ECLI:NL:RBDHA:2026:16359

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 mei 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
C/09/682109 / FA RK 25-2060 en C/09/689982 / FA RK 25-6097
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:93 BWArt. 1:94 BWArt. 1:251a BWArt. 1:253a BWArt. 1:402 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen en gelast raadsonderzoek naar gezag en zorgregeling

Partijen zijn gehuwd sinds 2019 en hebben een minderjarig kind. De rechtbank spreekt de echtscheiding uit en behandelt diverse nevenvoorzieningen zoals gezag, hoofdverblijfplaats, zorgregeling, kinderalimentatie, en verdeling van de huwelijksgemeenschap.

Gezien de complexe situatie met onderlinge spanningen en vermoedens van huiselijk geweld, gelast de rechtbank een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming om advies uit te brengen over het gezag, hoofdverblijfplaats en zorgregeling. Totdat het rapport is ontvangen, blijft de voorlopige zorgregeling van kracht.

De rechtbank bepaalt dat het hoofdverblijf van het kind voorlopig bij de vrouw blijft en dat het kind naar een basisschool in haar omgeving gaat. De man moet kinderalimentatie betalen, met een bedrag dat stijgt zodra de vrouw een eigen woning heeft.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap wordt vastgesteld, waarbij de man de echtelijke woning kan overnemen of deze wordt verkocht. De man krijgt een vergoedingsrecht voor privémiddelen die hij in de woning heeft geïnvesteerd. Verder regelt de rechtbank de toedeling van de inboedel, bankrekeningen, auto en gouden munten, en stelt zij een gebruiksvergoeding voor de woning vast.

De rechtbank wijst verzoeken af die niet zien op gezag, hoofdverblijfplaats, zorgregeling en proceskosten en houdt verdere beslissingen aan tot na ontvangst van het rapport van de Raad.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken met gelast onderzoek naar gezag en zorgregeling, kinderalimentatie vastgesteld en huwelijksgemeenschap verdeeld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige kamer
Rekestnummers: FA RK 25-2060 (echtscheiding) en FA RK 25-6097 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/682109 (echtscheiding) en C/09/689982 (verdeling)
Datum beschikking: 22 mei 2026

Echtscheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 17 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D. van den Bout-Kuhlmann te Voorburg .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. P.C. Burger te Den Haag.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het F9-formulier van 31 maart 2025 van de advocaat van de vrouw, met bijlage;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek;
- het verweer tegen het zelfstandig verzoek;
- het F9-formulier van 14 augustus 2025 van de advocaat van de man;
- het verweerschrift van 9 oktober 2025 van de advocaat van de man;
- het verweerschrift van 23 maart 2026 van de advocaat van de vrouw;
- het F9-formulier van 9 april 2026 van de advocaat van de man, met bijlagen;
- het F9-formulier van 9 april 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlagen;
- het F9-formulier van 10 april 2026 van de advocaat van de vrouw, met bijlage.
Op 20 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam] , namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
Op de zitting heeft de advocaat van de man pleitnotities overgelegd.

Feiten

- Partijen zijn gehuwd op [datum 1] 2019 te [plaats 1] .
- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:
- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , hierna: [minderjarige] .
- Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .
- Deze rechtbank heeft op 26 augustus 2025 voorlopige voorzieningen getroffen, waarbij, voor zover hier van belang:
o is bepaald dat [minderjarige] aan de vrouw zal worden toevertrouwd;
o is bepaald dat de man voorlopig gerechtigd is om [minderjarige] bij zich te hebben:
- met ingang van 26 augustus 2025: op zondag van 13.00 uur tot 18.30 uur;
- met ingang van 9 september 2025: op zondag van 10.00 uur tot 18.30 uur;
- met ingang van 21 oktober 2025: op woensdag van 13.00 uur tot 18.30 uur en op zondag van 10.00 uur tot 18.30 uur;
waarbij geldt dat de vrouw [minderjarige] bij aanvang van het contactmoment naar de man brengt en de man [minderjarige] na het contactmoment bij de vrouw zal terugbrengen;
o is bevolen dat de man op zondag 31 augustus 2025 aan de vrouw een doos met ongeveer de helft van het speelgoed van [minderjarige] beschikbaar zal stellen, welk speelgoed moet aansluiten bij de belangstelling en ontwikkelingsleeftijd van [minderjarige] ;
o is bepaald dat de man aan de vrouw, met ingang van 26 augustus 2025, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 230,- zal betalen en zodra de vrouw een eigen woning heeft van € 319,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
o de vrouw niet-ontvankelijk is verklaard in haar verzoeken ten aanzien van het verbod tot het plaatsen van foto’s en filmpjes van [minderjarige] op sociale media en vervangende toestemming inschrijving school;
o is vastgesteld dat partijen bij proces-verbaal van doorverwijzing zijn verwezen naar het Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan het traject Ouderschapsbemiddeling, en voor aanmelding bij de uitvoerende hulpverleningsinstantie.
- Bij beschikking van 17 oktober 2025 van deze rechtbank is – voor zover hier van
belang –:
o toestemming aan de moeder verleend – welke toestemming die van de vader vervangt – ten behoeve van de inschrijving op basisschool [basisschool 1] te [plaats 1] of basisschool [basisschool 2] te [plaats 1] van [minderjarige] ;
o toestemming aan de vader verleend – welke toestemming die van de moeder vervangt – ten behoeve van de inschrijving op basisschool [basisschool 3] te [plaats 2] , basisschool [basisschool 4] te [plaats 3] of basisschool [basisschool 5] te [plaats 3] van [minderjarige] .
- Bij proces-verbaal van de behandeling in kort geding op 9 december 2025 van deze
rechtbank zijn partijen – voor zover hier van belang – het volgende overeengekomen:
o de zorgregeling zal worden hervat conform de beschikking van 26 augustus 2025 per omgaande. Partijen zijn het erover eens dat de overdracht in het vervolg onbelast dient te verlopen voor [minderjarige] ;
o beide partijen zullen zich daar tot het uiterste voor inspannen. Dat betekent dat de vrouw bij de voordeur van de man de overdracht kan doen plaatsvinden. Partijen zullen bij de overdracht geen enkele discussie met elkaar aangaan noch informatie uitwisselen. Noodzakelijke informatie zal worden gedeeld via een omgangsschrift dat zal worden aangeschaft door de vrouw. Daarin zullen uitsluitend feiten [minderjarige] betreffend mogen worden opgenomen. Dat betreft in ieder geval wat zij gegeten heeft en hoe vaak zij geplast en gepoept heeft en in ieder geval ook het tijdstip van de laatste wc-gang. Indien er medicijnen moeten worden gebruikt, zal dat eveneens in het schrift worden vermeld en de betreffende medicijnen worden meegegeven. De man zal ook in een paar punten aangeven wat hij die dag met [minderjarige] heeft gedaan;
o partijen verplichten zich [minderjarige] op geen enkele manier te belasten met hun geschil en haar geen opdrachten te geven en niet lelijk te praten over de andere ouder in het bijzijn van [minderjarige] ;
o behalve de communicatie via het omgangsschrift zullen de ouders voorlopig niet separaat, ook niet per e-mail, met elkaar communiceren, tenzij zich een noodgeval voordoet. In dat geval zijn de ouders verplicht elkaar op de hoogte te brengen;
o de vrouw is gerechtigd haar vader mee te nemen naar de locatie van de man. Opa zal in de auto blijven zitten en zich niet met de communicatie tussen partijen mogen bemoeien, tenzij het tot een handgemeen komt;
o de man is gerechtigd zijn moeder mee te nemen in de auto, ook zij mag zich niet met de communicatie bemoeien en dient in de auto te wachten;
o partijen zullen elkaar bij de overdracht vriendelijk begroeten en [minderjarige] ook positief overdragen aan de andere ouder en haar veel plezier wensen. Daarmee geven zij haar het gevoel dat zij achter de overdracht staan naar de andere ouder en voorkomen zo spanning bij [minderjarige] ;
o de vrouw is niet gerechtigd audio- en/of video-opnamen te maken van de overdracht. Haar veiligheid is voldoende gewaarborgd doordat zij haar vader in de auto mee kan nemen naar de overdrachtslocatie.

