Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16477

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
09-074465-26 en 09-194204-25 (ttz. gev.)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36b SrArt. 36c SrArt. 38m SrArt. 38n SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor meervoudige fietsendiefstallen en oplegging ISD-maatregel

De rechtbank Den Haag heeft verdachte veroordeeld voor meerdere fietsendiefstallen gepleegd tussen december 2024 en maart 2026 in Den Haag en Rijswijk. De feiten betreffen zowel medeplegen als individuele diefstallen door middel van braak. De verdachte heeft een bekennende verklaring afgelegd en de tenlastegelegde feiten zijn wettig en overtuigend bewezen verklaard.

De rechtbank heeft de bewijsmiddelen, waaronder aangiften, proces-verbalen en videobeelden, zorgvuldig gewogen. Bij één diefstal op 15 april 2025 sprak de rechtbank verdachte vrij van medeplegen omdat de beelden geen nauwe samenwerking toonden. De verdachte heeft een uitgebreid strafblad met meerdere eerdere veroordelingen voor vermogensdelicten.

Gezien het hoge recidiverisico en het ontbreken van hulpverlening acht de rechtbank een onvoorwaardelijke ISD-maatregel passend. De maatregel wordt opgelegd voor de maximale duur van twee jaren. Daarnaast zijn schadevergoedingen deels toegewezen aan benadeelden, waarbij de rechtbank rekening hield met afschrijving en onvoldoende onderbouwing van sommige vorderingen.

De rechtbank heeft ook beslaggenomen goederen onttrokken aan het verkeer en bepaalde voorwerpen teruggegeven aan de rechthebbenden. De uitspraak is gewezen op 18 juni 2026 door de meervoudige kamer van de rechtbank Den Haag.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld voor meervoudige fietsendiefstallen en opgelegd een onvoorwaardelijke ISD-maatregel van twee jaar.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummers: 09-074465-26 en 09-194204-25 (ttz. gev.)
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaken van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland en op dit moment in
voorlopige hechtenis verblijvende in Penitentiaire Inrichting [plaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 4 juni 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. de L’Isle en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. A.M.V. Bandhoe naar voren is gebracht.

2.De tenlastelegging

De verdenkingen komen er, kort gezegd, op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan:
Dagvaarding I (09-074465-26)
vier diefstallen door middel van braak of verbreking van de fietsen van [aangever 1] en/of [aangever 2] en/of [aangever 3] en/of [aangever 4] in de periode van 1 februari 2026 tot en met 6 maart 2026 te Rijswijk;
Dagvaarding II (09-194204-25)
1. medeplegen van diefstal door middel van braak van een fiets van [aangever 5] op 28 december 2024 te ’s-Gravenhage;
2. medeplegen van diefstal door middel van braak van een fiets van [aangever 6] op 29 januari 2025 te ’s-Gravenhage;
3. diefstal door middel van braak van een fiets van [aangever 7] op 4 februari 2025 te ’s-Gravenhage;
4. medeplegen van diefstal door middel van braak van een fiets van [aangever 8] op 15 april 2025 te ’s-Gravenhage.
De volledige tekst van de tenlastelegging is als
bijlage Iaan dit vonnis gehecht.

