijn de persoonlijke omstandigheden van de verdachte eveneens met hem besproken. Daaruit is de rechtbank gebleken dat de verdachte een intelligente man is die een goede opleiding heeft genoten, die tijdelijk werkloos is en zijn woning dreigt te verliezen, maar die, inmiddels weer, wel een steunend netwerk heeft aan zijn familie.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting voor het vervoeren van twee tot drie kilo harddrugs. Daarin is als uitgangspunt een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden vermeld. In dit geval acht de rechtbank strafverhogend dat de verdachte op 11 en 24 februari 2026 naast de in totaal bijna drie kilo aan harddrugs tevens bijna drie kilo aan (onvergunde) geneesmiddelen bij zich had en heeft vervoerd, en dat hij zich op en omstreeks 11 februari 2026 ook nog schuldig heeft gemaakt aan het voorbereiden en/of bevorderen van de handel in verdovende middelen. Ook rekent de rechtbank het de verdachte aan dat hij zich na zijn eerste aanhouding op 11 februari 2026 binnen een tijdsbestek van slechts krap twee weken nogmaals aan dezelfde soort strafbare feiten schuldig heeft gemaakt.
Anders dan de reclassering ziet de rechtbank geen reden voor een voorwaardelijk strafdeel. Dat de verdachte onder druk zou hebben gestaan door bedreigingen aan het adres van hem en zijn familie, wordt door hem op geen enkele manier onderbouwd en uit het dossier blijkt daar ook niet van. Aan de verklaring van verdachte dat hij makkelijk beïnvloedbaar is en daardoor is bezweken onder de druk die op hem is uitgeoefend, hecht de rechtbank dan ook geen waarde. Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel, onder meer bedoeld om in het kader van een bijzondere voorwaarde ambulante behandeling gericht op het vergroten van zijn weerbaarheid mogelijk te maken, ziet de rechtbank daarom geen aanleiding.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende, enkel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van zestien maanden passend en geboden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering.

7.De inbeslaggenomen voorwerpen

7.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ten aanzien van dagvaarding I gevorderd dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst dagvaarding I, bijlage III) onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen zullen worden verbeurdverklaard. Ten aanzien van dagvaarding II heeft zij gevorderd dat het op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen (beslaglijst dagvaarding II, bijlage IV) onder 2 genoemde voorwerp eveneens zal worden verbeurdverklaard.
7.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft geen standpunt ingenomen over de inbeslaggenomen voorwerpen.
7.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op beslaglijst dagvaarding I onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen en het op beslaglijst dagvaarding II onder 2 genoemde voorwerp, verbeurdverklaren. Deze voorwerpen zijn voor verbeurdverklaring vatbaar, aangezien deze voorwerpen aan de verdachte toebehoren en met betrekking tot dan wel met behulp van deze voorwerpen de onder 3.6 bewezen verklaarde feiten zijn begaan.
Bij de vaststelling van deze bijkomende straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de draagkracht van verdachte. Zij overweegt daartoe dat de inbeslaggenomen auto reeds bijna 20 jaar oud is en de restwaarde van die auto zeer beperkt is.

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 2, 2a, 3, 10, 10a, 10b en 11 van de Opiumwet en de daarbij behorende lijsten I, IA en II, artikel 40 van Pro de Geneesmiddelenwet en de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het bij dagvaarding I onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I onder 1 en de bij dagvaarding II onder 1, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
ten aanzien van dagvaarding I, feit 1:
de meerdaadse samenloop van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod en opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 1:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 2:
opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 3:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2a onder B van de Opiumwet gegeven verbod;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 4:
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 40, tweede lid van de Geneesmiddelenwet gegeven verbod;
ten aanzien van dagvaarding II, feit 5:
om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich of een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen en gelden voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
16 (zestien) MAANDEN;
bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurd de op de beslaglijst dagvaarding I onder 1, 2 en 3 genoemde voorwerpen en het op de beslaglijst dagvaarding II onder 2 genoemde voorwerp, te weten: een contant geldbedrag van € 390,00, een contant geldbedrag van € 2,00, een personenauto met kenteken [kenteken] en een mobiele telefoon van het merk Sony.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.W. de Wit, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. S.S. Buisman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.
Bijlage I
Tekst (gewijzigde) tenlastelegging
Dagvaarding I (09-057723-26)
1
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te 's-Gravenhage opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, ongeveer 48,5 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
en/of
een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten 2435,8 gram, in elk geval een hoeveelheid, 4-BMC, zijnde een substantie behorend tot stofgroep 'Substanties die zijn afgeleid van 2-fenethylamine';
2
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te 's-Gravenhage als bestuurder van een voertuig, (personenauto met kenteken [kenteken] ), dit voertuig heeft bestuurd, terwijl hij verkeerde onder zodanige invloed van een stof, te weten (met)amfetamine, waarvan hij wist of redelijkerwijs moest weten, dat het gebruik daarvan - al dan niet in combinatie met het gebruik van een andere stof - de rijvaardigheid kon verminderen, dat hij niet tot behoorlijk besturen in staat moest worden geacht;
Dagvaarding II (09-044781-26)
1
hij op of omstreeks 11 februari 2026 te Zoetermeer, althans in Nederland, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 44,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 45 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde cocaïne en/of MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet
2
hij op of omstreeks 11 februari 2026 te Zoetermeer, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, te weten
- een hoeveelheid alprazolam, te weten 150 pillen van 1 mg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende alprazolam, en/of,
- een hoeveelheid diazepam, te weten 150 pillen van 10 mg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende diazepam, en/of,
- een hoeveelheid lorazepam, te weten 100 pillen van 3 mg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende lorazepam, en/of,
- een hoeveelheid oxycodon, te weten 10 pillen van 40 mg, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende oxycodon,
zijnde alprazolam en/of diazepam en/of lorazepam en/of oxycodon, heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad;
3
hij op of omstreeks 11 februari 2026 te Zoetermeer, althans in Nederland, al dan niet opzettelijk een substantie die deel uitmaakt van een stofgroep als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst IA en/of een preparaat daarvan, te weten ongeveer 63,4 gram 2-MMC aanwezig heeft gehad;
4
hij op of omstreeks 11 februari 2026 te Zoetermeer, in elk geval in Nederland, al dan niet opzettelijk 40 tabletten Kamagra-100, bevattende de werkzame stof sildenafil, in elk geval een geneesmiddel, als bedoeld in artikel 1 sub b van Pro de Geneesmiddelenwet, waarvoor geen handelsvergunning gold, in voorraad heeft gehad, te koop heeft aangeboden, heeft verkocht, heeft afgeleverd, ter hand heeft gesteld.
5
hij op of omstreeks 11 februari 2026 te Zoetermeer, althans in Nederland, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden en/of te bevorderen, te weten
- het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren, van cocaïne en/of MDMA, in elk geval een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van de Opiumwet
- een ander heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,
- zich en/of een ander gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft getracht te verschaffen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij, verdachte, wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,
door de volgende goederen voorhanden te hebben:
- een hoeveelheid voor verspreiding geschikte cocaïne en/of MDMA, verpakt in ponypacks, gripzakjes en/of buisjes, en/of
- een voertuig (met kenteken [kenteken] ), en/of
- een geldbedrag van in totaal 1840,05 euro (in coupures van 7x 100 euro, 21x 50 euro, 3x 20 euro, 2x 10 euro, 2x 5 euro en/of 1x 5 cent), en/of
- een mobiele telefoon;