Verzoek en verweer

De vrouw heeft – na wijziging en aanvulling – verzocht tussen partijen de echtscheiding uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
  • te bepalen dat het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vrouw is;
  • primair te bepalen dat de vrouw het eenhoofdig ouderlijk gezag over [minderjarige] heeft,
subsidiair een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming te gelasten om te onderzoeken en adviseren welke gezagsvoorziening in het belang van [minderjarige] is;
- te bepalen dat de man aan de vrouw voor [minderjarige] een bijdrage in de kosten van
verzorging en opvoeding is verschuldigd van € 523,- per maand, te vermeerderen met iedere uitkering die de man voor [minderjarige] ontvangt of waarop hij recht heeft, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen vóór de eerste dag van iedere kalendermaand, welke kinderalimentatie jaarlijks wordt geïndexeerd, voor het eerst per 1 januari 2027;
- primair te bepalen dat:
o de echtelijke woning te [plaats 3] , [gemeente] , aan de [adres 1] , binnen veertien dagen na de beschikking dan wel binnen een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn in de verkoop dient te worden gebracht via een door de rechtbank aan te wijzen NVM-makelaar, waarbij de vrouw de rechtbank verzoekt een keuze te maken tussen de volgende drie makelaars:
- [makelaarskantoor 1] : [adres 2] [plaats 3] ;
- [makelaarskantoor 2] : [adres 3] [plaats 3] ;
- [makelaarskantoor 3] : [adres 4] [plaats 3] ;
o de man zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke medewerking dient te verlenen aan het binnen deze termijn mede verstrekken van de opdracht aan deze makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde-koper, alsmede dat deze makelaar-taxateur – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend zal adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
o de man alle handelingen onmiddellijk en onvoorwaardelijk dient te verrichten die nodig zijn om te komen tot een spoedige verkoop van de woning aan een derde, zoals het meewerken aan het maken van foto’s door de makelaar en aan bezichtigingen, het leveren van een set sleutels aan de makelaar binnen de door de makelaar gestelde termijn, het tekenen van de koopovereenkomst binnen de door de makelaar gestelde termijn, en zich dient te onthouden van handelingen die een spoedige verkoop belemmeren;
o de man ervoor dient te zorgen dat de woning in behoorlijke staat en opgeruimd is ten tijde van het maken van de foto’s en ten tijde van de bezichtigingen;
o de man zijn onvoorwaardelijke en onmiddellijke medewerking dient te verlenen aan alle handelingen die noodzakelijk zijn voor de levering van de woning aan de derde-koper ervan, waartoe hij door de notaris verzocht wordt, binnen de door de notaris gestelde termijnen, waaronder het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, het tekenen van de transportakte of het tekenen en afgeven van een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn;
o de man binnen uiterlijk veertien dagen voor de notariële levering van de woning aan een derde-koper de woning dient te hebben verlaten en de woning in een goede staat, leeg en bezemschoon dient op te leveren;
o de kosten in verband met de verkoop en levering van de woning, waaronder de kosten van de makelaar, eventuele verkoopkosten en kosten gemoeid met de notariële levering, dienen te worden voldaan door de man zonder verrekening met de vrouw;
o de eventuele (restant) hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht dient te worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;
o de netto-verkoopopbrengst van de woning bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld;
o indien de man weigerachtig is te voldoen aan (enig onderdeel van) de beschikking, hij een dwangsom verbeurt van € 1.000,- per dag – een gedeelte van een dag te zien als een dag – met een maximum van € 100 .000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en te stellen maximum;
o de beschikking op grond van artikel 3:300 BW Pro dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte en derhalve in de plaats treedt van alle (rechts)handelingen die de man dient te verrichten in verband met de verkoop en notariële levering van de woning aan een derde-koper;
o als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van de man, de man de kosten die de makelaar in rekening brengt bij uitsluiting dient te voldoen. Dit geldt ook voor schade en/of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van de man bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan een derde-koper;
- subsidiair, indien en voor zover de rechtbank mocht beslissen dat de echtelijke woning aan de man wordt toebedeeld, te bepalen dat:
o de echtelijke woning te [plaats 3] , [gemeente] , aan de [adres 1] , binnen veertien dagen na heden dan wel binnen een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn bindend dient te worden getaxeerd door een door de rechtbank aan te wijzen NVM-makelaar, waarbij de vrouw verzoekt een keuze te maken tussen de volgende drie makelaars:
- [makelaarskantoor 1] : [adres 2] [plaats 3] ;
- [makelaarskantoor 2] : [adres 3] [plaats 3] ;
- [makelaarskantoor 3] : [adres 4] [plaats 3] ;
o de man zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke medewerking dient te verlenen aan het invullen en ondertekenen van door de makelaar geleverde formulieren ten behoeve van de opdracht tot taxatie, alsmede tot het aanleveren van eventueel door de makelaar verzochte documenten;
o de kosten van de makelaar en taxatie door de man dienen te worden voldaan zonder verrekening met de vrouw, aangezien hij de woning toebedeeld wenst te krijgen;
o de man binnen één week na ontvangst van het taxatierapport aan de vrouw schriftelijk dient mede te delen of hij de woning toegedeeld wil krijgen voor de getaxeerde waarde. Als de man de toedeling van de woning wenst, krijgt hij vanaf die datum van mededeling één maand de gelegenheid te onderzoeken of hij deze toedeling kan financieren en daarmee de vrouw kan laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;
o de overwaarde (getaxeerde waarde minus de hypothecaire geldlening op het moment van levering van de woning) tussen partijen bij helfte dient te worden verdeeld;
o bij de toedeling van de woning aan de man alle kosten verbonden aan de verdeling en levering voor zijn rekening komen zonder verrekening met de vrouw;
o als het de man niet lukt de financiering binnen voornoemde periode te regelen, de woning binnen veertien dagen na die datum in de verkoop dient te worden gebracht via dezelfde makelaar als de makelaar die de woning getaxeerd heeft. De man dient zijn onmiddellijke en onvoorwaardelijke medewerking te verlenen aan het binnen deze termijn mede verstrekken van de opdracht aan deze makelaar-taxateur tot verkoop van de woning aan een derde-koper. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
o de man alle handelingen onmiddellijk en onvoorwaardelijk dient te verrichten die nodig zijn om te komen tot een spoedige verkoop van de woning aan een derde, zoals het meewerken aan het maken van foto’s door de makelaar en aan bezichtigingen, het leveren van een set sleutels aan de makelaar binnen de door de makelaar gestelde termijn, en zich dient te onthouden van handelingen die een spoedige verkoop belemmeren. De man dient ervoor te zorgen dat de woning in behoorlijke staat en opgeruimd is ten tijde van het maken van de foto’s en ten tijde van de bezichtigingen;
o de man zijn onvoorwaardelijke en onmiddellijke medewerking dient te verlenen aan alle handelingen die noodzakelijk zijn voor de levering van de woning aan de koper ervan, waartoe door de notaris verzocht wordt, binnen de door de notaris gestelde termijnen, waaronder het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, het tekenen van de transportakte of een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn;
o de man binnen uiterlijk veertien dagen voor de notariële levering van de woning aan een derde-koper de woning dient te hebben verlaten en de woning in een goede staat, leeg en bezemschoon dient op te leveren;
o de kosten in verband met de verkoop en levering van de woning, waaronder de kosten van de makelaar, eventuele verkoopkosten en kosten gemoeid met de notariële levering, dienen te worden voldaan door de man zonder verrekening met de vrouw;
o de eventuele (restant) hypothecaire geldlening bij gelegenheid van de eigendomsoverdracht dient te worden afgelost uit de verkoopopbrengst van de woning;
o de netto-verkoopopbrengst van de woning bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld;
o indien de man weigerachtig is te voldoen aan (enig onderdeel van) de beschikking, hij een dwangsom verbeurt van € 1.000,- per dag – een gedeelte van een dag te zien als een dag – met een maximum van € 100 .000,-, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dwangsom en te stellen maximum;
o de beschikking op grond van artikel 3:300 BW Pro dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte en derhalve in de plaats treedt van alle (rechts)handelingen die de man dient te verrichten in verband met de verkoop en notariële levering van de woning aan een derde-koper;
o als de makelaar de opdracht tot verkoop van de echtelijke woning teruggeeft wegens gebrek aan medewerking van de man, de man de kosten die de makelaar in rekening brengt bij uitsluiting dient te voldoen. Dit geldt ook voor schade en/of extra onkosten veroorzaakt door het niet-meewerken van de man bij de afwikkeling bij de notaris en door het niet correct opleveren van het huis aan een derde-koper;
- de inboedel van de echtelijke woning te verdelen conform bijgevoegde
inboedelverdelingslijst (productie 43), vast te stellen dat de man hierdoor wordt overbedeeld, en te bepalen dat hij op grond daarvan het bedrag van € 6.890,- aan de vrouw dient te vergoeden, te voldoen binnen een week na de beschikking;
- te bepalen dat de vrouw per 9 december 2024 dan wel per een door de rechtbank te
bepalen datum recht heeft op een gebruiksvergoeding van de man voor haar 50% aandeel in de eigendomsrechten van de echtelijke woning te [plaats 3] aan de [adres 1] , welke vergoeding kan worden weggestreept tegen de door de vrouw eventueel verschuldigde 50% van de (eigendoms)lasten van voornoemde woning, dan wel zodanig te beslissen ter zake zoals de rechtbank juist en redelijk acht;
- te bepalen dat, indien de rechtbank van mening is dat de vrouw ingaande 17 maart
2025 nog voor 50% dient mee te betalen aan de maandelijks verschuldigde aflossingen ad in totaal € 209,67 per maand ter zake de betreffende hypothecaire geldlening, dit wordt verrekend bij de eigendomsoverdracht van de echtelijke woning aan de man of een derde-koper, dan wel zodanig te beslissen ter zake zoals de rechtbank juist en redelijk acht;
- te bepalen dat de tot de beperkte gemeenschap van goederen behorende
bankrekeningen dienen te worden beëindigd. Een positief saldo per de peildatum dient bij helfte tussen partijen te worden verdeeld. Een negatief saldo per de peildatum dient door beide partijen ieder voor de helft te worden aangezuiverd;
- te bepalen dat de personenauto Ford Focus Active Business, kenteken [kenteken] ,
wordt toebedeeld aan de man tegen de waarde ad € 14.900,-, zodat de man aan de vrouw dient te vergoeden het bedrag van € 7.450,-, te voldoen aan de vrouw binnen een week na de beschikking;
- te bepalen dat de man aan de vrouw dient te vergoeden ingaande 1 januari 2025 tot
aan de datum van eigendomsoverdracht van de echtelijke woning aan hem dan wel een derde-koper het bedrag ad € 79,13 per maand ter zake de woonverzekering van de echtelijke woning, zoals onder punt 83 omschreven, dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank juist en redelijk acht;
- te bepalen dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft op de beperkte gemeenschap
en/of de man van € 12.500,-, zoals onder sub 86 vermeld, welk bedrag wordt verrekend bij de eigendomsoverdracht van de echtelijke woning aan de man dan wel een derde-koper, dan wel zodanig te beslissen zoals de rechtbank juist en redelijk acht;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en met compensatie van kosten.
