ECLI:NL:RBDHA:2026:16301

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
17 juni 2026
Zaaknummer
NL25.44268
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.L.M. Steinebach - de Wit
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 VwArt. 31, zesde lid, onder b VwArt. 31, zesde lid, onder c VwArt. 31, zesde lid, onder e VwArt. 8:72, vierde lid, Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond tegen afwijzing asielaanvraag Nigeriaanse marineveteraan

Eiser, een Nigeriaanse marineveteraan, diende een asielaanvraag in Nederland in nadat hij problemen had ondervonden vanwege zijn werk bij de marine, waaronder een vuurgevecht en mishandeling door militaire politie. De minister wees de aanvraag af wegens onvoldoende geloofwaardigheid en gebrek aan onderbouwing met documenten.

De rechtbank oordeelt dat de minister ten onrechte de aanvraag als ongegrond heeft afgewezen. Twee originele documenten die eiser overlegde, werden erkend, waardoor een belangrijk bezwaar van de minister verviel. De rechtbank vindt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom bepaalde verklaringen van eiser niet geloofwaardig zouden zijn, en dat het asielrelaas in zijn geheel beoordeeld moet worden.

De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt de minister op binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens wordt de minister veroordeeld tot betaling van proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is gegrond verklaard en het besluit vernietigd met opdracht tot hernieuwde besluitvorming.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.44268

