Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16376

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL25.63668 en NL25.63669
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2 AwbArt. 3:46 AwbArt. 8:72 AwbArt. 31 lid 6 Vreemdelingenwet 2000Richtlijn 2011/95/EU
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing asielaanvragen Gülenisten uit Turkije wegens onvoldoende motivering en zorgvuldigheid

Eisers, van Turkse nationaliteit en betrokken bij de Gülenbeweging, dienden in november 2023 asielaanvragen in die door de minister in december 2025 werden afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep in mei 2026 en oordeelde dat de minister de geloofwaardigheid van de problemen van eisers vanwege hun banden met de Gülenbeweging onvoldoende en onzorgvuldig had beoordeeld.

De rechtbank stelde vast dat de minister ten onrechte niet had meegewogen dat eisers als familieleden van hooggeplaatste Gülenisten risico lopen op vervolging en dat hun activiteiten en steun aan de beweging in Turkije strafbaar zijn. Ook werd onvoldoende rekening gehouden met recente landeninformatie en sociale mediaposts die wijzen op een reëel risico op strafrechtelijke vervolging.

De rechtbank vernietigde de bestreden besluiten wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel en bepaalde dat de minister binnen zes weken een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van €1.868,- aan eisers.

Uitkomst: De rechtbank vernietigt de afwijzing van de asielaanvragen en beveelt de minister binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.63668 (beroep) en NL25.63669 (beroep)
V-nummers: [v-nummer 1] , [v-nummer 2] , [v-nummer 3] en [v-nummer 4]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag 1] 1987, eiser,

[eiseres] ,

geboren op [geboortedag 2] 1990, eiseres,
hierna samen te noemen: eisers
en hun minderjarige kinderen,