De man heeft zich gerefereerd ten aanzien van het verzoek tot het uitspreken van de echtscheiding. De man heeft voor het overige verweer gevoerd, dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man zelfstandig verzocht – na aanvulling – om de echtscheiding uit te spreken met de volgende nevenvoorzieningen:
- een zorgregeling vast te stellen, aldus dat [minderjarige] bij de man is conform het voorstel
als beschreven onder randnummer 26 en 27 van het verweerschrift;
- een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen als beschreven onder
randnummer 28 van het verweerschrift;
- de toestemming te verlenen, welke de toestemming van de vrouw vervangt, om
[minderjarige] per [datum 2] 2026 in te schrijven primair op basisschool [basisschool 3] te [plaats 2] , subsidiair op basisschool [basisschool 4] of [basisschool 5] te [plaats 3] ;
- te bepalen dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning te [plaats 3] aan de [adres 1] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
- te bepalen in het kader van de verdeling van de beperkte huwelijksgoederengemeenschap:
o ten aanzien van de echtelijke woning:
de woning staande en gelegen aan de [adres 1] te [plaats 3] wordt aan de man toegedeeld op de volgende wijze:
o binnen een week na afgifte van de beschikking wijst de man drie NVM-makelaars in [plaats 3] aan waaruit de vrouw binnen een week na de aanwijzing een makelaar kiest die de woning zal taxeren en waarbij partijen de kosten van de taxatie gelijkelijk dragen;
o de man zal binnen vier maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de burgerlijke stand aan de vrouw aantonen dat hij in staat is de woning tegen de getaxeerde waarde over te nemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
o de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte verdeeld dan wel gedragen, waarbij de over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus het vergoedingsrecht van de man;
o de kosten van de notariële overdracht worden door partijen bij helfte gedragen;
partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
o ten aanzien van de bank- en spaarrekeningen te bepalen dat de gemeenschappelijke bankrekeningen worden opgeheven onder verdeling van de saldi per de peildatum alsook te bepalen dat ieder der partijen de op zijn/haar naam staande bankrekening(en) krijgt toegedeeld onder verdeling/verrekening van de saldi (positief of negatief) per de peildatum;
o te bepalen dat de auto Ford Focus met kenteken [kenteken] wordt toegedeeld aan de man onder gehoudenheid aan de vrouw een bedrag ad € 3.000,- te voldoen en welke som wordt verrekend met het onder 5 door de vrouw aan de man verschuldigde;
o ten aanzien van de inboedelgoederen te bepalen dat partijen elk gerechtigd zijn tot een gelijke waarde van deze goederen;
o ten aanzien van de door de man betaalde aflossingen op de hypotheek te bepalen dat de man gerechtigd is tot betaling door de vrouw aan hem van de helft van deze lasten vanaf 17 maart 2025, derhalve een bedrag ad € 202,77 per maand tot aan de datum van levering van de woning aan hem;
o te bepalen dat de man gerechtigd is tot teruggave van een bedrag ad € 14.933,- ten titel van ontvangen giften door de vrouw aan hem te voldoen;
o te bepalen dat de vrouw de helft van de gouden Çeyrek munten naar een gelijke waarde aan de man overdraagt;
  • het verzoek van de vrouw ten aanzien van de gebruiksvergoeding primair af te wijzen, subsidiair toe te wijzen met dien verstande dat de gebruiksvergoeding die de man aan de vrouw zal voldoen, kwalificeert als bijdrage in haar levensonderhoud en te bepalen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie heeft verstrekt over de periode van 17 maart 2025 tot aan de dag van registratie van de echtscheidingsbeschikking in de daartoe bestemde gemeenteregisters ter hoogte van de helft van de door hem betaalde hypotheekrente van de op de echtelijke woning rustende hypothecaire geldlening;
  • te bepalen dat de man ten titel van vergoedingsrecht op de gemeenschap gerechtigd is tot teruggave van een bedrag ad € 385.022,34, zodat de vrouw, bij toedeling van de echtelijke woning aan de man, aan de man is verschuldigd € 43.338,-;
een en ander voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Beoordeling

Echtscheiding
Ontvankelijkheid
Bij het indienen van een verzoek tot echtscheiding is het wettelijk verplicht om een ouderschapsplan over te leggen. De ouders hebben dat niet gedaan. De rechtbank stelt vast dat het de ouders niet is gelukt om ten aanzien van [minderjarige] tot overeenstemming te komen. Daarom beoordeelt de rechtbank het verzoek tot echtscheiding.
Inhoudelijke beoordeling
De vrouw heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft dit erkend en heeft eveneens verzocht om de echtscheiding uit te spreken, zodat de verzoeken tot echtscheiding als op de wet gegrond kunnen worden toegewezen.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en hoofdverblijfplaats
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Op grond van sub a van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank op verzoek van de ouders of een van hen een toedeling aan ieder van de ouders van de zorg- en opvoedingstaken vaststellen. Op grond van sub b van het tweede lid van artikel 1:253a BW kan de rechtbank beslissen bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van voornoemd artikel, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Standpunt man
De man heeft verzocht om vaststelling van een zorgregeling met opbouw, waarbij [minderjarige] met ingang van de beschikking de eerste twee weken iedere woensdag en zondag van 09.00 uur tot 18.30 uur bij de man verblijft. De man wil dat wordt toegewerkt naar een regeling, waarbij [minderjarige] de ene week op woensdag van 09.00 uur tot 18.30 uur en van vrijdag 17.00 uur tot maandagochtend 08.00 uur en in de andere week op woensdag en zaterdag van 09.00 uur tot 18.30 uur bij de man is. Ook heeft de man een verdeling van de vakanties en feestdagen verzocht. De man is van mening dat hij [minderjarige] in de huidige regeling te weinig ziet. De man wil dat de zorg voor [minderjarige] gelijk tussen de ouders wordt verdeeld. Daartoe heeft de man aangevoerd dat hij aan [minderjarige] merkt dat zij meer tijd met haar vader nodig heeft. Het afscheid tussen de man en [minderjarige] valt haar zwaar, mede omdat de tijd die zij met elkaar kunnen doorbrengen erg kort is. Ook geeft de vrouw geen (volledige) emotionele toestemming aan [minderjarige] voor het contact met de man, wat spanningen bij [minderjarige] veroorzaakt. Verder heeft de man aangegeven dat hij ervan uitgaat dat wordt toegewerkt naar een gelijkwaardige zorgregeling, waardoor er geen aanleiding is om enig hoofdverblijf van [minderjarige] vast te stellen. De man heeft daarom niet zelfstandig verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen. De man stemt wel in met een inschrijving van [minderjarige] op het adres van de vrouw.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft zich verzet tegen het verzoek van de man. Zij heeft gesteld dat de voorlopige regeling op dit moment de maximale zorgregeling is die in het belang van [minderjarige] is. Daartoe heeft de vrouw aangevoerd dat [minderjarige] alarmerend gedrag laat zien. [minderjarige] geeft aan dat zij niets van de man mag zeggen tegen de vrouw, [minderjarige] heeft constante bevestiging nodig en [minderjarige] heeft verlatingsangst en slaapproblemen. [minderjarige] voelt veel spanning en heeft daardoor een verhoogde behoefte aan rust, structuur en voorspelbaarheid. Daarbij heeft de kinderarts voor [minderjarige] psychologische hulp geïndiceerd, welke nog niet is gestart. Op advies van de huisarts gaat [minderjarige] in de tussentijd naar de POH. De hulpverlening voor [minderjarige] moet worden afgewacht voordat uitbreiding van de zorgregeling aan de orde kan zijn, aldus de vrouw. Ook heeft de vrouw aangegeven dat de man zich niet respectvol gedraagt tijdens de overdrachtsmomenten. De vrouw mag van de man niet op ‘zijn’ terrein komen en wordt door de man voor de oprit van de echtelijke woning opgewacht. Een overdracht zonder begeleiding is daarom voor de vrouw niet haalbaar. Bovendien heeft de vrouw toegelicht dat zij is gediagnosticeerd met PTSS als gevolg van intieme terreur en huiselijk geweld door de man tijdens het huwelijk. De vrouw heeft hiervan aangifte gedaan bij de politie. De vrouw heeft wekelijks psychologische hulpverlening, onder meer in de vorm van EMDR-therapie. De vrouw heeft verzocht om het hoofdverblijf van [minderjarige] bij haar vast te stellen.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat het voor de ontwikkeling van [minderjarige] belangrijk is dat zij regelmatig contact heeft met haar vader. Gebleken is dat de voorlopige regeling op dit moment wordt uitgevoerd, ondanks de spanningen die er zijn tussen de ouders. De rechtbank wil de ouders daarvoor een compliment geven. Tegelijkertijd ziet de rechtbank dat beide ouders een andere visie hebben over wat er zich heeft afgespeeld gedurende hun relatie. De vrouw heeft aangegeven dat sprake was van intieme terreur en huiselijk geweld door de man. De man heeft dit betwist en gesteld dat de vrouw hem als vader van [minderjarige] buitenspel zet. Op de zitting heeft de Raad aangegeven dat een raadsonderzoek nuttig zou kunnen zijn in deze situatie. In een raadsonderzoek kan gesproken worden met iedereen om [minderjarige] heen, waardoor de Raad advies kan geven over wat het meest in het belang van [minderjarige] is. Op de zitting hebben de man en de vrouw ingestemd met het gelasten van een onderzoek door de Raad, althans hebben zich niet daartegen verzet.
