Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16484

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
09-407701-24
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Ontslag van rechtsvervolging
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 41 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontslag van rechtsvervolging wegens noodweer bij poging doodslag

De rechtbank Den Haag behandelde op 4 juni 2026 de zaak tegen verdachte die op 26 december 2024 te Waddinxveen de aangever met een mes in de linkerflank had gestoken. De tenlastelegging betrof poging doodslag, subsidiair poging tot zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank stelde vast dat verdachte met voorwaardelijk opzet handelde, omdat het steken in de linkerflank met een groot mes een aanmerkelijke kans op de dood van de aangever inhield. De verdediging voerde een beroep op noodweer aan, dat ook door de officier van justitie werd onderschreven.

Uit de feiten bleek dat de aangever de slaapkamer van verdachte binnenstormde, hem bij de nek greep en een stok vasthield, terwijl verdachte zich barricadeerde en in paniek handelde. De rechtbank oordeelde dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, waarbij verdediging noodzakelijk en proportioneel was. Daarom werd verdachte ontslagen van alle rechtsvervolging. De vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging wegens noodweer bij poging doodslag.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09-407701-24
Datum uitspraak: 18 juni 2026
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Den Haag in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte](hierna: de verdachte),
geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres], [woonplaats].

1.Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte is behandeld op de terechtzitting van 4 juni 2026.
De officier van justitie in deze zaak is mr. K. van Diemen en de raadsman van de verdachte is mr. S. Konya te Bodegraven. De verdachte is op de terechtzitting verschenen.

2.De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 26 december 2024 te Waddinxveen, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, die [aangever] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buikstreek dan wel in de flank, althans in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 26 december 2024 te Waddinxveen, althans in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [aangever] met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, in de buikstreek dan wel in de flank, althans in het lichaam heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

3.De bewijsbeslissing

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair tenlastegelegde.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte vrijspraak van het primair ten laste gelegde bepleit en heeft zich met betrekking tot het subsidiair ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
3.3
Gebruikte bewijsmiddelen
De rechtbank heeft hierna de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden opgenomen.
Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer 2024416239, van de politie eenheid Den Haag, district Alphen aan den Rijn - Gouda, met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 154).
1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangever], opgemaakt op 26 december 2024, voor zover inhoudende (p. 12-13):
Op 26 december 2024 omstreeks 21.31 uur kwam ik boven bij de kamer van mijn stiefzoon. Ik zag dat mijn stiefzoon een mes in zijn hand had. Ik zag dat hij mij met dit mes in mijn zij stak en ik voelde pijn.
2. Het geschrift, te weten een letselbeschrijving, op 26 februari 2025 opgemaakt en ondertekend door [naam], Forensisch arts KNMG, voor zover inhoudende (p. 148):
Betrokkene is op 26 december 2024 via de Spoedeisende hulp afdeling beoordeeld. Er was sprake van een steekverwonding in de linkerflank met de lengte van enkele centimeters. Er werd aanvullend beeldvormend onderzoek gedaan, waarbij er letsel bleek, waarvoor met spoed een operatie noodzakelijk was. Er was sprake van een verwonding aan de milt en een verwonding van de buikwand. Beide letsels konden met de operatieve ingreep gestelpt en hersteld worden. Betrokkene werd aansluitend in het ziekenhuis opgenomen en kon na enkele dagen na goed herstel naar huis ontslagen worden.
3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 4 juni 2026, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik [aangever] met een mes heb gestoken.
3.4
Bewijsoverwegingen
De rechtbank stelt op basis van de bewijsmiddelen vast dat de verdachte de aangever met een mes in zijn linkerflank heeft gestoken.
De rechtbank moet beoordelen of deze gedraging van de verdachte als een poging doodslag, zoals primair ten laste gelegd, dan wel als de subsidiair ten laste gelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel kan worden gekwalificeerd.
Om te kunnen komen tot een bewezenverklaring van een poging tot doodslag dient te worden vastgesteld dat de verdachte opzet – vol of voorwaardelijk – heeft gehad op de dood van de aangever. De rechtbank ziet geen aanwijzingen in het dossier en in wat op de zitting is besproken dat de verdachte ‘vol’ opzet had op de dood van de aangever, in die zin dat de verdachte echt de bedoeling had om hem te doden.
De officier van justitie heeft betoogd dat sprake is geweest van voorwaardelijk opzet. Er is sprake van voorwaardelijk opzet wanneer de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden en deze kans bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept – in dit geval de dood van de aangever -, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg heeft aanvaard.
De rechtbank stelt voorop dat het een feit van algemene bekendheid is dat het steken met een scherp voorwerp in bepaalde delen van het lichaam tot gevolg kan hebben dat zodanig letsel ontstaat dat daardoor de dood intreedt. De verdachte heeft de aangever in zijn linkerflank gestoken, een plek waar zich vitale organen bevinden. Gegeven de aard en grootte van het gebruikte voorwerp - een groot siermes - en de plek op het lichaam waar de verdachte heeft gestoken is het steken van de verdachte naar de uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van dodelijk letsel dat het niet anders kan dan dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans op fataal letsel heeft aanvaard. Hier komt bij dat de verdachte in paniek heeft gestoken en het mes kennelijk derhalve betrekkelijk willekeurig in de flank van het lichaam en niet elders op de romp van het slachtoffer terecht is gekomen. Ook dit duidt op het voorwaardelijk opzet op dodelijk letsel. De rechtbank ziet in dit verband geen contra-indicaties die tot een ander oordeel moeten leiden.
De rechtbank stelt op grond van het voorgaande vast dat er, op zijn minst, sprake is van voorwaardelijk opzet op de dood van de aangever. De rechtbank acht daarom wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag.
3.5
De bewezenverklaring
De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij op 26 december 2024 te Waddinxveen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [aangever] opzettelijk van het leven te beroven, die [aangever] met een mes in de flank heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

