Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16291

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
09/098900-25
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36f SrArt. 141 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak poging zware mishandeling, veroordeling openlijke geweldpleging bij Oud en Nieuw rellen Delft

Op Oudejaarsavond 2023 vonden hevige wanordelijkheden plaats rondom een flat in Delft, waarbij politieagenten werden belaagd met zwaar vuurwerk en andere voorwerpen. De verdachte was aanwezig op de veertiende verdieping van de flat en gooide vuurwerk naar beneden richting de politie. Hoewel de rechtbank onvoldoende bewijs vond voor opzet tot zware mishandeling, werd vastgesteld dat de verdachte openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen politieagenten.

De verdachte verscheen niet op de zitting en nam geen standpunt in. De rechtbank baseerde haar oordeel op camerabeelden, verklaringen van politieagenten en andere bewijsmiddelen. De rechtbank oordeelde dat de verdachte een wezenlijke bijdrage leverde aan de wanordelijkheden door vuurwerk af te steken en gooien, wat leidde tot een grimmige sfeer en verstoring van de openbare orde.

De rechtbank veroordeelde de verdachte tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, passend bij de ernst van het feit en de maatschappelijke impact. Daarnaast werden schadevergoedingen toegekend aan drie politieagenten voor immateriële schade, met hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte. De rechtbank legde ook een schadevergoedingsmaatregel op met wettelijke rente en gijzeling bij niet-betaling.

De rechtbank sprak de verdachte vrij van de poging tot zware mishandeling wegens onvoldoende bewijs van opzet of voorwaardelijk opzet. De strafoplegging hield rekening met het strafblad, persoonlijke omstandigheden en landelijke oriëntatiepunten. De uitspraak benadrukt het onacceptabele karakter van geweld tegen politie en de maatschappelijke gevolgen van dergelijke rellen.

Uitkomst: Verdachte vrijgesproken van poging zware mishandeling, veroordeeld tot drie maanden gevangenisstraf voor openlijke geweldpleging en hoofdelijk aansprakelijk voor schadevergoedingen aan politieagenten.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/098900-25
Datum uitspraak: 17 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] .

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 29 december 2025 (regie) en 3 juni 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. M.A. Visser. De verdachte is, hoewel mondeling aangezegd op de terechtzitting van 29 december 2025, niet verschenen op de terechtzitting van 3 juni 2026. Namens hem is eveneens geen raadsman of raadsvrouw verschenen.
Deze strafzaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1] (parketnummer 09/065090-25), [medeverdachte 2] (parketnummer 09/098897-25) en [medeverdachte 3] (parketnummer 09/065091-25 ).

