4.3Het oordeel van de rechtbank
Noodweer
Voor een geslaagd beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het
Wetboek van Strafrecht (Sr) dient vast te staan dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waartegen verdediging noodzakelijk was.
Volgens vaste rechtspraak kan een beroep op noodweer niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Noodweersituatie
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een noodweersituatie in de zin van artikel 41, eerste lid, Sr.
De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij op 24 december 2024 in de avond alleen thuis was en op zijn kamer op zijn computer naar Youtube keek. De aangever kwam op enig moment thuis en sloot gelijk de stroom af. De verdachte heeft daarop zijn moeder een bericht gestuurd die aangaf zo snel mogelijk naar huis te komen. De verdachte hoorde de aangever vervolgens de trap op rennen. De aangever duwde vervolgens de slaapkamerdeur van de verdachte open, waarbij de deur klapte tegen het kastje, waarmee de verdachte de deur had gebarricadeerd. De aangever begon meteen te schelden en stonk naar alcohol. De verdachte zag dat de aangever de stok, waarmee de zolder geopend kan worden, in zijn hand had. De aangever, die in de kamer van de verdachte stond, heeft de verdachte vervolgens bij zijn nek gepakt. De verdachte heeft verklaard dat hij al een jaar lang bang was voor de aangever, en vervolgens in paniek iets van zijn tafel heeft gepakt en de aangever daarmee heeft gestoken. De verdachte heeft vervolgens zijn schoenen aangetrokken en is uit zijn raam gesprongen. De verdachte heeft daarna meteen zijn moeder gebeld.
De verklaringen van de verdachte worden ondersteund door het dossier. In de telefoon van de verdachte is een appje van de verdachte aan zijn moeder aangetroffen waarin staat ‘Hij is net thuis en kkrt gelijk t internet er uit’. Ook is in zijn telefoon te zien dat de verdachte kort na dat appje zijn moeder heeft gebeld. Door de verbalisanten is ter plaatse waargenomen dat in een plas bloed in de deuropening van de slaapkamer van de verdachte een stok op de grond lag. De verdachte heeft verklaard dat dit de stok was die de aangever in zijn hand had. Daarnaast is door de verbalisant waargenomen dat het slachtoffer erg onder invloed leek van alcohol. Ook is bij de verdachte waargenomen dat hij twee rode plekjes op zijn hals had. De moeder van de verdachte heeft verklaard dat zij in de auto op weg naar huis door de verdachte werd gebeld en dat zij de verdachte hoorde roepen 'Ik wilde dit niet, je gaat doodbloeden, maar ik wilde dit niet' en dat hij helemaal in paniek klonk. Ook bevestigt de moeder dat de verdachte zijn kamerdeur barricadeert met een kastje en op de foto’s in het dossier is te zien dat de slaapkamerdeur maar een klein stukje openstaat. In het sfeer proces-verbaal wordt onderschreven dat er eerder meldingen en incidenten zijn geweest over spanningen tussen de verdachte en de aangever. Ook de aangever heeft verklaard dat hij de verdachte eerder met een sloophamer had bedreigd en dat hij zich kon voorstellen dat dit angst bij de verdachte had veroorzaakt.
De verklaringen van de verdachte zijn consistent en ogen mede gezien de ook door verbalisanten waargenomen emoties, authentiek. Zij worden ondersteund door verdere dossierinformatie. Tegenover de verklaring van de verdachte staat de verklaring van aangever, die de rechtbank niet of minder betrouwbaar acht. De aangever verklaart wisselend over de mate waarin hij die avond alcohol had gebruikt, terwijl de verbalisant die op de avond van het incident ter plaatse is geweest beschrijven dat de aangever erg onder invloed van alcohol en vergeetachtig was en op basis van zijn manier van spreken, sloom en met dubbele tong, de indruk kreeg dat hij heel wat meer alcohol gedronken moest hebben dat wat de drie of vier glazen die hij noemde. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte in het licht van dit alles geloofwaardig en gaat hiervan uit bij haar beoordeling of sprake is van een noodweersituatie.
Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het dossier voldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte, waartegen verdediging noodzakelijk was. Daarbij overweegt de rechtbank dat de verdachte zich in zijn eigen kamer bevond en het slachtoffer uit het niets zijn kamer binnen kwam stormen. Het slachtoffer heeft het eerste fysieke contact gezocht door met een stok de kamer in te komen en de verdachte bij zijn nek te grijpen. De verdachte bevond zich daarmee in een benarde situatie, waarin hij werd belaagd en fysiek werd aangevallen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gedragingen waarmee de verdachte zich vóór het steken met het mes geconfronteerd zag, geduid kunnen worden als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf waartegen hij zich mocht verdedigen. De rechtbank concludeert dan ook dat sprake was van een noodweersituatie.
Subsidiariteit
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was (het subsidiariteitsvereiste). Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.
De noodzaak tot verdediging ontbreekt indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is, dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.
Volgens de verdachte voelde het alsof hij in een situatie zat waaruit hij zich niet kon onttrekken en waarin hij vreesde voor zijn leven, omdat hij geen kant op kon en hij al bang was voor een fysieke confrontatie met het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank kon van de verdachte onder die omstandigheden – aangevallen worden in de eigen slaapkamer met een stok en bij de nek te worden gegrepen – niet worden gevergd om zich aan de aanval te onttrekken door op de vlucht te slaan, voor zover dit al mogelijk was aangezien de aangever bij de (al beperkte) slaapkamerdeuropening stond. Het zich met fysiek geweld verdedigen tegen deze aanval was daarom naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk. Hieruit volgt dat aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan.
Proportionaliteit
De rechtbank moet tot slot de vraag beantwoorden of de wijze van verdediging door de verdachte proportioneel was. Uit de proportionaliteitseis volgt dat een gedraging niet straffeloos is als deze gedraging – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van de verdachte als proportioneel worden aangemerkt. De verdachte heeft verklaard dat hij eerst een stok heeft gezien en dat hij vervolgens iets van zijn bureau heeft gepakt waarmee hij heeft gezwaaid om zichzelf te verdedigen en zijn ex-stiefvader op afstand te houden. De verdachte heeft één keer gestoken. Gegeven de hiervoor beschreven omstandigheden, waarbij de verdachte in zijn eigen slaapkamer werd aangevallen, was het door de verdachte in de praktijk gebrachte verdedigingsmiddel, te weten het eenmalig steken met een mes, naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig. De verdachte bevond zich in een onoverzichtelijke situatie waarin hij niet wist wat het slachtoffer verder met hem van plan was te doen en welk geweld hem mogelijk nog te wachten stond. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte zodra daar de ruimte voor ontstond, is weggevlucht via zijn slaapkamer en daarbij een sprong van drie meter (uit het slaapkamerraam vanaf de eerste verdieping naar buiten) heeft moeten maken.
Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de door de verdachte gekozen gedragingen als verdedigingsmiddel in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding, waarmee voldaan is aan de zogenaamde proportionaliteitseis.
Conclusie
De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep op noodweer slaagt. De rechtbank acht het bewezen verklaarde om die reden niet strafbaar. De verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Dit betekent dat de rechtbank voor het bewezenverklaarde geen straf zal opleggen aan de verdachte.