ECLI:NL:RBDHA:2026:1630

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 januari 2026
Publicatiedatum
2 februari 2026
Zaaknummer
NL26.2414
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vw 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen maatregel van bewaring en verzoek om schadevergoeding in vreemdelingenrecht

De minister van Asiel en Migratie legde op 14 januari 2026 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 27 januari 2026 via een beeldverbinding.

De minister voerde als zware gronden onder meer dat eiser zich aan toezicht had onttrokken door op 16 maart 2022 met onbekende bestemming te vertrekken en dat eiser niet had voldaan aan een vertrekplicht na afwijzing van zijn asielaanvraag op 1 april 2022. Eiser betwistte deze gronden, maar de rechtbank oordeelde dat de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist waren en voldoende waren om de maatregel te dragen.

Eiser voerde aan dat er geen zicht op uitzetting naar Marokko bestond, mede omdat hij al geruime tijd in bewaring zat zonder documenten. De rechtbank stelde dat zicht op uitzetting niet ontbrak, mede omdat eiser pas iets meer dan een maand in bewaring zat en de minister een laissez-passer aanvraag had ingediend bij de Marokkaanse autoriteiten. Ook oordeelde de rechtbank dat eiser onvoldoende meewerkte aan zijn terugkeerverplichting.

De rechtbank concludeerde dat de maatregel rechtmatig was en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.2414

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 januari 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. W.R.S. Ramhit),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 27 januari 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
Eiser heeft alle zware gronden en de lichte gronden 4a, 4c en 4d betwist.
1.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de zware gronden 3b en 3c feitelijk juist en is de feitelijke juistheid voldoende om deze gronden aan de maatregel ten grondslag te leggen. [1] De zware grond 3b is feitelijk juist, omdat eiser op 16 maart 2022 met onbekende bestemming (MOB) is vertrokken. Dit is door eiser niet betwist. Door MOB te vetrekken heeft eiser zich (eerder) onttrokken aan het toezicht, waarmee de feitelijke juistheid is gegeven. Ook de zware grond 3c is feitelijk juist. Vast staat dat op 1 april 2022 de asielaanvraag van eiser is afgewezen waarbij aan eiser ook een terugkeerbesluit is opgelegd, met een onmiddellijke vertrektermijn. Dit besluit is ter inzage gelegd in het Asielzoekerscentrum in Ter Apel. Dit is, gelet op paragraaf C1/2.13 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000), een juiste wijze van bekendmaking. Dit is door eiser ook niet betwist. Verder is niet betwist dat eiser aan deze vertrekplicht geen gevolg heeft gegeven. De zware gronden 3a en 3c en de niet-betwiste lichte grond 4b zijn voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Dat wat eiser heeft aangevoerd in het kader van de overige gronden behoeft daarom geen bespreking.
Bestaat zicht op uitzetting?
2. Eiser betoogt dat geen zicht op uitzetting bestaat. Hij zit al zeer geruime tijd in bewaring, zoals ook benoemd in de maatregel van bewaring. Buiten de schuld van eiser heeft hij geen documenten en uit niets blijkt dat de autoriteiten deze alsnog zullen verstrekken.
2.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zicht op uitzetting naar Marokko in het algemeen niet ontbreekt. [2] De rechtbank ziet verder ook geen aanleiding voor het oordeel dat zicht op uitzetting naar Marokko in het geval van eiser binnen een redelijke termijn ontbreekt. Eiser is op 22 december 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b van de Vw 2000 en zit dus slechts iets meer dan een maand in bewaring. Gelet op de nog lopende asielprocedure van eiser was de minister niet gehouden om te werken aan de uitzetting van eiser. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank daarom niet dat voor eiser geen zicht op uitzetting zou bestaan. Verder heeft de minister op 23 januari 2026 een laissez-passer (lp) aanvraag verzonden aan de Marokkaanse autoriteiten. Aan hen mag enige tijd gegund worden om hierop te reageren. Daarbij komt dat uit de verklaringen van eiser blijkt dat hij niet meewerkt aan zijn verplichting tot terugkeer. Eiser heeft namelijk voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard niet te willen vetrekken en daaraan niet meewerkt. Ook heeft hij geen contact opgenomen met het IOM. Dat eiser buiten zijn schuld geen documenten heeft, volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard dat hij een paspoort heeft aangevraagd en dat deze in Spanje zou liggen. Het is niet gebleken dat eiser geprobeerd heeft dit paspoort te laten opsturen naar Nederland, terwijl dit in het kader van zijn inspanningsverplichting wel van hem verwacht mag worden.
Leidt ambtshalve toets tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [3]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.Zie ABRvS 14 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3269 en van 8 augustus 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3033.
3.Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X) en HvJEU 4 september