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging op de terechtzitting van 3 juni 2026 - ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 31 december 2023 te Delft, in elk geval in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om aan [politieambtenaar 1] en/of [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3] en/of [politieambtenaar 4] en/of [politieambtenaar 5] en/of meerdere andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, meerdere malen althans eenmaal
- ( zwaar) vuurwerk en/of andere voorwerpen (vanaf een balkon van een flat) in de richting van genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en/of richting de Lidl heeft/hebben gegooid terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 31 december 2023 te Delft, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten in de [straatnaam 1] en/of de [straatnaam 2] , in elk geval op of aan de openbare weg en/of op een voor het publiek toegankelijke plaats, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [politieambtenaar 1] en/of [politieambtenaar 2] en/of [politieambtenaar 3] en/of [politieambtenaar 4] en/of [politieambtenaar 5] en/of meerdere andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren, door meerdere malen althans eenmaal
- de confrontatie te zoeken met genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en/of
- ( zwaar) vuurwerk en/of andere voorwerpen (vanaf een balkon van een flat) in de richting van genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en/of richting de Lidl te gooien en/of
- te schreeuwen naar en/of schelden op en/of gebaren maken naar genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en/of
- filmopnames te maken van bovenstaande handelingen.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Inleiding
Op Oudejaarsavond van 2023 hebben er hevige wanordelijkheden plaatsgevonden rondom de [flat] in Delft. Nadat de deuren van de Lidl in de [straatnaam 1] waren opgeblazen door middel van een brandbom, kwamen agenten ter plaatse om plundering van de winkel te voorkomen. Zij werden vervolgens belaagd door tientallen personen die zich hadden verzameld voor de ingang van de [flat] , veelal donker gekleed en gezichtsbedekking dragend. Er werd met zwaar vuurwerk richting de politie gegooid. De groep kwam meerdere malen oplopen richting de linie agenten, waarbij veel werd geschreeuwd en gescholden met woorden als “kanker joden” en “kanker Hollanders”. Tijdens het oplopen, waarbij de groep tot enkele tientallen meters afstand van de agenten kwam, werd er afgeteld en gefilmd met mobiele telefoons. Vervolgens werd er onder luid gejoel wederom meerdere malen (zwaar) vuurwerk in de richting van de agenten afgeschoten. Het vuurwerk kwam op slechts enkele meters afstand van hen terecht, waarbij meerdere agenten hebben beschreven hoe hard de knallen waren en hoe zeer zij de drukgolven daarvan door hun lichaam voelden gaan. Zij moesten wegduiken of naar achter stappen om niet geraakt te worden. Eén van de agenten kreeg kruit in haar oog, ondanks de beschermende bril die zij droeg. Een andere agent heeft beschreven hoe haar collega haar net op tijd opzij kon trekken, omdat het anders volledig mis was gegaan. Zij zag en voelde de projectielen rakelings langs haar hoofd schieten.
Op enig moment is besloten een charge te laten uitvoeren door politie bikers voor de ingang van de [flat] . Tijdens die charge is een van de bikers ten val gebracht door relschoppers en is er om ‘Assistentie collega’ geroepen, de uiterste noodoproep voor in het nauw gedreven politieagenten. Als reactie daarop is een groot deel van de aanwezige agenten vanaf de linie bij de Lidl naar de ingang van de [flat] gerend om hun collega te ontzetten. Ook op dat moment werden zij van alle kanten (fysiek en verbaal) belaagd en bekogeld met vuurwerk. Er waren meerdere harde knallen te horen, evenals het gesis en gepiep van vuurpijlen. Agenten voelden de hitte en de drukgolven van ontploffende cobra’s en zagen ook vuurwerk vlak naast hen op de grond tot ontploffing komen. Vanaf de galerijen van verschillende verdiepingen van de flat werd eveneens (zwaar) vuurwerk naar beneden gegooid, ook op het moment dat de agenten zich daar beneden bij de flat bevonden. De agenten voelden het gevaar dus niet alleen van voren en opzij komen, maar ook van boven. Zij konden daardoor niet meer alles tegelijkertijd waarnemen en zagen niet al het vuurwerk aankomen dat dichtbij hen tot ontploffing kwam. Dat droeg bij aan gevoelens van angst en machteloosheid.
Meerdere agenten hebben beschreven dat zij zich gedurende hun gehele politiecarrière nog nooit zo onveilig hadden gevoeld en hoeveel indruk deze situatie op hen heeft gemaakt. Ten gevolge van de bovenstaande gebeurtenissen hebben meerdere agenten bovendien zowel fysieke als psychische schade opgelopen. Eén van hen heeft blijvende gehoorschade overgehouden aan de zware knallen. De mobiele eenheid moest uiteindelijk uitrukken om het geweld tegen de politie te stoppen.
3.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde.
3.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft ter terechtzitting geen standpunt ingenomen ten aanzien van het bewijs, nu hij niet is verschenen.
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft in bijlage I opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen
3.5.1.
De gedragingen van de verdachte
Op grond van de verklaring van de verdachte, de in de bewijsmiddelen opgenomen herkenningen van de verdachte en de screenshots van de camerabeelden in de beeldanalyse, stelt de rechtbank vast dat NN06 kan worden geïdentificeerd als de verdachte. Waar in de bewijsmiddelen wordt gerefereerd aan NN06, leest de rechtbank dit dan ook als ‘de verdachte’.
Ten aanzien van de gedragingen van de verdachte stelt de rechtbank op basis van de beeldanalyse in het dossier het volgende vast.
De verdachte was al rond de klok van 21.00 uur aanwezig in en rondom de [flat] , maar verplaatste zich met enige regelmaat tussen verschillende verdiepingen en in en uit de flat. Vanaf 22.04 uur bevond de verdachte zich op de veertiende etage van de [flat] met een groep anderen. Om 22.28 uur stak NN05 een stuk vuurwerk af en stond de verdachte dit te filmen. Op het moment dat verschillende personen uit de groep rond 22.56 uur vuurwerk afstaken in de richting van de politie, stond de verdachte daarnaar te kijken. Vervolgens trok hij een aansteker uit de handen van een in het zwart gekleed persoon, terwijl NN04 al vuurwerk naar beneden aan het gooien was. De verdachte stak ook een stuk vuurwerk aan en gooide dit over de rand van het balkon zodra het brandde. Op dat moment was de politie nog aanwezig beneden aan de flat. Vanuit een andere hoek is te zien dat de verdachte een stuk vuurwerk boven zijn hoofd bracht, over de rand van het balkon leunde en het vuurwerk met kracht naar beneden gooide. Hij bleef vervolgens naar beneden kijken. Tenslotte filmde verdachte, tegelijk met twee anderen, om 22.59 uur hoe NN05 vuurwerk afstak in de richting van de politie.