Gelet op het voorgaande en de complexiteit van de situatie, acht de rechtbank zich onvoldoende geïnformeerd om een definitieve beslissing op de verzoeken te nemen. De rechtbank is daarom, gelet op hetgeen uit de stukken en op de zitting naar voren is gekomen, van oordeel dat een onderzoek door de Raad geïndiceerd is. Dit onderzoek moet in ieder geval gericht zijn op de volgende vragen:
- Is vaststelling van een omgangs-/zorgregeling met de man in het belang van
[minderjarige] ?
Zo ja, hoe dient de omgangs-/zorgregeling met de man er qua aard, duur en frequentie uit te zien?
- Welke mogelijkheden en/of belemmeringen ziet de Raad bij de vaststelling van de
hoofdverblijfplaats bij één van de ouders?
- Is (nadere) hulpverlening voor de man, de vrouw en/of [minderjarige] noodzakelijk? Zo ja,
welke hulpverlening wordt geadviseerd?
  • Zijn er zorgen over de veiligheid van [minderjarige] bij de man en/of de vrouw?
  • Zijn er volgens de Raad nog andere zaken van belang bij de beoordeling van de
zaak?
Indien nodig geacht kan de Raad het onderzoek uitbreiden met onderzoek naar een kinderbeschermingsmaatregel.
De rechtbank overweegt dat de vrouw in de stukken heeft laten weten dat zij de huidige zorgregeling de hoogst haalbare acht, maar zich op de zitting op het standpunt heeft gesteld dat het contact tussen [minderjarige] en de man moet worden gestopt. De rechtbank deelt deze laatste opvatting niet en is van oordeel dat zich sinds het kort geding van 9 december 2025 geen omstandigheden hebben voorgedaan waardoor het contact tussen de man en [minderjarige] voorlopig moet worden ontzegd. In afwachting van het onderzoek van de Raad ziet de rechtbank eveneens geen aanleiding om de zorgregeling nu uit te breiden. De rechtbank zal daarom bepalen dat de regeling zoals bepaald in de voorlopige voorzieningenprocedure voorlopig blijft doorlopen. Daarbij overweegt de rechtbank dat [minderjarige] na de zomer van 2026 naar school zal gaan. De rechtbank merkt op dat zij het te onrustig voor [minderjarige] acht om op woensdag door de vrouw uit school te worden gehaald, naar de man te worden gebracht en na het contactmoment wederom door de vrouw te worden opgehaald. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de man [minderjarige] op woensdag uit school ophaalt. Gelet hierop zal de rechtbank de volgende voorlopige zorgregeling vaststellen. [minderjarige] zal aldus bij de man verblijven:
- op woensdag uit school tot 18.30 uur, waarbij de man [minderjarige] uit school haalt en de vrouw [minderjarige] om 18.30 uur bij de man ophaalt;
- op zondag van 10.00 uur tot 18.30 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] bij aanvang van het contactmoment naar de man brengt en de man [minderjarige] na het contactmoment bij de vrouw zal terugbrengen.
Verder zal de rechtbank bepalen dat de vrouw twee aaneensluitende weken in de zomervakantie van 2026 met [minderjarige] op vakantie mag gaan als de vrouw dat wenst. De zorgregeling tussen de man en [minderjarige] zal gedurende deze twee weken worden stopgezet.
De rechtbank gaat ervan uit dat partijen zich bij de overdracht van [minderjarige] aan de afspraken houden die zij hebben gemaakt bij de behandeling in kort geding op 9 december 2025.
Iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en de hoofdverblijfplaats zal worden aangehouden tot na te melden pro formadatum. Na ontvangst van het rapport met het advies van de Raad zal de rechtbank bezien of een nadere mondelinge behandeling nodig is. Indien de behandeling ter zitting wordt voortgezet, zal ook de Raad voor deze zitting worden opgeroepen.
Gezag
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:251a, eerste lid, BW kan de rechter na ontbinding van het huwelijk op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over de kinderen aan één ouder toekomt, indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft verzocht om te worden belast met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] . Zij heeft gesteld dat het handelen van de man niet in het belang is van [minderjarige] . Van de vrouw kan en mag niet worden verwacht dat zij nog vaker met de man wordt geconfronteerd. De man ontkent de door hem gepleegde intieme terreur en huiselijk geweld en ziet niet in wat de aantoonbare schadelijke gevolgen daarvan zijn voor [minderjarige] en de vrouw. Die schadelijke gevolgen zijn er echter wel – de vrouw heeft PTSS opgelopen – en van de vrouw kan dan ook niet verwacht worden dat zij met de man samen beslissingen neemt. eenhoofdig gezag is daarom anderszins in het belang van [minderjarige] . Subsidiair heeft de vrouw verzocht een onderzoek door de Raad te gelasten.
Standpunt man
De man heeft zich verzet tegen het verzoek. De man heeft erkend dat zijn uitlatingen in het verleden tegen de vrouw geen schoonheidsprijs verdienen, maar hij heeft aangegeven dat deze geen reden zijn om de vrouw met het eenhoofdig gezag te belasten. Beide partijen hebben een rol gehad in de partnerdynamiek. Verder heeft de man aangevoerd dat de door de vrouw overgelegde stukken al beoordeeld zijn door de rechtbank in de voorlopige voorzieningenprocedure, de procedure die zag op de schoolkeuze en in de kort gedingprocedure.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Op dit moment kan de rechtbank niet beoordelen wat de gevolgen zijn van toewijzing, dan wel afwijzing van het verzoek van de vrouw ten aanzien van het gezag en wat ervoor nodig is om een stabiele en duurzame situatie voor [minderjarige] te bewerkstelligen. Gelet hierop acht de rechtbank het van belang dat het onderzoek van de Raad zich ook richt op het gezag en verzoekt de Raad ook de volgende vragen te beantwoorden:
- Ziet de Raad mogelijkheden voor en/of belemmeringen bij de gezamenlijke
uitvoering van het gezag door de ouders? Wat is er nodig om eventuele belemmeringen op te heffen?
Iedere verdere beslissing ten aanzien van het gezag zal in afwachting van het onderzoek van de Raad worden aangehouden tot na te melden pro formadatum.
Vervangende toestemming inschrijving school/gezagsbeslissing basisschool [minderjarige]
Juridisch kader
Op grond van het eerste lid van artikel 1:253a BW kunnen in geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. Het is de rechtbank, gelet op het vijfde lid van voornoemd artikel, niet gelukt om een vergelijk tussen de ouders te beproeven. De rechtbank neemt daarom een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Standpunt man
De man heeft verzocht om vervangende toestemming om [minderjarige] per [geboortedatum] 2026 in te schrijven, primair op basisschool [basisschool 3] te [plaats 2] en subsidiair op basisschool [basisschool 4] of [basisschool 5] in [plaats 3] . Hij heeft aangevoerd dat de [basisschool 3] goed staat aangeschreven en dicht is gelegen bij de echtelijke woning en het werk van de man. Ook is de man bekend met de [basisschool 3] , omdat hij daar zelf ook basisonderwijs heeft gevolgd. Daarbij heeft de man gesteld dat de school aan de snelweg A4 ligt, welke weg de vrouw vier dagen per week aflegt richting haar werk in [wijk] . De [basisschool 3] is dus voor beide ouders goed aan te rijden, zowel om [minderjarige] in de ochtend naar school te brengen als haar weer op te halen. De man heeft aangegeven dat hij er geen bezwaar tegen heeft als [minderjarige] wordt ingeschreven op een school in [plaats 3] . De scholen [basisschool 4] en [basisschool 5] zijn eveneens goed aan te rijden voor beide ouders en staan goed aangeschreven. De man verzet zich tegen een school in [plaats 1] zoals de vrouw voorstaat, omdat dit voor het contact tussen hem en [minderjarige] niet praktisch is.
Standpunt vrouw
De vrouw heeft verweer gevoerd tegen de verzoeken van de man. Zij heeft aangegeven dat [minderjarige] is ingeschreven en toegelaten op een basisschool in [plaats 1] , in de buurt van de woning van de vrouw. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat het in het belang van [minderjarige] is dat zij naar deze school kan gaan.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt. Bij beschikking van 17 oktober 2025 heeft de rechtbank reeds vervangende toestemming verleend voor de inschrijving van [minderjarige] op zowel de door de man als de vrouw voorgestane scholen. De rechtbank zal de verzoeken van de man tot vervangende toestemming daarom aanmerken als een verzoek om te beslissen op het gezagsgeschil over naar welke basisschool [minderjarige] daadwerkelijk zal gaan. Op de zitting heeft de vrouw aangegeven dat zij meerdere scholen heeft bezocht en dat het niet praktisch is als [minderjarige] in [plaats 3] naar school zal gaan, omdat zij dan een uur met [minderjarige] in de auto moet zitten. Ook heeft de vrouw betwist dat enige van door de man genoemde scholen op de route ligt als zij naar haar werk gaat. De rechtbank overweegt dat [minderjarige] in de huidige zorgregeling wekelijks negen keer naar/van school naar de vrouw zal gaan en één keer vanuit school naar de man zal gaan. Het is nu nog niet duidelijk of er op een later moment een andere zorgregeling zal gelden, terwijl [minderjarige] wel nu moet worden ingeschreven op een basisschool. Gelet hierop sluit de rechtbank aan bij de nu geldende zorgregeling en acht de rechtbank het in het belang van [minderjarige] dat zij naar school gaat in de omgeving van de woning van de vrouw. [minderjarige] heeft in dat geval de minste reistijd en zij kan makkelijk(er) met klasgenootjes af te spreken. Daarbij merkt de rechtbank op dat de man geen inhoudelijke bezwaren heeft geuit tegen de door de vrouw voorgedragen scholen in [plaats 1] . Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken is de rechtbank evenwel niet duidelijk geworden op welke van de door de vrouw voorgestane twee scholen in [plaats 1] [minderjarige] momenteel staat ingeschreven. Daarom zal de rechtbank volledigheidshalve beslissen dat [minderjarige] naar basisschool [basisschool 1] dan wel basisschool [basisschool 2] zal gaan. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling en de berekening van de kinderalimentatie neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie opgenomen in het Rapport alimentatienormen als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
Om proceseconomische redenen zal de rechtbank eerst de ingangsdatum vaststellen. De rechtbank stelt voorop dat zij op grond van artikel 1:402 BW Pro een grote mate van vrijheid heeft bij het vaststellen van de ingangsdatum. Drie data liggen het meest voor de hand: de datum van het inleidend (zelfstandig) verzoek, de datum waarop de rechter beslist of de datum waarop de omstandigheden intreden die voor de onderhoudsverplichting bepalend zijn.
Nu er in de voorlopige voorzieningenprocedure een voorlopige bijdrage is bepaald, zal de rechtbank de kinderalimentatie vaststellen met ingang van de datum van deze beschikking.
Behoefte
Partijen zijn het erover eens dat voor de behoefte van [minderjarige] kan worden uitgegaan van hetgeen is vastgesteld in de voorlopige voorzieningenprocedure, te weten € 880,- per maand in 2024, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van [minderjarige] € 980,-.
De rechtbank zal met de door de vrouw aangevoerde extra kinderopvangkosten van € 70,- netto per maand geen rekening houden. Hiertoe overweegt de rechtbank dat de opvangkosten niet zodanig hoog zijn dat deze moeten worden geacht behoefteverhogend te werken. Bovendien zal [minderjarige] aan het eind van de zomer van 2026 naar school gaan en zullen de kinderopvangkosten daarmee vervallen.
De rechtbank zal hierna beoordelen in welke verhouding deze behoefte tussen partijen moet worden verdeeld.
Draagkracht
De behoefte van [minderjarige] moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders dient conform de aanbevelingen uit het rapport in beginsel te worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI - (0,3 x NBI + 1.365)].
Draagkracht vrouw
Voor de bepaling van de draagkracht van de vrouw gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.033,- bruto per maand en € 763,- IKB per maand, zoals blijkt uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties over januari tot en met maart 2026. Ook houdt de rechtbank rekening met een werkgeversbijdrage AOV van € 10,- bruto per maand, een tegemoetkoming ZVW van € 33,- netto per maand en een mobiliteitsbudget van € 41,- netto per maand. Verder zal de rechtbank uitgaan van de pensioen- en de arbeidsongeschiktheidspremies van respectievelijk € 310,- en € 47,- bruto per maand.
Het kindgebonden budget moet volgens vaste rechtspraak bij het inkomen van de desbetreffende ouder die het ontvangt, worden opgeteld. De rechtbank berekent het kindgebonden budget van de vrouw voor [minderjarige] aan de hand van bovenstaande inkomensgegevens op € 3.286,- per jaar.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de vrouw op € 4.498,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De man heeft gesteld dat de vrouw geen woonlasten heeft, omdat zij bij haar ouders woont. De rechtbank acht evenwel aannemelijk dat de vrouw kosten heeft en een bedrag aan woonlasten aan haar ouders betaalt, mede nu tussen partijen in de voorlopige voorzieningenprocedure niet in geschil was dat de vrouw € 500,- per maand aan haar ouders betaalde. Gelet hierop zal de rechtbank in haar berekening uitgaan van een bedrag van € 500,- aan werkelijke woonlasten van de vrouw. De rechtbank zal uitgaan van de forfaitaire woonlast vanaf het moment dat de vrouw beschikt over een eigen woning.
De draagkracht van de vrouw bedraagt dan volgens de formule:
voor de periode dat de vrouw geen eigen woning heeft: 70% x [4.498 – (500 + 1.365)]
= € 1.843,- per maand;
voor de periode dat de vrouw een eigen woning heeft: 70% x [4.498 – (0,3 x 4.498 + 1.365)] = € 1.249,- per maand.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 5.204,- bruto per maand, € 1.025,- IKB per maand en € 139,- aan IKB bovenwettelijk verlof, zoals blijkt uit de door de man overgelegde salarisspecificaties over januari tot en met maart 2026. Ook houdt de rechtbank rekening met een werkgeversbijdrage van € 22,- bruto per maand. Verder zal de rechtbank uitgaan van de pensioen- en de arbeidsongeschiktheidspremies van respectievelijk € 383,- en € 20,- bruto per maand.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de man op € 4.163,- per maand in 2026. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
De draagkracht van de man bedraagt volgens de formule € 1.084,- per maand
(70% x [4.163 - (0,3 x 4.163 + 1.365)]).
Draagkrachtvergelijking
De draagkracht van partijen bedraagt gezamenlijk € 2.927,- respectievelijk € 2.333,- per maand. Dit is voldoende om volledig in de behoefte van [minderjarige] van € 980,- te voorzien. De rechtbank zal daarom een draagkrachtvergelijking maken waarbij de behoefte naar rato van ieders draagkracht zal worden verdeeld. Hiervoor gebruikt de rechtbank de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte.
Voor de periode dat de vrouw geen eigen woning heeft:
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.084 / 2.927 x 980 = € 363,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.843 / 2.927 x 980 = € 617,-
samen € 980,-
Voor de periode dat de vrouw een eigen woning heeft:
Het eigen aandeel van de man bedraagt: 1.084 / 2.333 x 980 = € 455,-
Het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.249 / 2.333 x 980 = € 525,-
samen € 980,-
Van de behoefte van [minderjarige] komt een gedeelte van € 363,- respectievelijk € 455,- per maand voor rekening van de man. Een gedeelte van € 617,- dan wel € 525,- komt voor rekening van de vrouw.
Zorgkorting
Gelet op de vast te stellen voorlopige zorgregeling vindt de rechtbank het redelijk om een zorgkorting van 15% toe te passen. De zorgkorting voor [minderjarige] bedraagt daarmee € 147,- (15% van € 980,-).
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank bepalen dat de man, met ingang van de datum van deze beschikking tot dat de vrouw een eigen woning heeft, € 216,- per maand voor [minderjarige] aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen. De rechtbank zal bepalen dat de man, zodra de vrouw een eigen woning heeft, € 308,- per maand voor [minderjarige] aan kinderalimentatie aan de vrouw moet voldoen. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de kinderalimentatie zal de rechtbank afwijzen.
Verdeling huwelijksgemeenschap
Beperkte gemeenschap van goederen
Niet gesteld of gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Zij zijn op of na 1 januari 2018 met elkaar gehuwd, zodat gelet op het bepaalde in de artikelen 1:93 en 1:94 BW moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke beperkte gemeenschap van goederen bestond.
De rechtbank overweegt dat nu de echtgenoten gehuwd zijn in de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen, de (door indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) ontbonden huwelijksgemeenschap op grond van artikel 1:94, lid 2 en lid 7 BW bestaat uit de goederen en schulden die voor het huwelijk reeds gemeenschappelijk waren en uit de goederen die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn verkregen dan wel schulden die tijdens het huwelijk (en voorafgaand aan de indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding) zijn aangegaan, voor zover deze niet betrekking hebben op goederen die buiten de wettelijke beperkte gemeenschap vallen.
Bij de verdeling van de wettelijke beperkte gemeenschap van goederen moet als uitgangspunt worden genomen dat de echtgenoten in gelijke mate delen in de baten van de gemeenschap, terwijl ieder de lasten van de gemeenschap voor de helft moet dragen.
Peildatum
Voor de omvang en samenstelling van de ontbonden gemeenschap geldt als peildatum
17 maart 2025, zijnde de datum van indiening van het verzoekschrift tot echtscheiding. Voor de bepaling van de waarde van de te verdelen goederen geldt – voor zover de man en de vrouw niet anders overeenkomen dan wel de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich meebrengen – de datum van feitelijke verdeling. De rechtbank zal, zoals te doen gebruikelijk bij bankrekeningen en nu partijen niet anders zijn overeengekomen, als peildatum hanteren de datum van indiening van het verzoekschrift, te weten 17 maart 2025.
Omvang
Door partijen zijn de volgende bestanddelen en schulden van de gemeenschap naar voren gebracht:
het woonhuis aan de [adres 1] te [plaats 3] met de daaraan verbonden hypothecaire geldleningen;
de bankrekeningen;
1. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van de man en/of de vrouw;
2. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de man en/of de vrouw;
3. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de man en/of de vrouw;
4. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van de man en/of de vrouw;
5. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 5] op naam van de man en/of de vrouw;
6. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 6] op naam van de man en/of de vrouw;
7. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 7] op naam van de man en/of de vrouw;
8. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 8] op naam van de man en/of de vrouw;
9. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 9] op naam van de man en/of de vrouw;
10. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 10] op naam van de man en/of de vrouw;
11. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 11] op naam van de man en/of de vrouw;
12. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 12] op naam van de man;
13. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 13] op naam van de vrouw;
14. bankrekening eindigend op [rekeningnummer 14] op naam van de vrouw;
de inboedel;
de auto van het merk Ford Focus, met kenteken [kenteken] ;
gouden Çeyrek munten.
