ECLI:NL:RBDHA:2026:16323

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/09/680795 / FA RK 25-1394
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zorgregeling en omgangscontacten vader met minderjarige wegens toename klachten

De rechtbank Den Haag behandelde het verzoek van de vader om de zorg- en opvoedingstaken te verdelen en omgangscontacten met zijn minderjarige kind vast te stellen. Eerder was bepaald dat de hoofdverblijfplaats bij de moeder zou zijn en dat partijen begeleide omgang zouden proberen via een hulpverleningsinstantie.

De begeleide contactmomenten via beeldbellen toonden aan dat het kind de vader herkent en contact maakt, maar ook dat het contact leidt tot ontregeling, zoals huilbuien, driftig gedrag en nachtmerries. De moeder gaf geen toestemming voor fysiek contact en de hulpverleners concludeerden dat verdere omgang op vrijwillige basis niet veilig of kindgericht kon worden opgebouwd.

De minderjarige is onder behandeling van een psycholoog vanwege een forse ontwikkelingsachterstand en trauma's. De behandeling vereist een rustige en veilige omgeving zonder stressoren. De psycholoog constateerde dat de contactmomenten met de vader de klachten verergeren en het trauma opnieuw opvlamt. De rechtbank acht het daarom niet in het belang van het kind om omgang vast te stellen en wijst het verzoek van de vader af. De proceskosten worden ieder voor eigen rekening gedragen.

Uitkomst: Verzoek vader tot zorgregeling en omgang met minderjarige wordt afgewezen wegens toename klachten en niet in belang van het kind.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 25-1394
Zaaknummer: C/09/680795
Datum beschikking: 18 mei 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 24 februari 2025 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. Hayaty te Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
met een bij de rechtbank bekend briefadres,
advocaat: mr. S. Kievit te Breda.