3.5.3.
Vrijspraak feit 1
Om tot een bewezenverklaring van een poging tot zware mishandeling te komen, moet er sprake zijn van opzet of van voorwaardelijk opzet – de bewuste aanvaarding van de aanmerkelijke kans – op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Voor het in vereniging plegen van dat feit is daarnaast vereist dat er een nauwe en bewuste samenwerking was met een of meer anderen, die was gericht op het opzettelijk toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Is er sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, dan hoeft niet te worden bewezen dat de verdachte elk onderdeel van de tenlastelegging zelf heeft begaan, maar is hij medeverantwoordelijk voor het geheel van de gedragingen die onder die nauwe en bewuste samenwerking vallen.
De rechtbank overweegt dat de verdachte samen met een aantal anderen vanaf de veertiende verdieping vuurwerk en/of andere brandende voorwerpen naar beneden heeft gegooid, zoals reeds is vastgesteld onder 3.5.2. Daarnaast werd ook vanaf andere verdiepingen (zwaar) vuurwerk naar beneden gegooid en bekogelde de groep die zich beneden voor de flat bevond de politie met cobra’s, mortieren en siervuurwerk. Naar het oordeel van de rechtbank kan in onvoldoende mate worden vastgesteld of er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte en zijn medeverdachten met de groeperingen beneden aan de flat en op de andere verdiepingen. Gelet op de enorme knallen en lichtflitsen die te zien en te horen waren, werd er in ieder geval door die andere groeperingen zwaar vuurwerk op de politie afgevuurd, wat in de gegeven situatie onmiskenbaar een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel opleverde. Nu een nauwe en bewuste samenwerking niet kan worden vastgesteld, kan het afsteken van dat zware vuurwerk door die andere groepen echter niet aan de verdachte en zijn medeverdachten worden toegerekend.
De rechtbank is van oordeel dat wel tussen de verdachte en de medeverdachten op de veertiende verdieping sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking. Op screenshots van de camerabeelden is te zien hoe zij samenscholen, elkaar filmpjes laten zien van een explosie, dat zij samen vuurwerk afsteken en dat dat door één van hen wordt gefilmd. Dat vuurwerk gooiden zij vervolgens naar beneden, of schoten zij van het balkon af in de richting waar de agenten zich ongeveer bevonden. Gelet op de tijdstempels van de camerabeelden was dat ook op de momenten dat de politie daar direct onderaan de flat stond. Desalniettemin acht de rechtbank het op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende duidelijk of de verdachten daarmee ook het opzet hadden zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Van vol opzet is niet gebleken. Voor een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet is er naar het oordeel van de rechtbank te weinig informatie bekend over het soort en de zwaarte van het vuurwerk dat door de verdachten is afgestoken, de exacte richting waarin zij dat deden, waar dat vuurwerk tot ontploffing kwam en de mogelijke schade door (smeulende) restmaterialen die naar beneden kwamen na het ontploffen van het vuurwerk. Zodoende kan de rechtbank in onvoldoende mate vaststellen of het door de verdachten afgestoken vuurwerk een aanmerkelijke kans op het ontstaan van zwaar lichamelijk letsel heeft opgeleverd om tot een bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde te komen en zal zij hem daarvan vrijspreken.
3.5.4.
Openlijke geweldpleging
De rechtbank ziet zich voorts voor de vraag gesteld of de gedragingen van de verdachte zijn te kwalificeren als openlijke geweldpleging zoals ten laste is gelegd onder feit 2.
De rechtbank stelt voorop dat van het "in vereniging" plegen van geweld sprake is indien de verdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan het geweld, zij het dat deze bijdrage zelf niet van gewelddadige aard behoeft te zijn. De enkele omstandigheid dat iemand aanwezig is in een groep die openlijk geweld pleegt, is niet zonder meer voldoende om hem te kunnen aanmerken als iemand die "in vereniging" geweld pleegt. Beoordeeld zal moeten worden of de door de verdachte geleverde – intellectuele en/of materiële – bijdrage aan het delict van voldoende gewicht is.
Gelet op hetgeen hiervoor onder 3.5.2. is vastgesteld met betrekking tot de gedragingen van de verdachte, bezien in de context van de hevige wanordelijkheden die op dat moment plaatsvonden, heeft de verdachte naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijke bijdrage geleverd aan die wanordelijkheden door in de directe omgeving daarvan vuurwerk af te steken, gericht op het gebied voor de flat waar de politie op dat moment aanwezig was. De verdachte was op de hoogte van de ontstane situatie. Dat kan hem onmogelijk zijn ontgaan. Het was daar in de omgeving één grote chaos, er waren sirenes te horen, er werd geschreeuwd, er waren harde knallen te horen en ontploffingen te zien. De rechtbank acht dat geen “normale” situatie om vuurwerk af te steken, ook niet op Oudejaarsavond. Onder die omstandigheden wisten de verdachte en zijn medeverdachten dat ook. Door dat toch te doen, hebben zij een wezenlijke bijdrage geleverd aan de grimmige sfeer en chaos die er is ontstaan en daarmee ook aan de verstoring van de openbare orde die op dat moment plaatsvond.
Op grond hiervan oordeelt de rechtbank dat de verdachte door te handelen als hiervoor vermeld, aan de ten laste gelegde geweldshandelingen een voldoende significante bijdrage heeft geleverd om te komen tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het onder 2 ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 31 december 2023 te Delft, openlijk, te weten in de [straatnaam 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [politieambtenaar 1] en [politieambtenaar 2] en [politieambtenaar 3] en [politieambtenaar 4] en [politieambtenaar 5] en meerdere andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren, door meerdere malen althans eenmaal
- de confrontatie te zoeken met genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en
- ( zwaar) vuurwerk en/of andere voorwerpen (vanaf een balkon van een flat) in de richting van genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en richting de Lidl te gooien en
- te schreeuwen naar en schelden op en gebaren maken naar genoemde en/of andere ter plaatse aanwezige politieambtenaren en
- filmopnames te maken van bovenstaande handelingen.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De strafoplegging