[minderjarige 1] ,

geboren op [geboortedag 3] 2016, en

[minderjarige 2] ,

geboren op [geboortedag 4] 2021,
allen van Turkse nationaliteit,
(gemachtigde: mr. F. Zeven),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. S. Imami).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Eisers zijn het niet eens met deze afwijzing. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. De afwijzing van de asielaanvraag kan dus niet in stand blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in dit geding. Onder 3 staat een samenvatting van het asielrelaas van eisers. Onder 4 staat een omschrijving van de bestreden besluiten. De beoordeling door de rechtbank van de beroepsgronden van eisers volgt vanaf 5. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 18 november 2023 aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
2.1.
De minister heeft deze aanvragen met de bestreden besluiten van 23 december 2025 afgewezen als ongegrond.
2.2.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld.
2.3.
De rechtbank heeft de beroepen op 22 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, E. Taskin als tolk in de taal Turks en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas
3. Eisers stellen dat zij in Turkije problemen hebben ondervonden vanwege hun Koerdische afkomst. Toen eiseres jong was, is haar vader opgepakt en gemarteld. Haar oom is ook opgepakt en nooit meer teruggekeerd naar huis. Verder stellen eisers dat zij problemen hebben ondervonden vanwege hun betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Eisers hebben een bankrekening bij de bank Asya. Zij namen deel aan sohbets en waren geabonneerd op een Gülenkrant (Zaman) en Gülentijdschrift (Sizinti). Ook boden zij financiële steun aan gevangengezette Gülenisten en hun families. Eisers werkten bij een universitair ziekenhuis. De oom van eiser had in het ziekenhuis een hoge positie. Na de couppoging in 2016 is deze oom opgepakt en veroordeeld voor betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Eisers vreesden daarna dat zij ook opgepakt zouden worden. Zij werden gepest en bedreigd. Na hun vertrek is de politie twee à drie keer langs geweest bij hun oude woonadres om naar eisers te vragen. Ook zijn hun familieleden telefonisch benaderd.
De bestreden besluiten
4. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
  • identiteit, nationaliteit en herkomst;
  • de problemen vanwege hun banden met de Gülenbeweging;
  • de discriminatie vanwege hun Koerdische etniciteit.
4.1.
De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. De minister vindt de banden van eisers met de Gülenbeweging ook geloofwaardig. De problemen vanwege deze banden vindt de minister niet geloofwaardig.
4.2.
De minister vindt dat eisers geen vluchtelingen zijn zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat zij bij terugkeer naar Turkije geen reëel risico lopen op ernstige schade. Hoewel eisers als Gülenaanhangers een risicoprofiel hebben, hebben zij niet aannemelijk gemaakt dat de autoriteiten naar hen op zoek zijn. Verder is hun vrees voor discriminatie vanwege hun Koerdische afkomst aannemelijk, maar onvoldoende zwaarwegend. De minister heeft de asielaanvragen afgewezen als ongegrond en heeft een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken.
Geloofwaardigheid van de problemen vanwege banden met de Gülenbeweging
5. Eisers kunnen zich niet verenigen met het standpunt van de minister dat de problemen vanwege hun banden met de Gülenbeweging niet geloofwaardig zijn. Zij voeren hiertoe verschillende gronden aan. De rechtbank beoordeelt deze gronden als volgt.
Werkinstructie 2024/6
6. Eisers stellen voorop dat de Werkinstructie 2024/6 (hierna: werkinstructie) die de minister hanteert bij de geloofwaardigheidsbeoordeling, in strijd is met het Unierecht [1] en rechtspraak van het EHRM [2] . Uit de werkinstructie volgt dat als geen objectieve bewijsstukken kunnen worden overgelegd, het uitgangspunt is dat een asielzoeker niet geloofwaardig is. Naar mening van eisers is dit niet te rijmen met rechtspraak van de Europese hoven. [3] Uit deze rechtspraak volgt namelijk dat altijd oog moet worden gehouden voor de moeilijke bewijspositie van asielzoekers. Asielzoekers hebben een stelplicht, maar zeer zeker geen bewijslast, anders dan in de werkinstructie wordt gesteld. Zodra aan de stelplicht wordt voldaan moet alles wat naar voren is gebracht worden gewogen en op ruimhartige wijze worden beoordeeld, waarbij ‘vaak’ het voordeel van de twijfel moet worden gegund. Er geldt een samenwerkingsplicht, waarbij de minister de plicht heeft om actief mee te denken. Ook is de minister vaak in een betere positie om nader onderzoek te doen.
6.1.
Ook voeren eisers aan dat de minister kennelijk een gedragslijn hanteert waarbij ten gunste van de vreemdeling wordt afgeweken van de werkinstructie. Eisers verwijzen daarbij naar een uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Den Bosch, van 14 oktober 2025 [4] . Deze gedragslijn is niet gepubliceerd en dit is (nog) geen kenbaar beleid. Daarom moet naar mening van eisers de gehele werkinstructie buiten beschouwing worden gelaten, wat maakt dat de bestreden besluiten geen stand kunnen houden.