3.De bewijsbeslissing

3.1.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten, met dien verstande dat ten aanzien van het onder feit 4 van dagvaarding II alleen wordt gerekwireerd tot bewezenverklaring van ‘diefstal met braak’ en daarmee gedeeltelijke vrijspraak wordt gevorderd voor het ten laste gelegde medeplegen.
3.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding II onder 4 tenlastegelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot de overige ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3.
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal voor het onder dagvaarding I ten laste gelegde en voor de feiten 2 en 3 van dagvaarding II met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, volstaan. De verdachte heeft deze bewezenverklaarde feiten namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
De officier van justitie heeft met betrekking tot deze feiten eveneens gerekwireerd tot bewezenverklaring.
Dagvaarding I
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2026078699, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 192).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 4], opgemaakt op 4 februari 2026 (p. 12-14);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 13 februari 2026 (p. 32-34);
4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 3], opgemaakt op 3 maart 2026 (p. 17-18);
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 7 maart 2026 (p. 35-68);
6. Het proces-verbaal van aangifte van [naam], namens [aangever 2], opgemaakt op 4 maart 2026 (p. 22-23);
7. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 maart 2026 (p. 69-80);
8. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 1], opgemaakt op 6 maart 2026 (p. 27-28).
Dagvaarding II, feiten 2 en 3
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025038598, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 240), het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025038598, van de politie eenheid Den Haag, met bijlagen (niet doorgenummerd blad 1 t/m 240 en doorgenummerd pagina 1 t/m 188 en pagina 1-76).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 juni 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 6], opgemaakt op 30 januari 2025 (p. 198-200);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 10 februari 2025 (p. 210-211);
4. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever 7], opgemaakt op 4 februari 2025 (p. 140-142);
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 11 februari 2025 (p. 143-145).
3.4.
Gebruikte bewijsmiddelen dagvaarding II feiten 1 en 4
De rechtbank heeft in de
bijlage IIopgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.
3.5.
Bewijsoverwegingen dagvaarding II feit 4
Op 15 april 2025 is de fiets van aangever [aangever 8] gestolen. Het dossier bevat beelden van deze diefstal. De rechtbank acht dit feit wettig en overtuigend bewezen en gaat dus voorbij aan de ontkenning van de verdachte dat hij deze fiets heeft gestolen. Redengevend acht de rechtbank, naast de aangifte, dat de verdachte door verschillende verbalisanten is herkend als de persoon met de blauwe trui. Deze verbalisanten hebben meerdere malen contact gehad met de verdachte en hebben in die hoedanigheid de verdachte herkend.
Anders dan ten laste is gelegd en met de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat de verdachte dit feit alleen heeft gepleegd. Op basis van de beelden kan niet worden vastgesteld dat de verdachte en de andere persoon op de beelden een nauwe en bewuste samenwerking hebben gehad bij het plegen van deze fietsendiefstal. De rechtbank zal daarom de verdachte van het onderdeel medeplegen vrijspreken.
De rechtbank zal de verdachte ook van het ten laste gelegde ‘braak’ vrijspreken nu op de beelden niet waarneembaar is dat de verdachte handelingen heeft verricht om het slot van het fiets open te breken. Op de beelden is slechts te zien dat de verdachte een fiets uit de rij fietsen pakt en deze fiets meeneemt.
Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de diefstal van de fiets van aangever Havelaar.
3.6.
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot de ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
Dagvaarding I (09-074465-26)
hij in de periode gelegen tussen 1 februari 2026 en 6 maart 2026, te Rijswijk, (elektrische) fietsen, die aan [aangever 1], en [aangever 2], en [aangever 3], en [aangever 4], toebehoorden, heeft weggenomen, met het oogmerk om
dezezich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen fiets
enonder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
Dagvaarding II (09-194204-25)
1
hij op 28 december 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een
ander, een
elektrischefiets,
dieaan [aangever 5] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
2
hij op 29 januari 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een
ander, een fiets, in elk geval enig goed, die aan [aangever 6] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader dat weg te nemen goed onder hun bereik hebben gebracht door middel van braak;
3
hij op 4 februari 2025 te 's-Gravenhage een fiets,
dieaan [aangever 7] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
4
hij op 15 april 2025 te 's-Gravenhage een fiets, die aan [aangever 8] toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4.De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De oplegging van een maatregel