4.1
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte een beroep op noodweer toekomt en dat hij daarom moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
4.2
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich ook op het standpunt gesteld dat sprake was van een noodweersituatie en dat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
4.3
Het oordeel van de rechtbank
Noodweer
Voor een geslaagd beroep op noodweer, als bedoeld in artikel 41, eerste lid, van het
Wetboek van Strafrecht (Sr) dient vast te staan dat sprake was van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding, dan wel het onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, waartegen verdediging noodzakelijk was.
Volgens vaste rechtspraak kan een beroep op noodweer niet worden aanvaard ingeval de gedraging van degene die zich op deze exceptie beroept, noch op grond van diens bedoeling, noch op grond van de uiterlijke verschijningsvorm van zijn gedraging kan worden aangemerkt als "verdediging", maar - naar de kern bezien - als aanvallend moet worden gezien, bijvoorbeeld gericht op een confrontatie of deelneming aan een gevecht.
Noodweersituatie
De rechtbank is van oordeel dat sprake is geweest van een noodweersituatie in de zin van artikel 41, eerste lid, Sr.
De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij op 24 december 2024 in de avond alleen thuis was en op zijn kamer op zijn computer naar Youtube keek. De aangever kwam op enig moment thuis en sloot gelijk de stroom af. De verdachte heeft daarop zijn moeder een bericht gestuurd die aangaf zo snel mogelijk naar huis te komen. De verdachte hoorde de aangever vervolgens de trap op rennen. De aangever duwde vervolgens de slaapkamerdeur van de verdachte open, waarbij de deur klapte tegen het kastje, waarmee de verdachte de deur had gebarricadeerd. De aangever begon meteen te schelden en stonk naar alcohol. De verdachte zag dat de aangever de stok, waarmee de zolder geopend kan worden, in zijn hand had. De aangever, die in de kamer van de verdachte stond, heeft de verdachte vervolgens bij zijn nek gepakt. De verdachte heeft verklaard dat hij al een jaar lang bang was voor de aangever, en vervolgens in paniek iets van zijn tafel heeft gepakt en de aangever daarmee heeft gestoken. De verdachte heeft vervolgens zijn schoenen aangetrokken en is uit zijn raam gesprongen. De verdachte heeft daarna meteen zijn moeder gebeld.
De verklaringen van de verdachte worden ondersteund door het dossier. In de telefoon van de verdachte is een appje van de verdachte aan zijn moeder aangetroffen waarin staat ‘Hij is net thuis en kkrt gelijk t internet er uit’. Ook is in zijn telefoon te zien dat de verdachte kort na dat appje zijn moeder heeft gebeld. Door de verbalisanten is ter plaatse waargenomen dat in een plas bloed in de deuropening van de slaapkamer van de verdachte een stok op de grond lag. De verdachte heeft verklaard dat dit de stok was die de aangever in zijn hand had. Daarnaast is door de verbalisant waargenomen dat het slachtoffer erg onder invloed leek van alcohol. Ook is bij de verdachte waargenomen dat hij twee rode plekjes op zijn hals had. De moeder van de verdachte heeft verklaard dat zij in de auto op weg naar huis door de verdachte werd gebeld en dat zij de verdachte hoorde roepen 'Ik wilde dit niet, je gaat doodbloeden, maar ik wilde dit niet' en dat hij helemaal in paniek klonk. Ook bevestigt de moeder dat de verdachte zijn kamerdeur barricadeert met een kastje en op de foto’s in het dossier is te zien dat de slaapkamerdeur maar een klein stukje openstaat. In het sfeer proces-verbaal wordt onderschreven dat er eerder meldingen en incidenten zijn geweest over spanningen tussen de verdachte en de aangever. Ook de aangever heeft verklaard dat hij de verdachte eerder met een sloophamer had bedreigd en dat hij zich kon voorstellen dat dit angst bij de verdachte had veroorzaakt.
De verklaringen van de verdachte zijn consistent en ogen mede gezien de ook door verbalisanten waargenomen emoties, authentiek. Zij worden ondersteund door verdere dossierinformatie. Tegenover de verklaring van de verdachte staat de verklaring van aangever, die de rechtbank niet of minder betrouwbaar acht. De aangever verklaart wisselend over de mate waarin hij die avond alcohol had gebruikt, terwijl de verbalisant die op de avond van het incident ter plaatse is geweest beschrijven dat de aangever erg onder invloed van alcohol en vergeetachtig was en op basis van zijn manier van spreken, sloom en met dubbele tong, de indruk kreeg dat hij heel wat meer alcohol gedronken moest hebben dat wat de drie of vier glazen die hij noemde. De rechtbank acht de verklaring van de verdachte in het licht van dit alles geloofwaardig en gaat hiervan uit bij haar beoordeling of sprake is van een noodweersituatie.