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. B.H. Werink),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van Pro de Vw [1] . Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Nigeriaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 september 2025 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft op
11 februari 2026 aanvullende gronden van beroep ingediend.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.D.O. Onwuegbuchu als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat aan deze asielaanvraag voorafging
3. Eiser heeft op 12 juni 2021 voor het eerst in Nederland een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. Deze aanvraag is niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk was voor de behandeling van de asielaanvraag. Eiser is echter niet tijdig overgedragen aan Italië en daarom opgenomen in de nationale procedure. Hij heeft vervolgens op 28 januari 2022 de asielaanvraag ingediend waar dit beroep over gaat.
Het asielrelaas
4. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij in Nigeria problemen had met de militaire politie. Hij was van 2009 tot 2017 werkzaam voor de marine. Tijdens een van zijn diensten heeft hij samen met een aantal collega's een illegale olieraffinaderij ontdekt. Eiser en zijn collega's werden daar benaderd door invloedrijke mannen die hen wilden omkomen. Een corrupte officier heeft eiser gezegd dat hij de aangeboden steekpenningen moest aannemen. Er is vervolgens een ruzie ontstaan met deze officier, wat is uitgemond in een vuurgevecht waarbij de officier is overleden. Naderhand bleek de officier de broer te zijn van de chef admiraal. Eiser is bij terugkomst op de uitvalbasis gevangen genomen omdat hij verdacht werd van de dood van de officier. Na een maand is eiser vrijgelaten. Hij heeft daarna ontslag genomen en de militaire politie is vervolgens bij hem thuis gekomen en zij hebben hem mishandeld. Er zijn ook huurmoordenaars achter eiser aan gestuurd. Op 3 mei 2017 hebben zij de broer van eiser vermoord omdat men dacht dat hij eiser was. Eiser heeft toen besloten Nigeria te verlaten.
Het bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende elementen:
- identiteit, nationaliteit en herkomst; en
- problemen vanwege het werk bij de marine.
De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Eisers werk bij de marine wordt ook gevolgd maar de problemen waarover hij heeft verklaard niet.
Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die zijn problemen vanwege zijn werk bij de marine volledig onderbouwen. Het asielmotief is ook niet alsnog geloofwaardig, want eiser voldoet niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, c en e van de Vw. Eiser heeft namelijk onvoldoende documenten gegeven en heeft daarvoor geen goede verklaring. Ook vormen zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel. In het bestreden besluit heeft de minister dit onderbouwd met acht redenen, welke hierna verder besproken zullen worden. Verder kan eiser volgens de minister in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Hij heeft zich namelijk eerder onttrokken aan de asielprocedure in Nederland en heeft daarvoor geen verschoonbare verklaring gegeven. Ook heeft hij tijdens het nader gehoor uitspraken gedaan die volgens de minister sterk in twijfel trekken of eiser inspanning wil leveren om zijn aanvraag te staven.
5.1.
Het geloofwaardig geachte element en eisers werk bij de marine maken volgens de minister niet dat eiser kan worden aangemerkt als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag [2] of dat aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een reëel risico op ernstige schade. [3] De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen als ongegrond.
Het oordeel van de rechtbank
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister de asielaanvraag niet als ongegrond heeft mogen afwijzen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
Voldoet eiser aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b van de Vw?
7. Eiser heeft bij zijn aanvullende gronden van beroep van 11 februari 2026 twee originele documenten overgelegd, welke zijn onderzocht door Bureau Documenten. [4]
Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister laten weten dat dit reden is om de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder b van de Vw niet langer aan eiser tegen te werpen.
Voldoet eiser aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw?
8. Met betrekking tot de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw heeft de minister acht redenen gegeven waarom hij meent dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel zijn.
8.1.1.
In het bestreden besluit is aan eiser tegen geworpen dat hij summiere verklaringen zou hebben afgelegd over hoe hij zich heeft onttrokken uit het bij de illegale raffinaderij ontstane vuurgevecht. Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister dit standpunt laten vallen.
8.1.2.
Verder is eiser tegengeworpen dat hij vage verklaringen zou hebben afgelegd over zijn vrijlating. In het bestreden besluit staat dat eiser met zijn verklaringen niet heeft onderbouwd waarom hij na een maand opeens is vrijgelaten en dat van hem verwacht mag worden dat hij meer concreet kan verklaren over de voorwaarden van zijn vrijlating.
Ter zitting heeft de gemachtigde van de minister aangegeven dat het er hier om gaat dat eiser heeft verklaard dat hij van de ene op de andere dag is vrijgelaten maar niet weet waarom. Vervolgens zou hij zijn teruggekeerd naar huis en kort daarna weer zijn mishandeld. Dit is volgens de gemachtigde van de minister ongerijmd omdat er kennelijk reden was om eiser vrij te laten en dit strookt dan niet met de mishandeling kort daarna.
De rechtbank stelt vast dat deze redenering niet is terug te vinden in de bestreden besluitvorming. Bovendien berust dit op een onjuiste lezing van eisers relaas, nu eiser heeft verklaard dat hij enige tijd na thuiskomst heeft besloten om ontslag te nemen. Naar aanleiding van zijn ontslag is eiser opgeroepen om zich te melden op kantoor. Nadat hij op het kantoor een gesprek heeft gehad is hij vervolgens thuis opgezocht door de militaire politie die hem hebben mishandeld. Dat eiser ontslag heeft genomen en dat dit de reden voor de mishandeling zou (kunnen) zijn, is door de gemachtigde van de minister niet betrokken in zijn ter zitting ingenomen standpunt.
