ECLI:NL:RBDHA:2026:16464
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening in asielprocedure na beslissing op beroep
Verzoeker heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister van Asiel en Migratie op 8 oktober 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. Hiertegen is beroep ingesteld bij de rechtbank.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, zodat het beroep in Nederland mag worden afgewacht, behandeld. Tijdens de zitting op 4 juni 2026 was de gemachtigde van de minister aanwezig, maar verzoeker en zijn gemachtigde waren afwezig.
De rechtbank heeft op dezelfde dag uitspraak gedaan op het beroep, waardoor de noodzaak voor een voorlopige voorziening verviel. Om die reden is het verzoek afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen omdat op het beroep reeds is beslist.