ECLI:NL:RBDHA:2026:16457

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
NL22.9725 V
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 42 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet minister tegen uitspraak niet tijdig beslissen asielaanvraag gegrond verklaard

De zaak betreft het verzet van de minister van Asiel en Migratie tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank waarin het niet tijdig beslissen op een asielaanvraag werd vastgesteld. De rechtbank had de minister toen opgedragen binnen acht weken alsnog een besluit te nemen en een dwangsom opgelegd voor overschrijding van die termijn.

De minister had inmiddels op 13 februari 2023 de asielaanvraag ingewilligd. De rechtbank beoordeelt nu of het eerdere oordeel over het niet tijdig beslissen terecht was, mede gelet op de Dublinprocedure die voorafging aan de nationale behandeling. De minister stelde dat de beslistermijn pas begon toen Nederland verantwoordelijk werd, namelijk op 22 maart 2022, en niet bij de datum van de aanvraag.

De rechtbank oordeelt dat de ingebrekestelling van 11 mei 2022 prematuur was en dat de uitspraak van 5 december 2022 daarom vervalt. Omdat de minister inmiddels een besluit heeft genomen, is het beroep niet-ontvankelijk. De opgelegde dwangsom en proceskostenveroordeling vervallen eveneens. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting en verklaart het verzet gegrond.

Uitkomst: Het verzet van de minister wordt gegrond verklaard, de eerdere uitspraak vervalt en het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL22.9725 V

uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van

de Minister van Asiel en Migratie [1] , opposant.
(gemachtigde: mr. F.P. Dalhuizen),
tegen de uitspraak van de rechtbank van 5 december 2022 in het geding tussen
[geopposeerde], geopposeerde [2]
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. M. Grigorjan),
en

Opposant.

Inleiding

1. Deze uitspraak op het verzet van de minister gaat over de uitspraak van de rechtbank van 5 december 2022 [3] waarin de rechtbank het beroep van geopposeerde tegen het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag kennelijk gegrond heeft verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit heeft vernietigd, de minister heeft opgedragen om binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken, heeft bepaald dat de minister aan geopposeerde een dwangsom van € 100 (honderd euro) verbeurt voor elke dag waarmee hij deze termijn overschrijdt, en de minister heeft veroordeeld in de door geopposeerde gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 379,50 (driehonderdnegenenzeventig euro en vijftig cent).
1.1.
In het besluit van 13 februari 2023 heeft de minister de asielaanvraag van geopposeerde ingewilligd.
1.2.
De rechtbank heeft het voornemen geuit om zonder een zitting te houden uitspraak te doen op het verzet, en voor zover nodig ook op het beroep. Partijen hebben hierop niet gereageerd. De rechtbank doet uitspraak zonder zitting op grond van artikel 8:55, vierde en tiende lid, van de Awb. [4]

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak uitsluitend of in de uitspraak van 5 december 2022 terecht is geoordeeld dat buiten redelijke twijfel [5] is dat het beroep gegrond is. Zij doet dit aan de hand van de gronden van het verzet.
3. De rechtbank komt tot het oordeel dat het verzet gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
4. De verzetsrechter dient allereerst ambtshalve te beoordelen of de minister nog procesbelang heeft bij het verzet. Daarvan is sprake indien de minister met een gegrond verzet in een gunstigere positie kan geraken. Voor zover het verzet is gericht tegen de opdracht om binnen acht weken alsnog op de asielaanvraag van geopposeerde te beslissen, ontbreekt dat belang, omdat de minister inmiddels een besluit heeft genomen. De minister heeft echter nog wel procesbelang bij het verzet voor zover dit is gericht tegen de beslissingen over de verbeurde dwangsom en de proceskosten. Reeds daarom zal de rechtbank het verzet inhoudelijk beoordelen.
5. Het beroep van geopposeerde ging over het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. De rechtbank is tot de conclusie gekomen dat de beslistermijn is verstreken zonder beslissing op de asielaanvraag van geopposeerde. In de uitspraak is uitgegaan van de datum van de asielaanvraag als aanvang van de beslistermijn.
6. De minister voert aan dat hierbij de voorafgaande Dublinprocedure niet is betrokken. Daardoor is in de uitspraak ten onrechte niet onderkend dat de beslistermijn in deze zaak pas is aangevangen op het moment dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van de aanvraag. [6] In deze zaak heeft de minister op 11 oktober 2021 een terugnameverzoek aan Zweden gedaan. Op 13 oktober 2021 hebben de autoriteiten van Zweden hiermee ingestemd. De overdrachtstermijn bedraagt 6 maanden. Nu vervolgens op 21 maart 2022 aan eiser is bericht dat de zaak in de nationale procedure wordt behandeld, staat vast dat Nederland uiterlijk op dat moment verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag. De beslistermijn is daarom op 22 maart 2022 aangevangen. Op grond van artikel 42, eerste lid, van de Vw bedraagt de beslistermijn zes maanden. De uiterste beslisdatum was daarmee 22 september 2022.
7. De minister wijst er in zijn verzetschrift terecht op dat de ingebrekestelling van 11 mei 2022 prematuur was, omdat de beslistermijn pas op 22 september 2022 is geëindigd. Dat betekent dat de uitspraak van 5 december 2022 vervallen moet worden verklaard.
8. De rechtbank ziet aanleiding om meteen uitspraak te doen op het beroep. Daarvoor is redengevend dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. Dit licht de rechtbank als volgt toe.
9. Nu de minister inmiddels alsnog op de asielaanvraag van geopposeerde heeft beslist, heeft geopposeerde geen procesbelang meer bij het beroep. Het beroep zal dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding, omdat uit het voorgaande gebleken is dat ten tijde van het instellen van het beroep nog geen sprake was van niet tijdig beslissen.

Conclusie en gevolgen

Het verzet is gegrond en de uitspraak van 5 december 2022 vervalt. Daarmee vervallen de opgelegde rechterlijke dwangsom en proceskostenveroordeling. Het beroep is niet-ontvankelijk.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het verzet gegrond;
  • verklaart de uitspraak van 5 december 2022 vervallen;
  • verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is op 17 juni 2026 gedaan door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Voorheen de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Met geopposeerde wordt bedoeld de partij die geen verzetschrift heeft ingediend.
4.Algemene wet bestuursrecht.
5.Dit volgt uit artikel 8:54 van Pro de Awb.
6.Dit volgt uit artikel 42, zesde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).