7. De rechtbank is van oordeel dat het kader voor de geloofwaardigheidsbeoordeling dat de minister heeft toegepast in het algemeen niet in strijd is met het Unierecht en rechtspraak van het EHRM. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraak van 24 november 2025 [5] van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats. In deze uitspraak overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet voor het oordeel dat de minister het voordeel van de twijfel [6] in zijn algemeenheid op een onjuiste wijze toepast. Gelet op de stellige en directieve formulering in de nieuwe werkinstructie, zijn er situaties denkbaar waarin de toepassing ervan in strijd is met artikel 4 van Pro de Kwalificatierichtlijn [7] . Dit betekent echter niet dat de toepassing van de werkinstructie in iedere asielzaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De rechtbank dient dit per individuele zaak te beoordelen.
7.1.
Verder volgt de rechtbank de stelling van eisers niet dat de gedragslijn die de minister hanteert gepubliceerd moet worden. De rechtbank is van oordeel dat voldoende kenbaar uit het bestreden besluit blijkt op welke wijze de minister invulling heeft gegeven aan de geloofwaardigheidsbeoordeling.
7.2.
De beroepsgrond slaagt niet.
Politiebezoek
8. Eisers leggen in beroep een nieuw document over, ter onderbouwing van hun verklaringen dat de politie op 17 april 2024 bij hen langs is geweest. Het betreft een formeel proces-verbaal van een huisbezoek naar aanleiding van een gepland verhoor in een rechtbankonderzoek naar eiseres. Gelet op dit document voeren eisers aan dat het standpunt van de minister dat het politiebezoek niet geloofwaardig is, geen stand kan houden.
9. De minister stelt zich op het standpunt dat het proces-verbaal niet leidt tot een ander standpunt over de geloofwaardigheid van de problemen. Ten eerste staat er op het proces-verbaal geen logo van een politiebureau. Verder volgt uit de inhoud van het proces-verbaal niet dat het huisbezoek verband houdt met de activiteiten van eiseres voor de Gülenbeweging. Het proces-verbaal lijkt eerder te gaan over de arbeidsrechtelijke procedure die eiseres in het verleden heeft gehad.
10. De rechtbank overweegt dat uit het proces-verbaal blijkt dat in een brief van de Arbeidsrechtbank van Diyarbakir is verzocht om onderzoek te doen naar de sociale en financiële situatie van eiseres. Het proces-verbaal vermeldt dat er een gesprek is geweest met een particuliere beveiligingsmedewerker van het wooncomplex behorend bij het in de stukken vermelde adres. De beveiligingsmedewerker heeft verklaard dat eiseres is verhuisd naar het buitenland.
10.1.
De rechtbank is van oordeel dat het proces-verbaal de verklaringen van eisers dat de autoriteiten naar eiseres hebben geïnformeerd na haar vertrek, bevestigt. Dat in het proces-verbaal verwezen wordt naar de Arbeidsrechtbank, betekent naar het oordeel van de rechtbank niet dat het huisbezoek geen verband houdt met de activiteiten van eiseres voor de Gülenbeweging. Eiseres heeft immers verklaard dat de problemen op haar werk gerelateerd zijn aan haar banden met de Gülenbeweging. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister het proces-verbaal onvoldoende in samenhang met de verklaringen van eisers heeft beoordeeld.
10.2.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie geloofwaardigheid
11. Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het standpunt van de minister, namelijk dat de problemen van eisers vanwege hun banden met de Gülenbeweging niet geloofwaardig zijn, geen stand kan houden. Het beroep is hierom al gegrond. Ten behoeve van de finale geschilbeslechting beoordeelt de rechtbank hierna zo veel mogelijk de overige beroepsgronden.
Gegronde vrees voor vervolging
12. Eisers kunnen zich verder niet verenigen met het standpunt van de minister dat zij bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees hebben voor vervolging. Zij voeren hiertoe verschillende gronden aan. De rechtbank beoordeelt deze gronden als volgt.
Gülenistische levensovertuiging en activiteiten
16. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte niet heeft onderkend dat de Gülenbeweging een levensovertuiging is en geen politieke beweging. De Turkse autoriteiten hebben de Gülenistische levensovertuiging gepolitiseerd en de minister gaat ten onrechte mee in dit gecreëerde narratief. Het Gülenisme is als levensovertuiging in het geheel strafbaar gesteld in Turkije. Om deze reden zullen eisers bij een terugkeer gedwongen worden hun overtuiging en religie terughoudend te uiten. Anders dan de minister stelt, is het daarom juist wel aannemelijk dat eisers in de negatieve belangstelling komen te staan bij een terugkeer, indien zij hun levensovertuiging belijden in het openbaar, zoals zij wensen en het Gülenisme dit ook verlangt. De aard van de Gülenbeweging en de kern van hun religie is namelijk het belijden van het geloof in groepsverband, het organiseren van publieke geloofsbijeenkomsten waarbij allerlei geïnteresseerden worden uitgenodigd, juist om de overtuigingen breed te delen en te verspreiden, en het organiseren van goed, publiek onderwijs. Dat dit niet mogelijk is in Turkije, volgt evident uit de per decreet gesloten onderwijsinstellingen van de beweging, onder meer, en de volledige strafbaarstelling hiervan.