6.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat aan de verdachte een onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) wordt opgelegd.
6.2.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft naar voren gebracht dat er nooit eerder is ingezet op hulpverlening om recidive te voorkomen. Dat is wel een voorwaarde om de ISD-maatregel op te leggen. De raadsman heeft verzocht om een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, zodat de verdachte gewaarschuwd is dat hij niet opnieuw moet recidiveren. Indien de ISD-maatregel wel wordt opgelegd, verzoekt de raadsman deze tussentijds te laten toetsen.
6.3.
Het oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de maatregel neemt de rechtbank het volgende in aanmerking.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan acht fietsendiefstallen. Blijkens zijn strafblad van 12 mei 2026 is de verdachte vaker veroordeeld wegens vermogensdelicten, onder meer tot gevangenisstraffen. Verder is een van de in dit vonnis bewezenverklaarde feiten gepleegd op 3 februari 2026, de dag dat verdachte uit detentie kwam na een veroordeling vanwege een andere fietsendiefstal.
Reclasseringsadviezen
De rechtbank heeft kennisgenomen van de reclasseringsadviezen over de verdachte van 20 maart 2026 en 29 mei 2026. Daaruit volgt – kort samengevat – dat de verdachte ongeveer 14 jaar in Nederland is, maar dat hij nooit op een adres in Nederland ingeschreven heeft gestaan en voor woonruimte altijd afhankelijk is geweest van derden. Ook beschikt hij niet over een identiteitsbewijs. Er zijn aanwijzingen dat hij drugs gebruikt en aangestuurd wordt om stelselmatig vermogensdelicten te plegen. De diagnostiek - die meer inzicht geeft in zijn (delict)gedrag en mogelijk zou kunnen verklaren waarom het de verdachte al die jaren niet is gelukt om een zelfstandig bestaan in Nederland op te bouwen - ontbreekt. De verdachte doet voorkomen dat hij geen problemen heeft, die hij zelf niet kan oplossen. Hij ontkent drugs te gebruiken of psychosociale problemen te hebben. Ook ontkent hij financiële problemen en een negatief sociaal netwerk te hebben. De reclassering ziet geen mogelijkheden om gerichte voorwaarden op te stellen die gerede kans bieden om de risico’s in het kader van een voorwaardelijke veroordeling in te perken. In die zin lijkt een onvoorwaardelijke ISD-maatregel noodzakelijk, die, tijdens de intramurale fase, abstinentie van middelen afdwingt, recidive voorkomt en de verdachte in staat stelt om een paspoort aan te vragen. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog.
Vereisten ISD-maatregel
De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de vereisten van artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de ISD-maatregel. De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere diefstallen. Dit zijn misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Ook is de verdachte, zo blijkt uit zijn strafblad, in de vijf jaren voorafgaand aan onderhavige feiten ten minste drie maal onherroepelijk wegens een misdrijf veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. Deze straffen zijn volledig ten uitvoer gelegd. De bewezenverklaarde feiten zijn begaan na de tenuitvoerlegging van deze straffen.
Gelet op het uitgebreide strafblad van de verdachte en het door de reclassering ingeschatte hoge risico op recidive, moet er ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan waarbij de veiligheid van personen of goederen in het geding is.
De verdachte valt onder de definitie van stelselmatige dader uit de Richtlijn voor strafvordering bij meerderjarige veelplegers, nu over een periode van vijf jaren processen-verbaal voor meer dan tien misdrijffeiten tegen hem zijn opgemaakt, waarvan ten minste één misdrijf in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde misdrijffeit.
Beoordeling rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de onvoorwaardelijke ISD-maatregel de enige passende afdoening is en overweegt daartoe als volgt.
De verdachte heeft bij de reclassering en ter zitting naar voren gebracht dat hij geen hulp nodig heeft. Wel heeft hij op zitting toegegeven in ieder geval een deel van de onderhavige diefstallen onder invloed van middelen te hebben gepleegd. Evenals de reclassering ziet de rechtbank sterke aanwijzingen voor (verslavings)problematiek en kwetsbaarheid bij de verdachte. Het zelfinzicht ontbreekt echter en beschermingsfactoren zijn er ook niet. Eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraffen hebben de verdachte er niet van weergehouden om opnieuw strafbare feiten te plegen. Gelet op dit alles acht de rechtbank een voorwaardelijk kader als waarschuwing voor de verdachte een gepasseerd station. De rechtbank is van oordeel dat de veiligheid van personen en goederen het opleggen van de onvoorwaardelijke ISD-maatregel eist. Daarnaast kan de maatregel een oplossing bieden voor de mogelijke problematiek van de verdachte en om herhaling van zijn delictgedrag na afloop van de maatregel te voorkomen.
Daarom zal de rechtbank de ISD-maatregel opleggen voor de maximale duur van twee jaren en de tijd die de verdachte vóór tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten niet aftrekken van de duur van die maatregel.

