Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16384

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.29720
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 lid 1 onder a Vreemdelingenwet 2000Art. 94 lid 1 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b lid 1, 3 en 4 Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen bewaring op grond van artikel 59 Vreemdelingenwet 2000

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is op 29 april 2026 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 lid 1 onder Pro a van de Vreemdelingenwet 2000 vanwege risico op ontduiking van toezicht en belemmering van de uitzettingsprocedure.

Verweerder heeft als zware gronden genoemd dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, zich aan toezicht heeft onttrokken, niet meewerkt aan vaststelling identiteit en nationaliteit, en geen gevolg zal geven aan terugkeerverplichting. Eiser betwist de voortvarendheid van de verwijderingsprocedure en wijst op vertraging in het onderzoek naar NIST-files.

De rechtbank oordeelt dat het onderzoek naar de NIST-files nog loopt en dat verweerder voldoende voortvarend handelt, mede gelet op de rappellering bij de Algerijnse autoriteiten. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen wegens voldoende voortvarendheid.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.29720
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Verweerder heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van de bewaring in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 2004.
2. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft de gronden niet betwist.
3. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan de verwijdering. Op 13 mei 2026 is eiser gepresenteerd. Volgens het M120-formulier van
1 juni 2026 wordt er nu onderzoek gedaan naar de NIST-files. Inmiddels is dat een maand geleden, wat volgens eiser onvoldoende voortvarend is.
4. Deze beroepsgrond slaagt niet om het navolgende. In het M120-formulier staat dat de autoriteiten van Algerije hebben laten weten dat de aanwezige kopie van het paspoort van onvoldoende kwaliteit is. Er moet daarom worden gewacht op de uitkomst van het onderzoek op de NIST-files. Verweerder heeft op de zitting aangegeven dat dit onderzoek nog loopt en in het beheer van de Algerijnse autoriteiten is. De autoriteiten hebben nog niet laten weten dat het onderzoek naar de NIST-files nog niets heeft opgeleverd. In het M120-formulier staat verder dat er op 15 mei 2026 is gerappelleerd bij de autoriteiten van Algerije. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat elke drie weken wordt gerappelleerd. De rechtbank vindt dat verweerder het onderzoek naar de NIST-files af mag wachten. De rechtbank acht de huidige gang van zaken, zoals verweerder heeft toegelicht, op dit moment voldoende voortvarend.
5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van M.A. van Garder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.