16.1.
Eisers wijzen er daarbij op dat zij in Turkije Gülenistische activiteiten hebben verricht en dat zij ook in Nederland actief zijn voor een Gülenistische stichting, zoals het organiseren van een kermis en braderie en iftarmaaltijden tijdens de ramadan. Bovendien wijzen eisers op landeninformatie waaruit blijkt dat de Turkse autoriteiten Gülenactiviteiten in het buitenland monitort.
17. De minister stelt zich op het standpunt dat het Gülenisme een politieke overtuiging is. Eisers hebben in het verleden geen problemen gehad door hun activiteiten voor de Gulenbeweging en daarom wordt niet ingezien dat eisers deze in de toekomst wel zullen hebben.
18. De rechtbank is van oordeel dat het Gülenisme in ieder geval kan worden aangemerkt als een (toegedichte) politieke overtuiging. De vraag of het ook een levensovertuiging is, zal de rechtbank hier niet beantwoorden omdat zij dit voor de beoordeling van het bestreden besluit niet noodzakelijk acht. Immers, ook bij een (toegedichte) politieke overtuiging mag de minister geen terughoudendheid vergen bij de uiting daarvan bij terugkeer. De minister heeft ten onrechte niet onderkend dat eisers hun activiteiten voor de Gülenbeweging in het verleden in Turkije terughoudend hebben moeten verrichten en dat zij dat ook bij terugkeer weer zouden moeten doen, omdat dergelijke activiteiten strafbaar zijn gesteld. Verder heeft de minister de landeninformatie over de monitoring van Gülenactiviteiten in het buitenland onvoldoende kenbaar betrokken in de beoordeling.
18.1.
De beroepsgrond slaagt.
Veroordeling familieleden
19. Verder voeren eisers aan dat de minister ten onrechte niet heeft onderkend dat zij
familieleden zijn van hooggeplaatste Gülenisten. De oom van eiser en broer van eiseres zijn vervolgd. Ook is de echtgenoot van de zus van eiser veroordeeld, voor FETÖ-betrokkenheid en een poging tot omverwerping van de grondwettelijke orde. Hij is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Eisers overleggen in beroep de uitspraak van het Hooggerechtshof en een toelichting daarop. Hieruit blijkt dat de echtgenoot van de zus van eiser verantwoordelijk wordt gehouden voor het plegen van de couppoging op 15 juli 2016. De minister heeft dan ook ten onrechte geen beoordeling gemaakt van het risico op
Sippenhaft, oftewel familiebestraffing.
20. De minister stelt zich op het standpunt dat deze omstandigheden niet aannemelijk maken dat eisers een gegronde vrees hebben voor vervolging. Eisers hebben het land namelijk legaal en zonder problemen verlaten. Niet is gebleken dat er bij hun uitreis bepaalde vragen zijn gesteld over een veroordeling van een familielid. Bovendien kan de minister niet vaststellen dat de overgelegde uitspraak daadwerkelijk gaat om een familielid.
21. De rechtbank volgt eisers. Uit het ambtsbericht volgt dat uit de legale uitreis enkel blijkt dat eisers geen uitreisverbod of detentiebevel hadden. Het is mogelijk dat een persoon, waartegen een strafrechtelijk onderzoek of een strafzaak loopt, en waarover in UYAP stukken zijn opgeslagen, op legale wijze Turkije kan verlaten. [8] De legale uitreis betekent dus niet dat er bij hun vertrek geen strafrechtelijk onderzoek liep. Ook betekent de legale uitreis niet dat eisers bij terugkeer naar Turkije geen risico lopen om strafrechtelijk vervolgd te worden. Uit het ambtsbericht volgt dat met name familieleden van hooggeplaatste Gülenisten konden rekenen op negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten. Deze situatie bleef hetzelfde in de verslagperiode. [9] De minister heeft dan ook ten onrechte niet onderkend dat eisers als familieleden van hooggeplaatste Gülenisten kunnen rekening op negatieve aandacht van de autoriteiten. Bij dit oordeel betrekt de rechtbank ook dat eisers op de zitting hebben aangeboden om familierechtelijke documenten over te leggen waaruit de band met de veroordeelde echtgenoot van de zus van eiser blijkt. Het had op de weg van de minister gelegen om dit aanbod te accepteren.
21.1.
De beroepsgrond slaagt.
Bankrekening bij Bank Asya, abonnement op krant Zaman en financiële steun aan gevangengezette Gülenisten en hun families
22. Eisers voeren verder aan dat de minister ten onrechte niet heeft onderkend dat hun bankrekening bij Bank Asya, de abonnementen bij de Gülenistische krant en tijdschrift Zaman en Sizinti en hun financiële steun aan gevangengezette Gülenisten en hun families, een gegronde vrees voor vervolging opleveren. Uit het ambtsbericht van 2025 volgt dat deze omstandigheden voldoende zijn voor vervolging, arrestaties en veroordelingen, die volledig arbitrair zijn. [10]
23. De minister stelt zich op het standpunt dat deze omstandigheden al aanwezig waren toen eisers zich nog in Turkije bevonden en dat deze jarenlang niet tot problemen hebben geleid. Eisers hebben dan ook niet aannemelijk gemaakt dat deze omstandigheden bij terugkeer wel problemen zullen opleveren.
24. De rechtbank is van oordeel dat de minister de bankrekening, abonnementen en financiële steun aan gevangengezette Gülenisten en hun families onvoldoende in het licht van relevante en actuele landeninformatie heeft beoordeeld. Uit het meest recente ambtsbericht over Turkije blijkt dat de Turkse autoriteiten bij de vervolging van (vermeende) Gülenisten nog altijd het criterium ‘het hebben gehad van een bankrekening bij Bank Asya’ hanteren. [11] Ook blijkt uit het ambtsbericht dat sommige abonnees van de Gülenistische krant Zaman werden opgepakt en gevangengezet. [12] Verder volgt daaruit dat burgers die gevangengezette familieleden, vrienden en collega’s en/of hun familieleden hielpen met bijvoorbeeld geld of voedsel, zijn opgepakt. De Turkse autoriteiten verdachten personen die gevangengezette Gülenisten en/of hun families ondersteunden van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging. [13] Eisers lopen vanwege de genoemde omstandigheden, die de minister geloofwaardig heeft geacht, dus een risico op vervolging. De minister heeft dit ten onrechte niet onderkend. Bovendien heeft de minister ten onrechte nagelaten om de cumulatieve betekenis van deze omstandigheden te beoordelen.
24.1.
De beroepsgrond slaagt.
Sociale media posts
25. Eiser overlegt in beroep screenshots van zijn sociale media posts. Hieruit blijkt dat eiser zich in de afgelopen tijd veelvuldig kritisch heeft geuit over president Erdoğan en/of het Turkse regime, hun vervolging van Gülenisten, hun tegenwerking van enige politieke oppositie, en hun alledaags regeren. Eiser overlegt ook een e-mail van het X-supportteam die vermeldt:
‘Wij sturen u deze e-mail om u ervan op de hoogte te stellen dat wij van de Autoriteit voor Informatie- en Communicatietechnologieën een kennisgeving hebben ontvangen, die aan X is gedaan en die op grond van artikel 8/A van de Wet onder Nummer 5651 betrekking heeft op uw X-account genaamd (…)
Om te voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de Turkse nationale wetgeving, is de toegang vanuit Turkije tot uw account/deze inhoud beperkt. De inhoud blijft toegankelijk in andere landen. (…)
X gelooft sterk in het verdedigen en respecteren van de meningen van zijn gebruikers, en om die reden is het ons beleid onze gebruikers te informeren wanneer wij van een bevoegde autoriteit (zoals wetshandhaving of een overheidsinstantie) een juridisch verzoek tot toegangsblokkering ontvangen. Ook als de gebruiker niet in het land woont waaruit het verzoek afkomstig is, stellen wij de gebruiker hiervan op de hoogte.’
25.1.
Eiser stelt dat artikel 8a van de Turkse internetwet waarnaar in dit bericht wordt verwezen, ziet op onder andere de bescherming van de nationale veiligheid en openbare orde. Uit dit artikel volgt dat het blokkeren van het account kan leiden tot strafrechtelijk onderzoek. [14] Eiser voert aan dat hieruit volgt dat de Turkse autoriteiten eiser in hun vizier hebben. Eiser verwijst daarbij naar informatie uit recente ambtsberichten, waaruit volgt dat het openlijk uiten van kritiek op de Turkse overheid via sociale media op dit moment een
reëel risico op strafvervolging oplevert. [15]
26. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat. Dat X het account van eiser heeft geblokkeerd, betekent niet dat de Turkse autoriteiten hiervan op de hoogte zijn en dat dit strafrechtelijke gevolgen heeft.
27. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt van de minister onzorgvuldig is voorbereid en ondeugdelijk is gemotiveerd. De minister gaat ten onrechte voorbij aan de inhoud van de e-mail gericht aan eiser, waaruit blijkt dat de Turkse autoriteiten X hebben verzocht om het account van eiser te blokkeren. Ook gaat de minister ten onrechte voorbij aan de inhoud van het wetsartikel, waaruit volgt dat het blokkeren van het account kan leiden tot strafrechtelijk onderzoek, en de informatie uit het ambtsbericht waarnaar eisers verwijzen over de risico’s op vervolging die kritische sociale mediaberichten met zich meebrengen.
27.1.
De beroepsgrond slaagt.
Conclusie gegronde vrees voor vervolging
28. De rechtbank is van oordeel dat de minister de verschillende relevante omstandigheden onvoldoende in samenhang en in het licht van relevante en landeninformatie heeft beoordeeld. Het standpunt van de minister dat eisers bij terugkeer naar Turkije geen gegronde vrees hebben voor vervolging, is dan ook onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.
De overige beroepsgronden
29. Eisers voeren verder aan dat in Turkije sprake is van groepsvervolging van Gülenisten en dat de minister niet tot de beleidswijziging van 1 december 2023 [16] had kunnen komen. Ook voeren eisers aan dat bij de tegenwerping dat eiseres meer inzicht had moeten geven in de bedreigingen aan haar adres, onvoldoende rekening is gehouden met haar medische problemen. Tot slot voeren eisers aan dat de minister bij de beoordeling van de asielmotieven het Gülenisme van eisers als losstaand element had moeten beschouwen.
30. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, behoeven deze gronden geen bespreking.