7.De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel

[aangever 7] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.200,- en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 3] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.400,-, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
[aangever 4] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 577,73, en te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever 3] en [aangever 4] kunnen worden toegewezen.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 7] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard nu de vordering onvoldoende is onderbouwd.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft naar voren gebracht dat de benadeelde partij [aangever 7] de vordering niet heeft onderbouwd met facturen. Bovendien is de nieuwwaarde van de elektrische fiets gevorderd, terwijl de gestolen fiets zes a zeven jaar oud was. Indien de vordering wordt toegewezen, zal er rekening moeten worden gehouden met de afschrijving van de fiets.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partij een betere fiets heeft gekocht dan hij had. Het kan niet zo zijn dat men door het strafbare feit in een betere situatie komt. Daarnaast heeft de benadeelde partij vergoeding voor de kilometers voor een gehele maand verzocht terwijl de benadeelde partij al [aangever 4] een nieuwe fiets had aangeschaft.
Ten slotte heeft de verdediging bepleit dat de benadeelde partij [aangever 3] de vordering niet heeft onderbouwd. De benadeelde partij vordert ook de nieuwprijs van de fiets terwijl de gestolen fiets vier a vijf jaar oud was. Ook hier moet rekening worden gehouden met afschrijving.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De benadeelde partij [aangever 7]
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.
De benadeelde partij [aangever 4]
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘eigen inleg nieuwe fiets’ en ‘nieuw extra kettingslot’, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit van dagvaarding I, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de posten ‘ov kosten’, ‘fietsverzekering afsluitkosten’ en de immateriële schade, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 201,95, bestaande uit materiële schade.
De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 18 februari 2026, omdat de kosten voor de toegewezen posten op die datum zijn gemaakt en daarmee vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit van dagvaarding I is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 201,95, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 februari 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 4].
De benadeelde partij [aangever 3]
De vordering, voor zover deze betrekking heeft op de posten ‘twee extra sloten’ en ‘twee fietstassen’, is namens de verdachte niet (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door het bewezen verklaarde feit van dagvaarding I, ter grootte van het gevorderde bedrag.
De rechtbank zal, voor zover de vordering betrekking heeft op de post ‘ebike stella nieuwprijs’, de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. Dit deel van de vordering is namens de verdachte (gemotiveerd) betwist en door de benadeelde partij onvoldoende onderbouwd. De benadeelde partij de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing van dit deel van de vordering zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De benadeelde partij kan dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van
€ 200,-, bestaande uit materiële schade. De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van de datum van deze uitspraak, 18 juni 2026.
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Nu de verdachte ten opzichte van het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde strafbare feit van dagvaarding I is toegebracht en de verdachte voor dit feit zal worden veroordeeld, zal de rechtbank aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag € 200,-, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 18 juni 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan, ten behoeve van het slachtoffer genaamd [aangever 3].