8.1.3.
Daarnaast werpt de minister eiser tegen dat het niet logisch is dat er geen rechter bij het onderzoek is betrokken. Eiser werd immers verdacht van moord en volgens de minister is niet in te zien hoe een strafrechtelijke vervolging zonder rechter kan plaatsvinden. Eiser heeft al in de zienswijze gewezen op artikel 133 van Pro de Armed Forces Act waaruit zou volgen dat het hier vermoedelijk om een krijgsraad gaat en dat daar geen rechter in hoeft te zitten. Naar het oordeel van de rechtbank is de minister hier in het bestreden besluit onvoldoende op ingegaan. Het door de gemachtigde van de minister ter zitting ingenomen standpunt dat pas in beroep voor het eerst op de Armed Forces Act is gewezen is feitelijk onjuist. Verder deelt de rechtbank het standpunt van de gemachtigde van eiser dat het begrijpelijk is dat het voor eiser niet direct duidelijk was of hij van doen had met een (hoge) officier of met een rechter.
8.1.4.
Ook werpt de minister eiser tegen dat zijn verklaringen over dat hij gezocht werd onlogisch zijn. Eiser stelt dat het na zijn vrijlating een maand heeft geduurd voordat hij is gevonden. Hij verbleef die dagen bij zijn ouders. [5] Volgens de minister is dit bevreemdend, omdat eiser stelt dat hij verdacht wordt van moord. In het voornemen onderbouwt de minister dit met de redenering dat eiser werkte bij een overheidsinstantie en dat verwacht mag worden dat de overheid op de hoogte is van zijn persoonlijke informatie en dat eiser ook bij zijn ouders gezocht zou worden. In het bestreden besluit wordt vervolgens aangegeven dat verder in het midden wordt gelaten dat de leiding op de hoogte zou kunnen zijn van het woonadres van eisers ouders. Naar het oordeel van de rechtbank kan in dat geval de redenering dat het bevreemdend is dat eiser bij zijn ouders een maand onder de radar kon blijven, geen stand houden en is dit door de minister in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd.
8.1.5.
Een ander punt dat de minister eiser tegenwerpt is dat eiser tegenstrijdige verklaringen zou hebben afgelegd over zijn contact met het thuisfront. De rechtbank deelt echter het standpunt van eiser dat zijn verklaringen met enige welwillendheid moeten worden gelezen. Uit de verklaringen van eiser blijkt dat er op bepaalde momenten geen contact was met het thuisfront, terwijl dat contact op andere momenten is hersteld.
8.1.6.
De rechtbank concludeert dat van de acht redenen die de minister in het bestreden besluit heeft gegeven voor het niet voldoen aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw slechts drie overblijven, namelijk dat eiser tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de manier waarop zijn eenheid bij de illegale olieraffinaderij is uitgekomen, dat het niet logisch is dat eiser geen geweer bij zich droeg en dat hij tegenstrijdig en vaag heeft verklaard over de corruptie.
Naar het oordeel van de rechtbank motiveert de minister hiermee onvoldoende waarom eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c van de Vw, nu deze drie punten slechts betrekking hebben op een deel van eisers gehele asielrelaas. Dat deze verklaringen zien op ‘het startpunt van de rode draad’ zoals door de gemachtigde van de minister ter zitting is betoogd, maakt het voorgaande niet anders nu alle overige tegenwerpingen met betrekking tot het verdere verloop van de aanleiding voor het vertrek uit Nigeria geen stand (kunnen) houden. Het asielrelaas moet immers in zijn geheel beoordeeld worden en in dit geval kan niet worden volstaan met de beoordeling van enkel het ‘startpunt’.
Voldoet eiser aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder e van de Vw?
9. Eiser betwist dat hij in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. In beroep stelt eiser dat hij zich heeft onttrokken aan het toezicht in een periode waarin er geen asielaanvraag liep en hij ook niet opnieuw asiel kon vragen. Zodra hij asiel kon aanvragen in Nederland en deze aanvraag ook inhoudelijk door Nederland zou moeten worden behandeld, heeft hij zich gemeld en vanaf dat moment is hij ook permanent bereikbaar geweest voor de minister, via zijn raadsman. Verder betwist eiser dat hij geen actieve houding heeft laten zien.
9.1.
Met betrekking tot het niet laten zien van een actieve houding om zijn asielaanvraag te staven overweegt de rechtbank dat, nu eiser twee originele documenten heeft overgelegd, dit hem niet (langer) kan worden tegengeworpen. Verder staat in paragraaf C1/4.3.2.5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dat deze voorwaarde van toepassing is als de vreemdeling in de huidige of een voorgaande procedure verklaringen heeft afgelegd die dusdanig ongeloofwaardig zijn dat ze de geloofwaardigheid van de vreemdeling in zijn algemeenheid aantast. De minister heeft deze tegenwerping echter niet gebaseerd op zulke verklaringen van eiser, maar op de omstandigheid dat eiser zich eerder heeft onttrokken aan de asielprocedure in Nederland en daarvoor geen verschoonbare verklaring heeft gegeven.
Derhalve kan ook deze tegenwerping geen stand houden. Het standpunt van de minister dat eiser niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder e van de Vw kan dan ook niet gedragen worden door de daaraan ten grondslag liggende motivering.

Conclusie en gevolgen

10. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit motiveringsgebreken bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over de asielaanvraag te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
10.1.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
10.2.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.
De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 9 september 2025;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.L.M. Steinebach - de Wit, rechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Timmerman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, Genève, artikel 1a.
3.Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b van de Vreemdelingenwet 2000.
4.Zie de verklaring van onderzoek van 4 mei 2026.
5.Rapport Nader gehoor, pagina 23 en correcties en aanvullingen van 4 september 2025.