Ad a. het woonhuis
De man heeft aangegeven dat hij de echtelijke woning wil overnemen. Op de zitting is besproken dat de man de gelegenheid krijgt om te bezien of hij de vrouw kan uitkopen. Mocht dat niet lukken, dan moet de woning worden verkocht. De vrouw heeft zich daar niet tegen verzet. De rechtbank zal in het dictum een ‘spoorboekje’ opnemen, waarin is opgenomen hoe invulling moet worden gegeven aan een eventuele overname van de echtelijke woning door de man en, in het geval de man daartoe niet in staat is, aan de verkoop van de echtelijke woning en verdeling van de overwaarde. De rechtbank ziet geen aanleiding om de vrouw te volgen en af te wijken van het uitgangspunt dat de kosten van de taxatie door partijen bij helfte worden gedeeld en de kosten van de overdracht door de man als koper worden gedragen dan wel door partijen samen indien de woning aan een derde wordt verkocht.
Verder merkt de rechtbank op dat beide partijen gehouden zijn om mee te werken aan een spoedig verloop van de overdracht van de woning aan de man dan wel verkoop van de woning aan een derde, waaronder het meewerken aan bezichtigingen en het geven van de sleutel van de woning aan de makelaar. De rechtbank ziet aanleiding, conform het verzoek van de vrouw, om in het spoorboekje op te nemen waar de man onverwijld aan moet meewerken. De rechtbank gaat ervan uit dat de man dit zal nakomen, te meer nu de verkrijging van de woning dan wel de verkoop aan een derde ook in zijn belang is. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de vrouw ten aanzien van de dwangsom afwijzen. De rechtbank zal beslissen als na te melden.
Vergoedingsrecht man in verband met aanwending privévermogen bij aankoop echtelijke woning en investeringen in de echtelijke woning
De man heeft gesteld dat hij een vergoedingsrecht op de vrouw heeft van € 385.022,34 wegens eigen geld dat hij in de echtelijke woning heeft geïnvesteerd. In dit kader heeft hij het volgende naar voren gebracht.
( i)
[adres 5] , [plaats 2]
Op 4 september 2015 en derhalve voor het huwelijk heeft de man 98/100 aandeel verworven in de woning aan de [adres 5] te [plaats 2] en zijn ouders ieder 1/100 aandeel. Op 15 juli 2020 heeft de man de aandelen van zijn ouders in de woning geleverd gekregen voor een bedrag van € 3.670,-, welk bedrag later is kwijtgescholden. De man heeft deze woning gedurende het huwelijk verkocht. Daarbij kwam een overwaarde vrij van € 237.905,12. Hiervan is volgens de man een bedrag van 98% van € 165.408,62 = € 162.100,45 geïnvesteerd in de gezamenlijke aankoop van de woning aan [adres 6] 2 te [plaats 1] en is een bedrag van € 72.496,50 aan de man uitgekeerd.
( ii)
[adres 6] 2, [plaats 1]
Partijen hebben op de woning aan het [adres 6] 2 te [plaats 1] vervolgens gezamenlijk verworven op 30 oktober 2020 voor een koopsom van € 415.000,-. De man heeft aangevoerd dat in de hypotheek van deze woning een bedrag van € 38.100,- voor verbouwingen was gereserveerd, maar er een aanzienlijk hoger bedrag is uitgegeven, te weten een bedrag van € 114.224,94. De man heeft voor deze verbouwing de voornoemde € 72.496,50 aangewend. De man heeft zich aldus op het standpunt gesteld dat hij € 72.496,50 plus € 162.100,45, derhalve in totaal € 234.596,45 aan privémiddelen in de woning aan het [adres 6] heeft geïnvesteerd.
( iii)
[adres 1] , [plaats 3]
Partijen hebben op 19 augustus 2022 gezamenlijk de woning aan de [adres 1] gekocht voor € 570.000. Terwijl zij bleven wonen in de woning aan het [adres 6] 2, is de woning aan de [adres 1] verbouwd voor een bedrag van € 120.491,25.
Op 10 juli 2023 is de woning aan het [adres 6] verkocht aan derden voor € 582.500 en zijn partijen verhuisd naar de [adres 1] , welke woning daarmee ‘de echtelijke woning’ werd. Het bedrag van 582.500 is volgens de man gebruikt voor aflossing van de hypotheek (€ 255.424,91), aflossing van het overbruggingskrediet (€ 280.545,17) en (een deel van) de verbouwing van de echtelijke woning.
Volgens de man moet bij de berekening van het vergoedingsrecht rekening worden gehouden met de beleggingsleer. Het vergoedingsrecht van de man voor de aankoop van de woning aan het [adres 6] bedraagt (€ 162.100,45 / € 415.000,-) x € 582.500,- = € 227.526,54. Het vergoedingsrecht van de man voor de verbouwing van de woning aan het [adres 6] bedraagt (€ 72.496,50 / (€ 415.000,- + € 72.496,50)) x € 582.500,- = € 86.624,64. Ten tijde van de overdracht van de woning aan het [adres 6] had de man dus een vergoedingsrecht van € 314.151,18. De man heeft met deze privémiddelen het overbruggingskrediet van € 280.531,70 voor de huidige echtelijke woning betaald. Het vergoedingsrecht bedraagt dan (€ 280.531,70 / € 570.000,-) x € 714.000,- = € 351.402,87, waarbij de man is uitgegaan van de meest recente WOZ-waarde van de echtelijke woning. Van de investering houdt de man dus € 70.871,16 over (€ 351.402,87 - € 280.531,70), die in de verbouwing van de echtelijke woning is geïnvesteerd. De man heeft dus een vergoedingsrecht van € 385.022,34, te weten € 314.151,18 + € 70.871,16.
De vrouw heeft betwist dat de man een vergoedingsrecht heeft. Daartoe heeft zij betwist dat de woning aan de [adres 5] van de man privé was en dat de overwaarde van deze woning alleen aan de man zou toekomen. Het inkomen van de vrouw werd immers gestort op de gezamenlijke rekening. Hiervan werden alle gezamenlijke kosten, waaronder de woonlasten, voldaan. De vrouw heeft dus meebetaald aan de aflossing van de hypotheek voor de woningen aan de [adres 5] , het [adres 6] en de [adres 1] .
De rechtbank overweegt als volgt. De man heeft gesteld dat de woning aan de [adres 5] van hem privé was. De vrouw heeft dit betwist en aangevoerd dat zij zowel voor als tijdens het huwelijk heeft meebetaald aan de hypotheeklasten en daarom ook recht had op een deel van de overwaarde van de woning. De rechtbank overweegt dat de vrouw mogelijk heeft meebetaald aan de aflossing. Hiertoe heeft zij echter alleen bankafschriften overgelegd over de periode januari tot mei 2024 van de gezamenlijke bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] . De vrouw heeft nagelaten om te stellen welke bedragen aan aflossing zij zou hebben betaald (en tot welk totaalbedrag die zouden leiden). Daarom zal de rechtbank aan het verweer van de vrouw voorbijgaan. Het had immers op de weg van de vrouw gelegen om aan te geven hoeveel zij precies zou hebben betaald aan hypotheeklasten en welke gevolgtrekking de rechtbank hieraan zou moeten verbinden. De man heeft ter onderbouwing van zijn stelling meerdere aktes van levering en nota’s van afrekening overgelegd. De rechtbank is van oordeel dat de man hiermee voldoende heeft onderbouwd dat de woning aan de [adres 5] privé was. De man heeft tijdens het huwelijk 2% van de aandelen in de woning van zijn ouders gekocht voor € 3.670,-, welk bedrag volgens hem nadien is kwijtgescholden. De man heeft echter niet aangevoerd dat dit een schenking aan de man in privé betrof. De rechtbank is daarom van oordeel dat bij de verkoop van de woning aan de [adres 5] 98% van de woning behoorde tot het privévermogen van de man. De woning is verkocht voor € 380.000. Van de man was dus 372.400. Met dit bedrag is de nog openstaande hypotheek afgelost en is € 234.596,95 (€ 162.100,45 + € 72.496,50) ingebracht bij de aankoop van de woning aan het [adres 6] en investeringen in die woning. De man heeft dus uit hoofde van een vergoedingsrecht een vordering op de gemeenschap van € 234.596,95. Voor de berekening van het vergoedingsrecht van de man moet aan de hand van de beleggingsleer de volgende formule worden toegepast: totale investering / totale koopsom woning x taxatiewaarde woning. De totale investering van de man bedroeg € 234.596,95. De aankoopprijs van de woning aan het [adres 6] was € 415.000,-. De man heeft uitvoerig onderbouwd met notariële aktes en facturen van de verbouwingen hoe deze privémiddelen zijn geïnvesteerd in de woning aan het [adres 6] en vervolgens in de echtelijke woning aan de [adres 1] . De rechtbank zal daar dan ook van uitgaan. De echtelijke woning zal nog worden getaxeerd. Het voorgaande brengt met zich dat de formule die toegepast moet worden om het vergoedingsrecht van de man te berekenen er als volgt uit ziet: (234.596,95 (totaal ingebracht eigen geld van de man) / 415.000 (aankoopbedrag woning [adres 6] )) x taxatiewaarde woning [adres 1] , waarbij geldt dat het vergoedingsrecht wordt begrensd door het verzoek van de man, te weten tot een bedrag van € 385.022,34.
Het bedrag dat hieruit zal voortvloeien, nadat de taxatie van de echtelijke woning heeft plaatsgevonden, komt de man eerst toe bij de verdeling van de overwaarde van de echtelijke woning, waarna het resterende bedrag aan overwaarde bij helfte tussen partijen zal worden verdeeld. De rechtbank zal in het dictum van deze beschikking bepalen dat bij de overdracht van de echtelijke woning aan de man of een derde rekening gehouden moet worden met dit vergoedingsrecht.
Ad b. de bankrekeningen
De vrouw heeft gesteld dat de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 13] op naam van haar zus staat. Nu de man dit niet heeft betwist, zal de rechtbank daarvan uitgaan. Deze bankrekening valt daarmee buiten de verdeling. Partijen zijn het er voor de overige bankrekeningen over eens dat de saldi op de bankrekeningen tussen partijen per peildatum bij helfte worden verdeeld. De rechtbank zal aldus beslissen. De rechtbank gaat ervan uit dat de gezamenlijke rekeningen na verrekening zullen worden opgeheven en dat beide partijen hier hun medewerking aan zullen verlenen. Verder merkt de rechtbank op dat de man nog inzage dient te verschaffen in het saldo van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 12] op de peildatum.
Ad c. de inboedel
Op de zitting hebben partijen algehele overeenstemming bereikt over de inboedel. Zij zijn overeengekomen dat de vrouw de volgende inboedelgoederen krijgt toebedeeld:
  • damesfiets;
  • luchtreiniger van het merk Philips;
  • stofzuiger van het merk Dyson;
  • Disney-beeldjes en -pins;
  • vier Delfts Blauwe vazen;
  • knoflookpot;
  • Kitchen Aid met accessoires;
  • kristallen serveerschaal;
  • het gehele Blond-servies, waaronder schalen met deksel, borden, pizzaborden,
thee- en koffiekopjes;
  • accessoires van de watertafel van [minderjarige] ;
  • bedhemel.
De overige inboedelgoederen worden toebedeeld aan de man
Partijen hebben afgesproken dat de man de aan de vrouw toebedeelde inboedelgoederen op zondag 26 april 2026 aan de vrouw zal overdragen. De rechtbank gaat ervan uit dat dit is gebeurd. Daarbij zijn partijen overeengekomen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 5.000,- zal vergoeden binnen een week na de datum van deze beschikking. De rechtbank zal dienovereenkomstig beslissen.
Ad d. de auto Ford Focus
De vrouw heeft aangevoerd dat de auto is aangeschaft met inruil van een auto van het merk Opel Corsa, die toen een waarde had van € 3.900,- en eigendom was van de man. De vrouw heeft betwist dat de man een vergoedingsrecht van € 5.000,- heeft. De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de huidige waarde van de auto € 14.900,- bedraagt en de auto aan de man kan worden toebedeeld onder vergoeding van de helft van de waarde, oftewel een bedrag van € 7.450,-, aan de vrouw binnen een week na de beschikking.
De man heeft gesteld dat hij een vergoedingsrecht heeft van € 3.900,-, omdat de Opel privé-eigendom van hem was. Daarbij is de auto voor € 5.000,- gefinancierd met een schenking aan de man van zijn moeder. De moeder van de man heeft dit bedrag op 13 december 2019 overgemaakt op de bankrekening van de vrouw, omdat de vrouw in deze periode de financiële administratie van partijen beheerde. De auto kan aan de man worden toebedeeld, waarbij de man een bedrag van € 3.000,- ((€ 14.900,- - € 3.900,- - € 5.000,-) / 2) aan de vrouw moet vergoeden.
De rechtbank overweegt als volgt. Tussen partijen staat vast dat de Opel van de man privé was en ten tijde van de aanschaf van de auto (Ford Focus) in januari 2020 een waarde had van € 3.900,-. De rechtbank is van oordeel dat niet gebleken is dat het gestorte bedrag door de moeder van de man was bestemd voor de aanschaf van de auto, waardoor sprake zou zijn van een schenking en daarmee privévermogen van de man. De man heeft daarom niet het door hem gestelde vergoedingsrecht van € 5.000,-. Gelet hierop zal de rechtbank de auto toedelen aan de man en bepalen dat de man € 5.500,- ((€ 14.900,- - € 3.900,-) / 2) aan de vrouw moet vergoeden.
Ad e. de gouden munten
De man heeft aangegeven dat de vrouw de vier Çeyrek munten heeft meegenomen. De man heeft verzocht te bepalen dat de vrouw de helft van de munten naar een gelijke waarde aan de man overdraagt.
De vrouw heeft betwist dat zij de munten heeft meegenomen.
De rechtbank is van oordeel dat de man, gelet op de betwisting door de vrouw, onvoldoende heeft onderbouwd dat de vrouw de munten onder zich heeft. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom afwijzen.
Vergoedingsrecht vrouw in verband met aanwending privévermogen voor kosten van de huishouding
De vrouw heeft gesteld dat zij een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap en/of de man van € 12.500,-. De vrouw heeft aangegeven dat de bedragen van haar privé-spaarrekening eindigend op [rekeningnummer 14] zijn gebruikt voor het betalen van de huishoudelijke uitgaven van partijen, waaronder de maandelijkse aflossing van de hypothecaire geldleningen die partijen hebben afgesloten. Op de peildatum was het saldo op de spaarrekening van de vrouw nihil.
De man heeft betwist dat de vrouw een vergoedingsrecht heeft.
De rechtbank overweegt als volgt. Op de zitting heeft de vrouw haar verzoek verminderd, in die zin dat zij nu stelt een vergoedingsrecht te hebben van € 3.000,-. Hiertoe heeft de vrouw een stuk overgelegd, waaruit blijkt dat het saldo op 25 maart 2019, de dag voordat partijen met elkaar zijn gehuwd, € 2.999,90 bedroeg. Gelet op de gemotiveerde betwisting van de man is de rechtbank van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat dit geld is besteed aan kosten van de gemeenschap en zij uit dien hoofde een vergoedingsrecht zou hebben. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom afwijzen.
Vergoedingsrecht man in verband met schenkingen van de moeder van de man
De man heeft gesteld dat zijn moeder over de jaren 2020 tot 2024 in totaal een bedrag van € 29.866,- heeft geschonken. De man heeft een vergoedingsrecht op de gemeenschap, omdat deze bedragen aan de man zijn geschonken en zijn aangewend om gezamenlijke kosten van partijen te voldoen. De man heeft daarom recht op een vergoeding van de helft van deze bedragen, te weten € 14.933,-.
De vrouw heeft het vergoedingsrecht betwist en gesteld dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat met de bedragen gezamenlijke kosten van partijen zijn voldaan.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van de vrouw is de rechtbank van oordeel dat de man zijn stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De moeder van de man heeft het geld op de privérekening van de man gestort en de man heeft onvoldoende gemotiveerd dat dit geld in de gemeenschap is gestoken. De rechtbank zal het verzoek van de man dan ook afwijzen.
Conclusie
De rechtbank zal beslissen als na te melden in het dictum van deze beschikking en het meer of anders verzochte ten aanzien van de verdeling van de huwelijksgemeenschap afwijzen.
Voortgezet gebruik
De rechtbank overweegt als volgt. De man verblijft momenteel in de echtelijke woning. Zoals opgenomen in het dictum wordt de man in de gelegenheid gesteld om binnen twee maanden na inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand te onderzoeken of hij financieel in staat is om de woning over te nemen. Indien blijkt dat de man niet in staat is om de overname van de woning te financieren, acht de rechtbank het redelijk dat hij nog vier maanden in de woning kan blijven en vanuit daar op zoek kan gaan naar een nieuwe woning. De rechtbank zal het verzoek van de man daarom toewijzen voor een termijn van zes maanden na de inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Ten aanzien van de gebruiksvergoeding overweegt de rechtbank als na te melden.
Gebruiksvergoeding echtelijke woning/vordering hypotheeklasten
Gelet op de samenhang van de verzoeken zal de rechtbank deze gezamenlijk bespreken.
De vrouw heeft verzocht met ingang van 9 december 2024 een gebruiksvergoeding vast te stellen gelijk aan de door de vrouw te betalen 50% van de eigendomslasten van de echtelijke woning. De man heeft zich verzet zich tegen het verzoek. Hij heeft subsidiair verzocht het verzoek van de vrouw toe te wijzen en de gebruiksvergoeding te kwalificeren als bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw, waarbij hij heeft verzocht vast te stellen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie heeft verstrekt over de periode van 17 maart 2025 tot de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand ter hoogte van de helft van de door hem betaalde hypotheekrente van de op de woning rustende hypothecaire geldlening. In dit kader heeft de man aangevoerd dat hij daardoor de gehele hypotheekrente zou kunnen aftrekken in box 1 in zijn aangifte inkomstenbelasting over 2025. Daarbij heeft de man verzocht te bepalen dat de man recht heeft op een vergoeding door de vrouw van de helft van de hypotheeklasten, te weten € 202,77 per maand, vanaf 17 maart 2025 tot de datum van levering van de woning. De vrouw heeft verweer gevoerd en verzocht te bepalen dat enig door de vrouw aan de man verschuldigd bedrag wordt verrekend bij de eigendomsoverdracht van de woning.
De rechtbank overweegt als volgt. Gebleken is dat de man vanaf 9 december 2024 zowel de hypotheekaflossing als de rente volledig draagt. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de door de man aan de vrouw te betalen gebruiksvergoeding gelijk te stellen aan de helft van de hypotheek- en eigenaarslasten van de echtelijke woning, die de vrouw aan de man verschuldigd is, zodat deze tegen elkaar weggestreept kunnen worden. De rechtbank ziet geen aanleiding een aanvullende vergoeding aan de man toe te kennen. De rechtbank merkt nog op dat de man heeft aangegeven bereid te zijn een gebruiksvergoeding te voldoen als de rechtbank deze gebruiksvergoeding uit fiscale overwegingen aanmerkt als partneralimentatie. De rechtbank zal dit verzoek van de man afwijzen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van de gebruiksvergoeding toewijzen en het meer of anders verzochte met betrekking tot de gebruiksvergoeding en de hypotheeklasten afwijzen.