Procedure

Bij beschikking van 13 juni 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van belang –:
- bepaald dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] , de hoofdverblijfplaats bij de moeder zal hebben;
- vastgesteld dat partijen bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar [zorginstantie] voor deelname aan het traject Begeleide omgangsregeling (BOR), en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie;
- iedere verdere beslissing ten aanzien van de zorgregeling en de proceskosten tot 1 december 2025 pro forma aangehouden.
De rechtbank heeft wederom kennisgenomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • het e-mailbericht van 9 juli 2025 van BOR Humanitas;
  • het F9-formulier van 29 juli 2025 van de advocaat van de vader;
  • het F9-formulier van 8 augustus 2025 van de advocaat van de moeder;
  • het F9-formulier van 14 november 2025 van de advocaat van de moeder;
  • het F9-formulier van 5 december 2025 van de advocaat van de moeder;
  • het F9-formulier van 12 december 2025 van de advocaat van de vader, met bijlage;
  • het F9-formulier van 18 december 2025 van de advocaat van de moeder;
  • het F9-formulier van 29 december 2025 van de advocaat van de vader, met bijlage;
  • het F9-formulier van 18 februari 2026 van de advocaat van de vader, met bijlage;
  • het bericht van 23 februari 2026 van de advocaat van de moeder;
  • het bericht van 27 februari 2026 van de advocaat van de moeder;
  • het F9-formulier van 13 april 2026 van de advocaat van de moeder, met bijlagen.
Op 20 april 2026 is de behandeling op de zitting van deze rechtbank voortgezet. Hierbij zijn verschenen:
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
In de beschikking van 13 juni 2025 heeft de rechtbank partijen verwezen naar begeleide omgang bij BOR Humanitas. In het e-mailbericht van 9 juli 2025 heeft BOR Humanitas de rechtbank bericht dat zij de zaak niet in behandeling kan nemen, nu contra-indicaties zijn gebleken voor een gedragsdeskundige ondersteuning door vrijwilligers. Nadien heeft De Ambulante Coach het contact tussen de vader en [minderjarige] opgestart en begeleid.
In het begeleidingsplan van De Ambulante Coach van 27 december 2025 staat het volgende vermeld:
“In totaal hebben er vijf begeleide beeldbelmomenten plaatsgevonden. [minderjarige] maakte met name in de eerste contacten direct contact met vader, reageerde op zijn stem en geluiden en benoemde hem meerdere keren als papa. (…) Vader toonde zich tijdens de contacten liefdevol, geduldig en emotioneel betrokken.”
“Gedurende de belmomenten werd zichtbaar dat [minderjarige] haar aandacht wisselend kon vasthouden. In twee van de vijf belmomenten werd het contact voortijdig beëindigd, doordat [minderjarige] na korte tijd naar moeder toe ging, begon te huilen en weigerde terug te keren naar het beeldbellen. Moeder probeerde [minderjarige] tijdens deze momenten te troosten en motiveerde haar om met vader te bellen. (…) Over het geheel genomen laten de beeldbelmomenten zien dat er sprake is van opbouwend contactherstel tussen vader en [minderjarige] , waarbij [minderjarige] vader herkent en op hem reageert, maar ook behoefte heeft aan nabijheid en regulatie via moeder tijdens of na het contact.”
“Na afloop van de beeldbelmomenten werd bij [minderjarige] wisselend gedrag gezien. Volgens moeder ervaart zij dat [minderjarige] na contactmomenten vaker ontregeld is, waarbij zij sneller huilt, slecht slaapt en moeilijk te troosten is. Moeder gaf aan dat [minderjarige] thuis soms driftig gedrag laat zien en dat dit voor haar zwaar is in de dagelijkse omgang. De hulpverlener observeerde na een belmoment dat [minderjarige] onrustig werd en grensoverschrijdend gedrag liet zien, zoals het trekken aan de kerstboom en het kapot maken van voorwerpen. Dit gedrag wisselde zich af met huilbuien. De hulpverlener zag dat afleiding tijdelijk helpend was en benoemde richting moeder dat dit gedrag passend kan zijn bij ontlading van spanning, waarbij [minderjarige] zich bij moeder als veilige hechtingsfiguur vrij voelt om emoties te uiten.”
“Op basis van de belmomenten en observaties én het contact tussen [minderjarige] en de hulpverlener is geconcludeerd dat er momenteel geen directe zorgen zijn om fysieke omgang tussen vader en [minderjarige] te plannen. De belmomenten tonen aan dat contactherstel plaatsvindt en dat [minderjarige] zowel emotioneel als spelenderwijs respons toont op vader, terwijl haar grenzen gerespecteerd worden. Het gedrag dat [minderjarige] vertoont rondom de belmomenten, zoals driftbuien, huilen of nachtmerries, kan mogelijk worden verklaard door de nieuwe situatie rondom contactmomenten met vader of de spanning die zij ervaart in haar omgeving. Dit gedrag wordt gezien als passend en functioneel, omdat het een manier is waarop [minderjarige] spanning ontlaadt en zichzelf reguleert, terwijl zij tegelijkertijd contact blijft maken.”
Gebleken is dat de moeder geen toestemming heeft gegeven voor fysiek contact tussen de vader en [minderjarige] , waardoor er geen fysieke omgang heeft plaatsgevonden. De Ambulante Coach heeft na overleg met Veilig Thuis geconcludeerd dat er binnen het vrijwillig kader momenteel onvoldoende mogelijkheden zijn om de omgang verder op te bouwen of fysieke contactmomenten op een veilige en kindgerichte manier op te starten. De Ambulante Coach heeft de zaak teruggelegd bij de gemeente/verwijzer en geadviseerd om de Raad te informeren en opschaling naar een meer onafhankelijk en eventueel gedwongen kader te overwegen.
De rechtbank overweegt dat [minderjarige] momenteel onder behandeling is bij een psycholoog. De psycholoog heeft aangegeven dat de behandeling op grond van de klachten en zorgen met voorrang wordt opgepakt. Bij [minderjarige] is sprake van een forse (sociaal emotionele) ontwikkelingsachterstand en extreme angsten die niet passend zijn bij haar leeftijd. Gezien de jonge leeftijd en afhankelijkheid van [minderjarige] , is bewust gekozen om de behandeling te laten verlopen via de hoofdopvoeder. Voor verdere groei is een stabiele basis en dus een rustige en veilige behandelomgeving noodzakelijk, waarin stressoren en trauma gerelateerde triggers worden geminimaliseerd.
In het door de moeder overgelegde behandelverslag van de psycholoog staat het volgende vermeld:
“ [minderjarige] wordt door de vrouwenopvang aangemeld bij de GGZ voor traumabehandeling. Zij heeft veel nachtmerries, schrikt van harde geluiden en luid stemgebruik. [minderjarige] is erg bang en heeft de (fysieke) nabijheid van moeder nodig om te spelen.”
“Er wordt EMDR story telling aangeboden bij [minderjarige] . (…) Na drie behandelingen merkt moeder dat de nachtmerries afnemen en [minderjarige] meer zelfstandig exploratiegedrag laat zien. In de nachtmerries die er nog wel zijn roept [minderjarige] telkens “nee” en zij zegt overdag “papa mes”. De laatste EMDR behandeling in oktober 2025 richt zich op het incident met het mes, waarna de nachtmerries afgenomen zijn.”
“Tijdens het behandeltraject wordt door de Ambulante Coach, op verzoek van de rechtbank en vader, de omgangscontacten tussen [minderjarige] en vader opgestart. Hierbij wordt eerst online het contact tussen vader en [minderjarige] gelegd. Sinds dit contact is een terugval te merken in het gedrag van [minderjarige] . Moeder laat in filmpjes zien dat de nachtmerries toenemen (zowel in intensiteit als in frequentie) en dat zij na de contactmomenten hevige huil en driftbuien heeft. In de behandelkamer wordt gezien dat [minderjarige] alerter en angstiger is in haar gedrag. Thuis wil [minderjarige] niet meer eten aan de keukentafel, waar eerder het contact met vader heeft plaats gevonden. Het gedrag dat [minderjarige] laat zien, is passend bij het opnieuw opvlammen van trauma’s die eerder tot rust waren gekomen.”
De psycholoog heeft voor de spraaktaalontwikkeling van [minderjarige] logopedie geadviseerd. Ook is het voor een goede sociale en emotionele ontwikkeling belangrijk dat [minderjarige] naar een kinderdagopvang kan. Voor het versterken van de hechtingsrelatie is volgens de psycholoog een ouder-kind therapie (theraplay of NIKA) vanuit een SGGZ geïndiceerd. Verder heeft de psycholoog aangegeven dat de traumabehandeling/
stressregulatiebehandeling van [minderjarige] kan worden gecontinueerd zolang er in de omgeving van haar triggers zijn/blijven die haar dereguleren.
De vader heeft aangevoerd dat er tijdens de begeleide videobelmomenten geen directe zorgen zijn geconstateerd die contact tussen de vader en [minderjarige] in de weg staan. Hij heeft gesteld dat het contact tussen hem en [minderjarige] op zo kort mogelijke termijn opnieuw moet worden hersteld en opgebouwd. Daarbij heeft de vader zorgen over mogelijke vervreemding van [minderjarige] ten opzichte van de vader, omdat hij [minderjarige] sinds december 2024 niet meer fysiek heeft gezien. Verder heeft de vader aangegeven dat het verslag van de psycholoog voornamelijk is gebaseerd op verklaringen van horen zeggen en niet op basis van objectieve waarnemingen van de psycholoog zelf. Het verslag van De Ambulante Coach is wel opgesteld vanuit objectieve waarnemingen, waardoor aan dit verslag doorslaggevende waarde moet gehecht.
De moeder maakt zich zorgen over [minderjarige] en heeft benadrukt dat van belang is dat haar trauma’s niet verergeren. De moeder is van mening dat van de vader verwacht kan worden dat hij geduld heeft en dat het contactherstel moet plaatsvinden op het tempo van [minderjarige] .
Verder heeft de moeder aangegeven dat een raadsonderzoek nodig is.
De rechtbank overweegt dat uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is gebleken dat de contactmomenten zorgen voor een toename van de klachten bij [minderjarige] . De Raadsvertegenwoordiger heeft op de zitting aangegeven dat zij de klachten van [minderjarige] niet vaak zo hevig heeft gezien bij een kind van deze leeftijd. In dit kader merkt de rechtbank op dat de moeder op de zitting heeft aangegeven dat [minderjarige] zich nog maar nauwelijks in woorden kan uitdrukken. De rechtbank overweegt dat zij het in het belang van [minderjarige] vindt dat de vader een rol in haar leven houdt, maar dat voor (fysiek) contact eerst ruimte bij [minderjarige] moet worden gecreëerd. [minderjarige] zal nog intensief worden behandeld, gelet op de hulpverlening die de psycholoog voor [minderjarige] nodig acht. Uit het verslag van de psycholoog blijkt dat zij zich baseert op verklaringen van de moeder, maar eveneens haar eigen waarnemingen heeft meegewogen. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de vader dat het verslag van de psycholoog niet (voldoende) objectief zou zijn. De rechtbank is van oordeel dat het voor een goed verloop van de behandelingen van [minderjarige] op dit moment niet wenselijk is als er daarnaast contact tussen de vader en [minderjarige] plaatsvindt, mede gelet op de constatering van de psycholoog dat [minderjarige] sinds het contact met de vader gedrag liet zien dat passend is bij het opnieuw opvlammen van trauma’s die eerder tot rust waren gekomen. De rechtbank acht vaststelling van een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] dan ook niet in het belang van [minderjarige] . De rechtbank zal de zaak niet aanhouden in afwachting van het verloop van de behandelingen van [minderjarige] , nu met de behandelingen de nodige tijd zal zijn gemoeid en de rechtbank het van belang acht dat er de komende tijd rust en duidelijkheid komt voor de moeder en [minderjarige] . Verder ziet de rechtbank geen aanleiding om een raadsonderzoek te gelasten, zoals de Raad op de zitting heeft geadviseerd, nu er naar het oordeel van de rechtbank geen nieuwe relevante informatie van een raadsonderzoek is te verwachten. De rechtbank zal daarom een eindbeschikking wijzen.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de verzoeken van de vader tot vaststelling van een zorgregeling en regeling ten aanzien van de vakanties en feestdagen afwijzen.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
wijst de verzoeken van de man af;
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 18 mei 2026.