Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16386

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30384
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewaring en belangen minderjarig kind bij vreemdelingenrechtelijke maatregel

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van eiseres tegen de maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De maatregel was gebaseerd op het risico dat eiseres zich aan toezicht zou onttrekken en de uitzettingsprocedure zou belemmeren. Eiseres betwistte de gronden niet, maar voerde aan dat de belangen van haar minderjarige zoon onvoldoende waren betrokken en dat de besluitvorming onzorgvuldig was.

De rechtbank oordeelde dat de niet betwiste gronden voldoende waren om het risico aan te nemen en dat het rechtsvermoeden niet was weerlegd. Verweerder had volgens de rechtbank wel degelijk rekening gehouden met het belang van het minderjarige kind, onder meer door te proberen hereniging te faciliteren, ondanks de weigering van eiseres hieraan mee te werken. De scheiding tussen moeder en zoon kwam daardoor voor haar eigen rekening en risico.

Na een belangenafweging werd de bewaring opgeheven. De rechtbank vond dat verweerder voldoende aandacht had besteed aan de belangen van het kind en eiseres, en dat de maatregel niet onrechtmatig was toegepast. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30384

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres],

V-nummer: [v-nummer], eiseres
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluit van 27 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiseres de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet ook worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
Verweerder heeft op 4 juni 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. Eiseres en haar gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiseres zich aan het toezicht zou onttrekken en eiseres de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiseres:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en zij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van haar identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat zij geen gevolg zal geven aan haar verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiseres:
4a. zich niet aan een of meer andere voor haar geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiseres heeft de hiervoor genoemde gronden niet betwist.
2. De niet betwiste gronden zijn, in onderlinge samenhang bezien, al voldoende voor de conclusie dat verweerder zich op het standpunt mag stellen dat sprake is van een risico dat eiseres zich aan het toezicht zal onttrekken en dat zij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Dit risico betreft echter een weerlegbaar rechtsvermoeden. Eiseres heeft geen feiten en omstandigheden aangevoerd om het rechtsvermoeden te weerleggen. Verweerder is daarom terecht tot het oordeel gekomen dat sprake is van de genoemde risico’s.
3. Anders dan eiseres is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet heeft gehandeld in strijd met het eigen beleid dat erop is gericht om gescheiden uitzetting van een ouder en minderjarige kinderen van deze ouder te vermijden. Eiseres is immers niet daadwerkelijk zonder haar minderjarige zoon uitgezet.
4. De rechtbank volgt eiseres ook niet in het betoog dat sprake is geweest van onzorgvuldige besluitvorming, omdat bij de beslissing om eiseres in bewaring te nemen de belangen van haar minderjarig kind niet zijn betrokken. Uit het aan de inbewaringstelling voorafgaande gehoor en uit de maatregel zelf blijkt dat verweerder wel degelijk rekening heeft gehouden met het feit dat eiseres een minderjarige zoon heeft. Verweerder heeft ook uitdrukkelijk gevraagd naar zijn verblijfplaats en heeft eiseres geprobeerd zo ver te krijgen dat zij het mogelijk zou maken dat haar zoon zich bij haar kon voegen. Eiseres heeft hier echter niet aan mee willen werken. In zoverre komt de scheiding tussen eiseres en haar zoon dan ook voor haar rekening en risico.
5. Ook na de inbewaringstelling is verweerder met eiseres in gesprek gebleven om te proberen eiseres en haar zoon te herenigen. Omdat eiseres bleef weigeren hieraan mee te werken heeft verweerder, na een belangenafweging, de bewaring opgeheven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder door zo te handelen voldoende aandacht gehad voor de situatie van de minderjarige zoon en zijn de belangen van eiseres en haar zoon, afgezet tegen het belang van verweerder, in voldoende mate bij de besluitvorming betrokken. Dat de uitkomst van de belangenafweging eerst anders was dan eiseres wenste maakt het voorgaande niet anders.
6. Ook ambtshalve toetsend is de rechtbank van oordeel dat de toepassing van de maatregel niet onrechtmatig is geweest.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.