Uitspraak
Rechtbank den haag
1.De procedure
2.De feiten
3.Het geschil
primairde Staat te veroordelen om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van [eiser] met onmiddellijke ingang te staken en gestaakt te houden en de Staat te gebieden om uitvoering te geven aan het besluit tot voorwaardelijke invrijheidstelling, op straffe van een dwangsom, en
subsidiairde Staat te veroordelen om tot de herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van [eiser] te staken en gestaakt te houden, een en ander met veroordeling van de Staat in de proceskosten, te vermeerderen met de nakosten en de wettelijke rente.
4.De beoordeling van het geschil
‘aan de veroordeelde tot tijdelijke gevangenisstraf voor meer dan twee jaren wanneer hij twee derde gedeelte daarvan heeft ondergaan, met dien verstande dat de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend, niet langer kan zijn dan twee jaren.’. Vast staat dat [eiser] op grond van die bepaling pas op 13 juli 2027 in aanmerking komt voor voorwaardelijke invrijheidstelling. In plaats daarvan is hij ruim een jaar eerder, op 12 mei 2026, voorwaardelijk in vrijheid gesteld.