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft ter terechtzitting geen standpunt ingenomen ten aanzien van de strafoplegging, nu hij niet is verschenen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging waarbij politieagenten van alle kanten zijn belaagd en bekogeld met (zwaar) vuurwerk. De verdachte heeft hieraan bijgedragen door eveneens vuurwerk, doch niet bekend van welk kaliber, van een van de galerijen van de flat naar beneden te gooien. Door zijn handelen heeft de verdachte een aandeel gehad in de ernstige ongeregeldheden en de schade die het geweld heeft veroorzaakt. De gedragingen van de verdachte getuigen bovendien van een gebrek aan respect voor politieambtenaren en de maatschappelijke functie die zij vervullen. Het behoeft geen uitleg dat dit soort gedrag, in alle gevallen maar in het bijzonder tegen de politie, volkomen onacceptabel is. Meerdere agenten hebben bovendien verklaard over de enorme impact die deze geweldsexplosie op hen heeft gehad en dat zij zich gedurende hun hele carrière zelden zo onveilig hebben gevoeld. Dat de rekent de rechtbank de verdachte zwaar aan.
Dergelijke ontwrichtende feiten veroorzaken daarnaast veel overlast en gevoelens van angst en onveiligheid voor omwonenden en in de samenleving in het algemeen, zeker wanneer zij plaatsvinden op een moment waarop mensen gezamenlijk het nieuwe jaar willen vieren. De massale inzet van hulpdiensten die ieder jaar weer moet uitrukken voor dergelijke ongeregeldheden kost de maatschappij daarbij ook nog eens een hoop geld. Dat de verdachte hierin ook een aandeel heeft gehad, rekent de rechtbank hem eveneens aan.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 10 maart 2026. Daaruit volgt dat de verdachte in de vijf jaar voorafgaand aan het onderhavige feit niet is veroordeeld voor een vergelijkbaar feit. De rechtbank zal het strafblad van de verdachte zodoende niet in zijn nadeel meewegen.
Persoon van de verdachte
Over de verdachte is geen reclasseringsrapport opgemaakt en de verdachte is eveneens niet ter zitting verschenen. Zodoende moet de rechtbank uitgaan van de summiere informatie over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte die is terug te vinden in het dossier. Uit het dossier volgt dat de verdachte woont met zijn vrouw en twee kleine kinderen. Hij was ten tijde van het verhoor net begonnen als fulltime elektromonteur in opleiding.
De op te leggen straf
De rechtbank heeft bij de bepaling van de strafmodaliteit en strafmaat aansluiting gezocht bij de landelijke oriëntatiepunten voor straftoemeting. Daarin is als uitgangspunt voor openlijke geweldpleging tegen personen, lichamelijk letsel ten gevolge hebben, vermeld een taakstraf van 150 uur. De rechtbank overweegt voorts, in navolging van het Hof Amsterdam (ECLI:NL:GHAMS:2025:1470), dat naar haar oordeel voor dergelijke grootschalige rellen gevangenisstraf het uitgangspunt moet zijn. Gelet op de grootschaligheid en de langdurigheid van het gepleegde geweld, het feit dat dit geweld evident was gericht tegen de politie en de schade die het heeft opgeleverd voor de maatschappij, acht de rechtbank een gevangenisstraf ook in dit geval passend.
Met betrekking tot het tijdsverloop merkt de rechtbank op dat er geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn en dat het tijdsverloop derhalve geen aanleiding biedt voor een kortere straf of een minder zware strafmodaliteit.
Voor oplegging van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding, nu het bewezenverklaarde al enkele jaren geleden heeft plaatsgevonden en de verdachte sindsdien niet meer in aanraking is gekomen met politie of justitie.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.
De rechtbank acht, alles afwegende een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden passend en geboden.