8.De inbeslaggenomen voorwerpen

8.1.
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert voorts dat de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst) onder 1, 2, 3, 4 en 5 genummerde voorwerpen zullen worden onttrokken aan het verkeer en dat het onder 6 genummerde voorwerp zal worden bewaard ten behoeve van de rechthebbende.
8.2.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit dat de fiets terug kan naar de rechthebbende en de sleutelbos ook. Het gereedschap kan onttrokken worden aan het verkeer.
8.3.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de op de beslaglijst onder 1, 2, 3, 4 en 5 genummerde voorwerpen onttrekken aan het verkeer. Deze voorwerpen zijn voor onttrekking aan het verkeer vatbaar, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen de bewezen verklaarde feiten zijn begaan.
Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan de rechthebbende gelasten van het op de beslaglijst onder 6 genummerde voorwerp.

9.De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op de artikelen:
36b, 36c, 38m, 38n, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

10.De beslissing

De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.6 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:
Dagvaarding I (09-074465-26):
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak, meermalen gepleegd;
Dagvaarding II (09-194204-25):
ten aanzien van feit 1:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
ten aanzien van feit 2:
diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
ten aanzien van feit 3:
diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
ten aanzien van feit 4:
diefstal
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
legt de verdachte op
de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige dadersvoor de duur van
2 (TWEE) JAREN;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 7] (parketnummer 09-194204-25, feit 3)
verklaart de benadeelde partij
[aangever 7]niet-ontvankelijk in de vordering;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 4] (parketnummer 09-074465-26)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
[aangever 4]gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 201,95 en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 201,95, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 februari 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 201,95, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 februari 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 2 (twee) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd;
de vordering van de benadeelde partij [aangever 3] (parketnummer 09-074465-26)
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
[aangever 3]gedeeltelijk toe tot een bedrag van € 200,- en veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, een bedrag van € 200,-, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 18 juni 2026 tot aan de dag waarop deze vordering is voldaan;
verklaart de benadeelde partij niet-ontvankelijk in het resterende deel van de vordering; bepaalt dat dit deel van de vordering slechts kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij te betalen € 200,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 18 juni 2026 tot aan de dag van de algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 2 (twee) dagen;
verstaat dat betaling aan de benadeelde partij tevens geldt als betaling aan de Staat ten behoeve van de benadeelde partij en omgekeerd.
de inbeslaggenomen goederen;
verklaart onttrokken aan het verkeer de op de beslaglijst onder 1 tot en met 5 genoemde voorwerpen, te weten:
1.
1. STK Sleutelbos
(omschrijving Fietssleutels);
2.
1. STK Gereedschap
(Omschrijving PL1500-2026073407-3475004, Groen, merk, Luxtools);
3.
1. STK Gereedschap
(Omschrijving: PL1500-2026073407-3495964);
4.
1. STK Gereedschap
(Omschrijving: PL1500-2026073407-3495961);
5.
1. STK Gereedschap
(Omschrijving: PL1500-2026073407-3495952);
gelast de teruggave aan [aangever 3] van het op de beslaglijst onder 6 genoemde voorwerp, te weten:
6.
1. STK Fiets Dames
(Omschrijving: PL1500-2026073407-3470823, blauw, merk: Stella Liverno).
Dit vonnis is gewezen door
mr. A. Tsjapanova, voorzitter,
mr. N.B. Haverhoek, rechter,
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Dagvaarding I (09-074465-26)
hij in de periode gelegen tussen 1 februari 2026 en 6 maart 2026, te Rijswijk, een of meer (elektrische) fietsen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 1], en/of [aangever 2], en/of [aangever 3], en/of [aangever 4], in elk geval aan een ander toebehoorde(n), heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen fiets onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en/of verbreking;
Dagvaarding II (09-194204-25)
1
hij op of omstreeks 28 december 2024 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (electrische) fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [aangever 5], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;
2
hij op of omstreeks 29 januari 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 6], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak;
3
hij op of omstreeks 4 februari 2025 te 's-Gravenhage een fiets, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan [aangever 7], in elk geval aan een ander toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
4
hij op of omstreeks 15 april 2025 te 's-Gravenhage tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [aangever 8], in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl
verdachte en/of zijn mededader dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak.