ECLI:NL:RBDHA:2026:16423

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
704715
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 21 RvArtikel 6 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening inzake gebruik water, elektra en overpad woonark

Eisers zijn eigenaar van een woonark gelegen op een ligplaats die zij huren van de Staat. De woonark is bereikbaar via percelen die eigendom zijn van gedaagde, die het gebruik van water, elektriciteit en overpad heeft beëindigd en ontruiming eist.

Eisers vorderen in kort geding dat gedaagde wordt verplicht de voorzieningen en het gebruik van de percelen te gedogen, met dwangsommen bij overtreding. Gedaagde betwist het ontstaan van een erfdienstbaarheid door verjaring en beroept zich op privacy en een rechtsgeldige opzegging.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de principiële discussie over de erfdienstbaarheid niet in kort geding kan worden beslecht en dat de belangenafweging in het voordeel van eisers uitvalt. Gedaagde wordt bevolen de water- en elektriciteitsvoorzieningen te herstellen en het gebruik van de percelen te gedogen, met voorwaarden en dwangsommen. Tevens wordt gedaagde verboden zich op of rond de woonark te begeven.

De proceskosten worden aan gedaagde opgelegd. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde wordt bevolen water, elektriciteit en overpad te gedogen voor eisers met dwangsommen en proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/704715 / KG ZA 26-472
Vonnis in kort geding van 18 juni 2026
in de zaak van

1.. [eiser] te [woonplaats 1] ,2. [eiseres] te [woonplaats 2] ,

eisers,
hierna samen te noemen: [eisers] c.s. (meervoud),
advocaat: mr. D.H. Denecke,
tegen
[gedaagde]te [woonplaats 3] ,
gedaagde,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. F.M.L. Dekkers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 11 mei 2026 met producties 1 t/m 17;
- de conclusie van antwoord met producties 1 t/m 4;
- de akte overlegging producties van [eisers] c.s. met producties 18 t/m 23;
- de op 4 juni 2026 gehouden mondelinge behandeling, waarbij namens beide partijen pleitnotities zijn overgelegd.
1.2.
Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2.De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
2.1.
[eisers] c.s. zijn eigenaar van woonark “ [naam woonark 1] ” (hierna: ‘de Woonark’). De Woonark ligt sinds 1961 op een ligplaats in de [waterweg] te [woonplaats 3] ter hoogte van de [adres] . Het perceel van de ligplaats is kadastraal bekend als [kadastraal nummer 1] (hierna: [perceel 1] ). De ligplaats wordt sindsdien door opvolgende eigenaren van de Woonark gehuurd van de Staat der Nederlanden (hierna: de Staat), die eigenaar is van het gebied waar de [waterweg] zich bevindt.
2.2.
De Woonark grenst aan een perceel dat kadastraal bekend is als [kadastraal nummer 2] (hierna: [perceel 2] ). Tot 12 oktober 2007 was [perceel 2] eigendom van de Staat. De ligplaats van de Woonark wordt op de onderstaande afbeelding ter illustratie weergegeven met een blauwe stip. De blauwe pijl geeft de openbare weg aan.
2.3.
In 1986 heeft de Staat ontheffing verleend tot het hebben van onder meer een steiger en een vlonder langs de oever van [perceel 2] . De vlonder, het terras en de schuur van de Woonark bevinden zich deels boven het water en deels op [perceel 2] , zoals in de onderstaande afbeelding wordt weergegeven.
2.4.
Om van de Woonark naar de openbare weg te komen, wordt gebruikgemaakt van de percelen [perceel 2] , [perceel 3] en [perceel 4] .
2.5.
De heer [naam 1] was destijds - 1986 - eigenaar van de percelen [perceel 4] en [perceel 3] . In 1997 is hij overleden, waarna de percelen [perceel 3] en [perceel 4] in 2004 zijn toebedeeld aan zijn echtgenote, mevrouw [naam 2] , en kinderen.
2.6.
Bij brief van 9 augustus 2006 heeft mevrouw [naam 2] – de tante van [gedaagde] – de Staat verzocht om [perceel 2] aan haar te verkopen. Een van de bijlagen bij die brief betreft een door (onder meer) mevrouw [naam 2] ondertekende overeenkomst waarin aan (onder meer) de toenmalige eigenaar van de Woonark – [naam 3] – het onbeperkte gebruiksrecht en het recht van overpad ten aanzien van [perceel 2] is verleend. De overeenkomst is mede ondertekend door de opvolgend eigenaar van de Woonark, [naam 4] . In de tekst van de overeenkomst staat het volgende:
“Middels deze overeenkomst verleen ik, mevrouw [naam 2] , wonende te [adres] , het recht van overpad alsmede het onbeperkte gebruiksrecht ten laste van perceel kadastraal bekend [kadastraal nummer 2] voor het bereiken van de woonarken " [naam woonark 1] " en " [naam woonark 2] " gelegen aan de [waterweg] te [woonplaats 3] alsmede het gebruiken van de grond van voornoemd perceel aan de huidige eigenaren alsmede de eventuele toekomstige eigenaren van deze woonarken.”
2.7.
Op 16 augustus 2006 heeft [naam 4] – de vader van [eisers] c.s. – de Woonark gekocht van [naam 3] .
2.8.
[perceel 2] is op 12 oktober 2007 geleverd aan [naam 2] en haar zoon, [naam 5] .
2.9.
In 2011 is [naam 2] overleden en is haar zoon, [naam 5] , als enig erfgenaam eigenaar geworden van de percelen [perceel 2] , [perceel 4] en [perceel 3] .
2.10.
Na faillissement van [naam 5] in 2015, heeft de maatschap De Dolfijn (maten: [gedaagde] en [bedrijfsnaam] B.V.) de percelen [perceel 2] , [perceel 4] en [perceel 3] gekocht en vervolgens op 5 december 2016 geleverd gekregen.
2.11.
[naam 4] is in 2023 overleden, waarna [eisers] c.s. als erfgenamen de Woonark in eigendom hebben verkregen.
2.12.
Bij brief van 31 december 2024 heeft [gedaagde] aan [eisers] c.s. medegedeeld dat zij het gebruik van “het perceel” ten behoeve van de Woonark niet meer zal toestaan. Zij verwijst hierbij naar een opzegtermijn van één maand en verzoekt om ontruiming op uiterlijk 1 mei 2025.
2.13.
Bij brief van 14 januari 2025 hebben [eisers] c.s. aan [gedaagde] laten weten dat zij gebruik willen blijven maken van de Woonark, dat zij daartoe het recht hebben en dat zij niet zullen overgaan tot de verzochte ontruiming.
2.14.
Op 20 januari 2025 heeft [gedaagde] de percelen [perceel 2] , [perceel 4] en [perceel 3] volledig in eigendom verkregen. De percelen vormen samen één terrein waarop een woonboerderij staat. [gedaagde] woont in een van de woningen op de woonboerderij.
2.15.
[gedaagde] heeft in februari 2026 tegen [eisers] c.s. een procedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank [woonplaats 1] onder zaaknummer C/13/784311 (hierna: de bodemprocedure). In die procedure vordert zij – kort samengevat en voor zover hier van belang – verwijdering van de Woonark en alle opstallen die voor de Woonark op de kade liggen, afkoppeling van de Woonark van haar perceel en een aan [eisers] c.s. op te leggen verbod om de percelen [perceel 3] , [perceel 2] , en [perceel 4] te betreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom.
2.16.
In de bodemprocedure hebben [eisers] c.s. gevorderd de Staat in vrijwaring te mogen oproepen. De zaak staat momenteel op de rol voor vonnis in incident.
2.17.
Bij brief van 18 maart 2026 heeft [gedaagde] de Staat laten weten dat zij [eisers] c.s. geen toestemming meer geeft de percelen [perceel 3] , [perceel 2] en [perceel 4] te betreden om toegang te krijgen tot de Woonark, waarna de Staat bij brief van 18 maart 2026 de huurovereenkomst met [eisers] c.s. heeft opgezegd. [eisers] c.s. hebben bij brief van 17 april 2026 hun bezwaar geuit tegen de opzegging. De Staat heeft vervolgens de opzegging van de huurovereenkomst bij e-mail van 30 april 2026 ingetrokken.
2.18.
Op 27 april 2026 hebben [eisers] c.s. geconstateerd dat zij in de Woonark niet meer beschikken over water en elektriciteit. [gedaagde] heeft desgevraagd aan [eisers] c.s. meegedeeld dat zij tot afsluiting van die voorzieningen is overgegaan en dat zij die niet meer ter beschikking zal stellen. Ook liet zij weten de politie te zullen bellen als [eisers] c.s. haar percelen nog zouden betreden.
2.19.
[eisers] c.s. hebben [gedaagde] bij e-mail van 28 april 2026 gesommeerd de water- en elektriciteitsvoorzieningen diezelfde dag weer beschikbaar te stellen en te bevestigen dat [gedaagde] voor de duur van de bodemprocedure de voorzieningen niet zal afsluiten. [gedaagde] liet daarop weten niet aan de sommatie te zullen voldoen en de politie in te lichten bij betreding van haar erf.

3.Het geschil

3.1.
[eisers] c.s. vorderen – verkort en zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] gebiedt per datum van dit vonnis – en totdat een (andere) rechter daar anders over oordeelt – zowel de water- als de elektravoorzieningen aan [eisers] c.s. ter beschikking te stellen en beschikbaar te houden, op straffe van een te betalen dwangsom van € 10.000 ineens per overtreding en € 5.000 per dag(deel) dat die overtreding voortduurt, met een maximum van € 100.000;
II. [gedaagde] gebiedt per datum van dit vonnis – en totdat een (andere) rechter daar anders over oordeelt – haar percelen ( [perceel 2] , [perceel 3] en [perceel 4] ) aan [eisers] c.s. ter beschikking te stellen om te komen en te gaan van de Woonark naar de openbare weg, en hen daarin niet te belemmeren, aldus dat [eisers] c.s. daar lopend, dan wel met de auto, te allen tijde gebruik van kunnen maken en dus ook naar de parkeerplaats voor de schuur van [eisers] c.s. kunnen komen en gaan, op straffe van een te betalen dwangsom van € 10.000 ineens per overtreding en € 5.000 per dag(deel) dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 100.000;
III. [gedaagde] verbiedt zich per datum van dit vonnis – en totdat een (andere) rechter daar anders over oordeelt – te begeven op of rond de Woonark, althans de ligplaats, en zich te begeven op de aanhorigheden zoals de vlonder, het terras, bij de schuur en op de parkeerplaats (allen gelegen op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] ), op straffe van een te betalen dwangsom van € 10.000 ineens per overtreding, met een maximum van € 100.000;
IV. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van primair de daadwerkelijke proceskosten, subsidiair een veelvoud (vier maal) van de (forfaitaire) proceskosten, meer subsidiair de forfaitaire proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
Daartoe voeren [eisers] c.s. – samengevat – het volgende aan. [gedaagde] handelt onrechtmatig jegens [eisers] c.s. door het afsluiten van de water- en elektravoorzieningen, omdat die afsluiting in strijd is met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt. Bovendien heeft [gedaagde] geen belang bij het afsluiten van die voorzieningen. Datzelfde geldt voor het frustreren van het recht om gebruik te maken van de percelen van [gedaagde] om van de openbare weg naar de Woonark te komen en andersom. Voor wat betreft het recht van overpad geldt dat door verjaring – onder het oude (vóór 1992 geldende) dan wel het huidige (vanaf 1992 geldende) recht – een erfdienstbaarheid is ontstaan, nu de percelen al sinds 1961 door opvolgende huurders van de ligplaats op dezelfde manier worden gebruikt. Verder is sprake van huur van een woonruimte waarvoor [eisers] c.s. huur betalen. De opzegging, althans beëindiging van het gebruik door [eisers] c.s. van de percelen is in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid, vormt misbruik van recht en doorkruist de (huur)rechten van [eisers] c.s.
3.3.
[gedaagde] voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4.De beoordeling

4.1.
Ter beoordeling ligt kort gezegd voor of [gedaagde] is gehouden water en elektra ter beschikking te stellen aan [eisers] c.s. en of zij [eisers] c.s. in staat moet stellen haar percelen te gebruiken om van en naar de Woonark te gaan. Ook moet worden beoordeeld of het [gedaagde] moet worden verboden zich te begeven op of rond de Woonark.
4.2.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat het uitgangpunt is, dat de rechter in kort geding zich richt op de waarschijnlijke uitkomst van een eventuele bodemprocedure. De voorzieningenrechter moet dus beoordelen of in hoge mate te verwachten is dat een vordering ook in de bodemprocedure zal worden toegewezen en of het daarbij passend is om bij wijze van voorlopige voorziening op de bodembeslissing vooruit te lopen.
4.3.
Partijen twisten allereerst over de vraag of sprake is van een erfdienstbaarheid in de vorm van een recht op overpad. [eisers] c.s. menen dat zowel onder het oude als het nieuwe recht door verjaring een erfdienstbaarheid is ontstaan. [gedaagde] betwist dat, omdat het volgens haar onder het oude recht niet mogelijk was om via verjaring een erfdienstbaarheid van overpad te verkrijgen. Onder het nieuwe recht is ook geen erfdienstbaarheid ontstaan door verjaring, omdat van enige bezitshandeling geen sprake is geweest, aldus [gedaagde] . Het betreft hier een principiële discussie tussen partijen over een al dan niet door verjaring ontstane erfdienstbaarheid. Die discussie kan in kort geding, waar geen plaats is voor nader (feiten)onderzoek en nadere bewijslevering, niet worden beslecht. Partijen zullen wat betreft die kwestie de beoordeling van de bodemrechter moeten afwachten. De bodemzaak is reeds gestart. De vraag is of er, totdat in de bodemprocedure is beslist, een voorlopige voorziening moet worden getroffen. Dat zal hierna worden beoordeeld. Daarbij moet de voorzieningenrechter een belangenafweging maken.
4.4.
Voor [eisers] c.s. is het belang erin gelegen dat zij hun Woonark (met de auto) willen kunnen bereiken en op de Woonark willen beschikken over water en elektriciteit. [eisers] c.s. voeren aan dat zij door de afgesloten water- en elektriciteitsvoorzieningen niet op een gangbare manier kunnen recreëren en onbelemmerd gebruik kunnen maken van de Woonark. De andere opties die [gedaagde] aandraagt om de Woonark te bereiken, zoals via het water of via een geïmproviseerde loopbrug, zijn volgens hen geen reële opties.
4.5.
Het belang van [gedaagde] is erin gelegen dat zij door het verbieden van overpad over haar percelen wil zorgen voor een situatie met meer privacy rondom haar woning, mede omdat zij door een neurologische aandoening behoefte heeft aan een rustige leefomgeving. [gedaagde] voert aan dat zij het gevoel heeft dat zij wordt bekeken als [eisers] c.s. over haar percelen komen en gaan. Dit tast de privacy van [gedaagde] aan. Het afsluiten van de voorzieningen moet volgens haar niet worden gezien als het voor eigen rechter spelen, maar als een uitvloeisel van een rechtsgeldige opzegging waardoor de verplichting de voorzieningen te verzorgen niet meer geldt.