Vordering woonverzekering echtelijke woning
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man aan de vrouw een bedrag van € 79,13 per maand moet vergoeden met ingang van 1 januari 2025 tot de datum van eigendomsoverdracht van de echtelijke woning. Hiertoe heeft de vrouw gesteld dat zij de woonverzekering nog niet heeft kunnen opzeggen, aangezien zij mede-eigenaar is van de woning en er van haar en [minderjarige] nog goederen in de woning zijn opgeslagen, terwijl de man een woonverzekering heeft die slechts de goederen van één persoon dekt. De man heeft verweer gevoerd tegen het verzoek. Hij heeft gesteld dat hij de verzekering heeft overgesloten vanaf het vertrek van de vrouw uit de woning.
De rechtbank overweegt als volgt. De vrouw heeft de woonverzekering voor drie personen afgesloten, zodat alle spullen in de woning verzekerd zijn. Uit de stukken is gebleken dat de man de woonverzekering voor één persoon heeft afgesloten. De man heeft niet betwist dat er spullen van de vrouw en [minderjarige] in de woning zijn. De rechtbank is daarom van oordeel dat de door de vrouw afgesloten woonverzekering noodzakelijk was. De kosten daarvoor moeten dan ook bij helfte tussen partijen worden verdeeld. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de man een bedrag van € 39,57 per maand, zijnde de helft van de maandelijkse lasten van de woonverzekering, met ingang van 1 januari 2025 tot de datum van overdracht van de echtelijke woning aan de vrouw moet vergoeden. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.
Proceskosten
Nu de rechtbank een beslissing over het gezag, de hoofdverblijfplaats en de zorg- c.q. omgangsregeling zal aanhouden, zal zij ook een beslissing over de proceskosten aanhouden.

Beslissing

De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum 1] 2019 te [plaats 1] ;
*
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten met het hiervoor omschreven doel en daarover aan de rechtbank te rapporteren en advies uit te brengen;
dat onderzoek dient onder meer antwoord te geven op de vraag wat ten aanzien van het gezag en de hoofdverblijfplaats en welke regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgangsregeling in het belang van de minderjarige is te achten;
bepaalt dat de griffier een afschrift van de processtukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
houdt de behandeling aan tot na te melden pro formadatum; uiterlijk op die datum dient de Raad voor de Kinderbescherming zo mogelijk zijn rapport met advies te hebben uitgebracht aan de rechtbank met kopie aan beide ouders en hun advocaten;
bepaalt dat de behandeling van de zaak, na ontvangst van het rapport en advies, zal worden voortgezet op een nader te bepalen wijze;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] , voorlopig bij de man zal zijn:
- op woensdag uit school tot 18.30 uur, waarbij de man [minderjarige] uit school haalt en de vrouw [minderjarige] om 18.30 uur bij de man ophaalt;
- op zondag van 10.00 uur tot 18.30 uur, waarbij de vrouw [minderjarige] bij aanvang van het contactmoment naar de man brengt en de man [minderjarige] na het contactmoment bij de vrouw zal terugbrengen;
bepaalt dat de vrouw twee aaneensluitende weken in de zomervakantie van 2026 met [minderjarige] op vakantie mag gaan als de vrouw dat wenst en de zorgregeling tussen de man en [minderjarige] gedurende deze twee weken zal worden stopgezet;
*
bepaalt dat [minderjarige] haar basisonderwijs zal volgen bij basisschool [basisschool 1] te [plaats 1] dan wel basisschool [basisschool 2] te [plaats 1] ;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van heden, een kinderalimentatie ten behoeve van [minderjarige] van € 216,- zal betalen en zodra de vrouw een eigen woning heeft van € 308,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
stelt vast dat de man een vergoedingsrecht heeft op de vrouw ter zake van aanwending van privévermogen bij de aankoop van de echtelijke woning, te berekenen aan de hand van de beleggingsleer volgens de formule 234.596,95 (totale investering) / 415.000 (aankoopbedrag woning) x taxatiewaarde woning, waarbij geldt dat het vergoedingsrecht wordt begrensd door het verzoek van de man, te weten tot een bedrag van € 385.022,34;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres 1] te [plaats 3] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) voor zover partijen het niet eens worden over de keuze voor een onafhankelijke makelaar-taxateur dient de vrouw aan de man binnen twee weken na de beschikking drie onafhankelijke makelaar-taxateurs voor te stellen die bereid en in staat zijn de woning te taxeren, waaruit de man er vervolgens binnen twee weken één kiest. Partijen verstrekken vervolgens binnen twee weken een gezamenlijke opdracht aan deze makelaar-taxateur tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de man dient binnen twee maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, minus het in dit dictum berekende vergoedingsrecht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht te verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, minus het in dit dictum berekende vergoedingsrecht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
bepaalt dat de man alle handelingen onmiddellijk en onvoorwaardelijk dient te verrichten die nodig zijn om te komen tot een spoedige verkoop van de woning aan een derde, zoals het meewerken aan het maken van foto’s door de makelaar en aan bezichtigingen, het leveren van een set sleutels aan de makelaar binnen de door de makelaar gestelde termijn, het tekenen van de koopovereenkomst binnen de door de makelaar gestelde termijn, en zich dient te onthouden van handelingen die een spoedige verkoop belemmeren;
bepaalt dat de man ervoor dient te zorgen dat de woning in behoorlijke staat en opgeruimd is ten tijde van het maken van de foto’s en ten tijde van de bezichtigingen;
bepaalt dat de man zijn onvoorwaardelijke en onmiddellijke medewerking dient te verlenen aan alle handelingen die noodzakelijk zijn voor de levering van de woning aan de derde-koper ervan, waartoe hij door de notaris verzocht wordt, binnen de door de notaris gestelde termijnen, waaronder het meewerken aan de levering van de echtelijke woning via de notaris, het tekenen van de transportakte of het tekenen en afgeven van een volmacht binnen de door de notaris gestelde termijn;
bepaalt dat de man binnen uiterlijk veertien dagen voor de notariële levering van de woning aan een derde-koper de woning dient te hebben verlaten en de woning in een goede staat, leeg en bezemschoon dient op te leveren;
bepaalt dat de kosten in verband met de verkoop en levering van de woning, waaronder de kosten van de makelaar, eventuele verkoopkosten en kosten gemoeid met de notariële levering, dienen te worden voldaan door de man zonder verrekening met de vrouw;
met betrekking tot de inboedel: de man zal binnen een week na de datum van deze beschikking een bedrag van € 5.000,- vergoeden aan de vrouw, waarbij de volgende inboedelgoederen aan de vrouw worden toebedeeld en de man deze goederen op zondag 26 april 2026 aan de vrouw zal (hebben) over(ge)dragen:
  • damesfiets;
  • luchtreiniger van het merk Philips;
  • stofzuiger van het merk Dyson;
  • Disney-beeldjes en -pins;
  • vier Delfts Blauwe vazen;
  • knoflookpot;
  • Kitchen Aid met accessoires;
  • kristallen serveerschaal;
  • het gehele Blond-servies, waaronder schalen met deksel, borden, pizzaborden,
  • thee- en koffiekopjes;
  • accessoires van de watertafel van [minderjarige] ;
  • bedhemel;
met betrekking tot de bankrekeningen:
aan de man worden toegedeeld:
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 5] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 6] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 7] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 8] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 9] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 10] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 11] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 12] op naam van de man, waarbij het saldo op de peildatum (17 maart 2025) bij helfte met de vrouw moet worden gedeeld;
  • de auto van het merk Ford Focus, met kenteken [kenteken] , waarbij de man een bedrag van € 5.500,- aan de vrouw moet vergoeden;
aan de vrouw worden toegedeeld:
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 1] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 2] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 3] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 4] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 5] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 6] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 7] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 8] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 9] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 10] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de helft van het saldo op de peildatum (17 maart 2025) van de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 11] op naam van de man en/of de vrouw;
  • de bankrekening eindigend op [rekeningnummer 14] op naam van de vrouw, waarbij het saldo op de peildatum (17 maart 2025) bij helfte met de man moet worden gedeeld;
met betrekking tot de auto:
de Ford Focus wordt toegedeeld aan de man onder vergoeding van € 5.500,- aan de vrouw;
*
bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats 3] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de man deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de vrouw uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
bepaalt dat de man vanaf de datum van inschrijving van deze beschikking in de registers van de burgerlijke stand totdat de woning is geleverd aan de man dan wel een derde, doch niet langer dan zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, een gebruiksvergoeding aan de vrouw dient te betalen, welke gelijk is aan het door de vrouw aan de man te betalen deel van de hypotheek- en eigenaarslasten;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw een bedrag van € 39,57 per maand, zijnde de helft van de maandelijkse lasten van de woonverzekering, met ingang van 1 januari 2025 tot de datum van overdracht van de echtelijke woning, moet vergoeden;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte ten aanzien van alle verzoeken die niet zien op het gezag, de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en de proceskosten;
*
houdt iedere verdere beslissing
ten aanzien van het gezag, de hoofdverblijfplaats, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken c.q. omgang en de proceskostenaan tot
1 december 2026 pro forma.
Deze beschikking is gegeven door mr. C. Witteman, rechter, tevens kinderrechter, in tegenwoordigheid van mr. E.X.R. Yi als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 22 mei 2026.