Conclusie en gevolgen

31. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel, neergelegd in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb [17] . De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
32. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
33. Omdat de beroepen gegrond zijn, moet de minister de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Er is namelijk sprake van samenhangende zaken, die worden beschouwd als één zaak.).

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart de beroepen gegrond;
  • vernietigt de bestreden besluiten;
  • draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Het recht van de Europese Unie.
2.Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
3.Arrest van het EHRM inzake J.K. tegen Zweden, van 23 augustus 2016 (59166/12), punt 91 e.v., maar met name punt 93. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie inzake X. tegen Ierland, van 29 juni 2023, C-756/21, JV 2023/166, ECLI:EU:C:2023:523, punt 48.
4.ECLI:NL:RBDHA:2025:19462, rechtsoverweging 5.2.2.
5.ECLI:NL:RBDHA:2025:27281, rechtsoverweging 7.1.
6.Zoals neergelegd in artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
7.Richtlijn 2011/95/EU.
8.Algemeen ambtsbericht Turkije 2025, pagina 20.
9.Algemeen ambtsbericht Turkije 2025, pagina 52.
10.Algemeen ambtsbericht Turkije 2025, pagina 49-51.
11.Algemeen ambtsbericht Turkije 2025, pagina 50.
12.Algemeen ambtsbericht Turkije 2025, pagina 50.
13.Algemeen ambtsbericht Turkije 2025, pagina 49.
14.https://mbkaya.com/turkish-internet-law/.
15.Algemeen ambtsbericht Turkije 2025, pagina 35. Algemeen ambtsbericht Turkije 2022, pagina 26.
16.Neergelegd in WBV 2023/24.
17.Algemene wet bestuursrecht.