4.6.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de families van beide partijen al lange tijd in deze verhouding tot elkaar staan, waarbij de familie [eisers] gebruik maakt van het overpad over de percelen van de familie [gedaagde] en de familie [gedaagde] tegen betaling water- en elektriciteitsvoorzieningen beschikbaar stelt. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende reden om deze jarenlange gang van zaken in dit kort geding plots te veranderen in aanloop naar de uitspraak van de bodemrechter. Hoewel begrijpelijk is dat [gedaagde] thuis rust wil ervaren en ongestoord wil gebruikmaken van haar eigendom, weegt dat niet op tegen het belang van [eisers] c.s. om hun Woonark op een normale manier te kunnen bereiken en te gebruiken zoals geruime tijd door de eigenaren van de Woonark is gedaan. Een water- en elektriciteitsvoorziening is onmisbaar om van de Woonark gebruik te kunnen maken. Niet is gebleken dat [eisers] c.s. op een andere manier toegang kunnen krijgen tot die voorzieningen. Voor zover [gedaagde] aanvoert dat [eisers] c.s. stroom via zonnepanelen kunnen opwekken en water uit een watertank kunnen halen, gaat de voorzieningenrechter hieraan voorbij nu dit van [eisers] c.s. redelijkerwijs niet kan worden gevergd. Zoals gezegd worden de betreffende voorzieningen al jaren door de familie [gedaagde] aan de familie [eisers] verstrekt en er is geen voldoende zwaarwegende grond om dit onverwijld te beëindigen. De voorzieningenrechter weegt hierbij onder meer mee dat niet onwaarschijnlijk is dat in de bodemprocedure wordt geoordeeld dat geen sprake is van onrechtmatige hinder door [eisers] c.s. Bij die stand van zaken is het nog maar de vraag of in de bodemprocedure de vordering tot verwijdering van de Woonark zal worden toegewezen. Bij afwijzing van die vordering bestaat de mogelijkheid dat [gedaagde] gehouden zijn om water en elektriciteit te blijven leveren aan [eisers] c.s., ook als geen recht van overpad zou worden aangenomen (en [eisers] c.s. de Woonark dus op een andere wijze zullen moeten bereiken). Om die reden moet de belangenafweging in het voordeel van [eisers] c.s. uitvallen.
4.7.
Voor wat betreft het gebruik van de percelen van [gedaagde] – zowel lopend als met de auto, en het parkeren van de auto op de percelen van [gedaagde] – geldt hetzelfde. De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen het er in ieder geval over eens zijn dat de elkaar opvolgende eigenaren van de Woonark vanaf 1961 voor het komen en gaan van de Woonark naar de openbare weg gebruik hebben gemaakt van de percelen met nummers [perceel 2] , [perceel 3] en [perceel 4] . Het overpad is van belang om op een gangbare wijze gebruik te kunnen maken van de Woonark. Ook hier ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om in te grijpen in een situatie die zich al geruime tijd voordoet. De omstandigheid dat de Woonark op alternatieve manieren te bereiken is, doet daaraan niet af, nu de loopbrug enkel te voet te gebruiken is en niet is gebleken dat de nabijgelegen jachthaven in een parkeerplaats voor auto’s voorziet. [gedaagde] zal de aanrijroute van [eisers] c.s. en het parkeren van hun auto dan ook moeten gedogen totdat een beslissing is genomen in de bodemprocedure. Om tegemoet te komen aan het belang van [gedaagde] , zal hieraan de voorwaarde worden verbonden dat [eisers] c.s. haar steeds minimaal 24 uur voorafgaand aan hun komst (via het door [gedaagde] gewenste medium) daarvan op de hoogte moeten stellen en daarbij ook een reële inschatting zullen moeten geven van de duur van hun verblijf. Bij de belangenafweging is ten slotte rekening gehouden met de omstandigheid dat het bezoek van [eisers] c.s. aan de Woonark (vrijwel) alleen gedurende het vaarseizoen zal plaatsvinden.
4.8.
De conclusie van het voorgaande is dat [gedaagde] gehouden is om aan [eisers] c.s. (uiteraard tegen de gebruikelijke betaling) water en elektra beschikbaar te stellen en dat [gedaagde] [eisers] c.s. in staat moet stellen haar percelen te gebruiken om van en naar de Woonark te gaan. [gedaagde] zal daartoe worden geboden. Anders dan [gedaagde] meent, hebben [eisers] c.s. voldoende belang bij een spoedvoorziening in kort geding, nu het hen moeilijk dan wel onmogelijk wordt gemaakt op een gangbare manier gebruik te maken van hun Woonark. De vorderingen I en II worden toegewezen zoals in de beslissing vermeld.