7.De vorderingen van de benadeelde partijen en de schadevergoedingsmaatregel

7.1.
De vorderingen
[politieambtenaar 5] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 534,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft tevens de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor de schade gevorderd.
[politieambtenaar 2] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 534,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft tevens de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor de schade gevorderd.
[politieambtenaar 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.700,00 aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij heeft tevens de hoofdelijke aansprakelijkheid van de verdachte voor de schade gevorderd.
7.2.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot hoofdelijke toewijzing van de vorderingen van alle drie de benadeelde partijen, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente.
7.3.
Het standpunt van de verdediging
De verdachte heeft ter terechtzitting geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen, nu hij niet is verschenen.
7.4.
Het oordeel van de rechtbank
[politieambtenaar 5]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 534,00.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 534,00, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 december 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel.
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 534,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [politieambtenaar 5] .
[politieambtenaar 2]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 534,00.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 534,00, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 december 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel.
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 534,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [politieambtenaar 2] .
[politieambtenaar 4]
Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op haar vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 2.700,00.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 2.700,00, bestaande uit immateriële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 31 december 2023, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Omdat de verdachte het strafbare feit ter zake waarvan schadevergoeding zal worden toegekend samen met mededaders heeft gepleegd, zijn zij daarvoor ieder hoofdelijk aansprakelijk. Hetzelfde geldt voor de toegewezen proceskosten. Daarbij geldt dat de verdachte, voor zover een van de mededaders een bedrag aan de benadeelde partij heeft betaald, dat deel van de schadevergoeding en/of proceskosten niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen.
Schadevergoedingsmaatregel.
De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte hoofdelijk de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € € 2.700,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2024 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [politieambtenaar 4] .

8.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen 36f en 141 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9.De beslissing

De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een
gevangenisstrafvoor de duur van
3 (drie) MAANDEN;
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [politieambtenaar 5] toe tot een bedrag van € 534,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [politieambtenaar 5] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 534,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [politieambtenaar 5] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [politieambtenaar 2] toe tot een bedrag van € 534,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [politieambtenaar 2] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 534,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [politieambtenaar 2] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [politieambtenaar 4] toe tot een bedrag van € € 2.700,00 en veroordeelt de verdachte hoofdelijk om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2023 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [politieambtenaar 4] ;
veroordeelt de verdachte tevens hoofdelijk in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte hoofdelijk de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 2.700,00 vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 31 december 2023 tot de dag waarop dit bedrag is betaald, ten behoeve van [politieambtenaar 4] ;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 27 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als een van de mededaders de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald en/of de betalingsverplichting aan de Staat deels of geheel heeft voldaan, de verdachte niet meer verplicht is om dat deel te betalen of te voldoen;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. C.W. de Wit, voorzitter,
mr. drs. H.M. Braam, rechter,
mr. S.S. Buisman, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 17 juni 2026.