4.9.
Het in 3.1 onder (III) gevorderde verbod zal worden toegewezen. Hoewel [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij zich vanwege zaakwaarneming op de Woonark heeft begeven, heeft zij dat na gemotiveerde betwisting door [eisers] c.s. niet nader onderbouwd, zodat voorshands niet kan worden vastgesteld dat zij zich op de Woonark mocht begeven. Ook al heeft [gedaagde] te kennen gegeven geen overwegende bezwaren te hebben tegen toewijzing van deze vordering, hebben [eisers] c.s. toch belang bij het gevorderde verbod.
4.10.
[eisers] c.s. vorderen aan de gevorderde geboden en het gevorderde verbod een dwangsom te verbinden. Hoewel [gedaagde] heeft aangevoerd dat een dwangsom ten aanzien van het in 4.9 besproken verbod achterwege kan blijven, vanwege onwenselijkheid met het oog op eventuele gevaarzetting, acht de voorzieningenrechter dat wel van belang als stimulans tot nakoming. Partijen hebben immers al eerder getwist over de vraag of sprake was van zaakwaarneming op grond waarvan [gedaagde] de Woonark al dan niet mocht betreden. De op te leggen dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd zoals vermeld in de beslissing.
4.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [eisers] c.s. heeft primair een veroordeling van de daadwerkelijke proceskosten gevorderd op grond van artikel 21 Rv Pro. Voor toewijzing van de werkelijke proceskosten is slechts plaats in geval van buitengewone omstandigheden. Daarbij moet worden gedacht aan gevallen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Gelet op het recht op toegang tot de rechter (artikel 6 EVRM Pro) is een zekere terughoudendheid bij het aannemen van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen gepast (Hoge Raad 6 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV7828).
4.12.
De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een daadwekelijke kostenveroordeling of een vermenigvuldiging van het forfaitaire tarief. Voor zover in onderhavige zaak al sprake is van onjuist informeren door [gedaagde] , is dat niet van dusdanige aard dat sprake is van misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten volgens het liquidatietarief. De proceskosten van [eisers] c.s. worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,77
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.860,77
4.13.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
gebiedt [gedaagde] onmiddellijk zowel de water- als de elektriciteitsvoorzieningen aan [eisers] c.s. weer ter beschikking te stellen en beschikbaar te houden, op straffe van een te betalen dwangsom van € 2.500 ineens per overtreding en € 500 per dag(deel) waarop de overtreding wordt voortgezet, met een maximum van € 25.000;
5.2.
gebiedt [gedaagde] – onder de voorwaarde dat [eisers] c.s. haar 24 uur voorafgaand aan hun komst daarvan op de hoogte stellen – onmiddellijk haar percelen ( [perceel 2] , [perceel 3] en [perceel 4] ) aan [eisers] c.s. ter beschikking te stellen om te komen en te gaan van de Woonark naar de openbare weg, en hen daarin niet te belemmeren, aldus dat [eisers] c.s. daar lopend, dan wel met de auto, gebruik van kunnen maken (ook naar de parkeerplaats voor de schuur van [eisers] c.s.), op straffe van een te betalen dwangsom van € 2.500 ineens per overtreding en € 500 per dag(deel) dat de overtreding wordt voortgezet, met een maximum van € 25.000;
5.3.
verbiedt [gedaagde] zich te begeven op of rond de Woonark, de ligplaats en de aanhorigheden zoals de vlonder, het terras, de schuur en de parkeerplaats (allen gelegen op de percelen [perceel 1] en [perceel 2] ), op straffe van een te betalen dwangsom van € 2.500 ineens per overtreding en € 500 per dag(deel) dat de overtreding wordt voortgezet, met een maximum van € 25.000;
5.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.860,77, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
5.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald;
5.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.R. Glass en in het openbaar uitgesproken op 18 juni 2026.
rs