Naar het oordeel van de rechtbank is op basis van het dossier voldoende aannemelijk geworden dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van de verdachte, waartegen verdediging noodzakelijk was. Daarbij overweegt de rechtbank dat de verdachte zich in zijn eigen kamer bevond en het slachtoffer uit het niets zijn kamer binnen kwam stormen. Het slachtoffer heeft het eerste fysieke contact gezocht door met een stok de kamer in te komen en de verdachte bij zijn nek te grijpen. De verdachte bevond zich daarmee in een benarde situatie, waarin hij werd belaagd en fysiek werd aangevallen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de gedragingen waarmee de verdachte zich vóór het steken met het mes geconfronteerd zag, geduid kunnen worden als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van zijn lijf waartegen hij zich mocht verdedigen. De rechtbank concludeert dan ook dat sprake was van een noodweersituatie.
Subsidiariteit
De vraag die de rechtbank vervolgens dient te beantwoorden, is of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was (het subsidiariteitsvereiste). Aan de subsidiariteitseis is niet voldaan indien de verdachte zich niet behoefde te verdedigen en er dus geen noodzaak tot verdediging bestond.
De noodzaak tot verdediging ontbreekt indien de verdachte zich niet alleen aan de aanranding had kunnen, maar zich daaraan ook had moeten onttrekken. Het zich aan de aanranding kunnen onttrekken houdt in dat daartoe voor de verdachte een reële en redelijke mogelijkheid moet hebben bestaan. Onttrekking aan de aanranding moet voorts van de verdachte kunnen worden gevergd. Dit behoeft bijvoorbeeld niet het geval te zijn wanneer de situatie zo bedreigend is, dat zich onttrekken aan de aanranding geen reëel alternatief is.
Volgens de verdachte voelde het alsof hij in een situatie zat waaruit hij zich niet kon onttrekken en waarin hij vreesde voor zijn leven, omdat hij geen kant op kon en hij al bang was voor een fysieke confrontatie met het slachtoffer. Naar het oordeel van de rechtbank kon van de verdachte onder die omstandigheden – aangevallen worden in de eigen slaapkamer met een stok en bij de nek te worden gegrepen – niet worden gevergd om zich aan de aanval te onttrekken door op de vlucht te slaan, voor zover dit al mogelijk was aangezien de aangever bij de (al beperkte) slaapkamerdeuropening stond. Het zich met fysiek geweld verdedigen tegen deze aanval was daarom naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk. Hieruit volgt dat aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan.
Proportionaliteit
De rechtbank moet tot slot de vraag beantwoorden of de wijze van verdediging door de verdachte proportioneel was. Uit de proportionaliteitseis volgt dat een gedraging niet straffeloos is als deze gedraging – als verdedigingsmiddel – niet in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding. De keuze van het verdedigingsmiddel en de wijze waarop het is gebruikt, staan bij de beoordeling van de proportionaliteit centraal.
Naar het oordeel van de rechtbank kan het handelen van de verdachte als proportioneel worden aangemerkt. De verdachte heeft verklaard dat hij eerst een stok heeft gezien en dat hij vervolgens iets van zijn bureau heeft gepakt waarmee hij heeft gezwaaid om zichzelf te verdedigen en zijn ex-stiefvader op afstand te houden. De verdachte heeft één keer gestoken. Gegeven de hiervoor beschreven omstandigheden, waarbij de verdachte in zijn eigen slaapkamer werd aangevallen, was het door de verdachte in de praktijk gebrachte verdedigingsmiddel, te weten het eenmalig steken met een mes, naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig. De verdachte bevond zich in een onoverzichtelijke situatie waarin hij niet wist wat het slachtoffer verder met hem van plan was te doen en welk geweld hem mogelijk nog te wachten stond. Ten slotte neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte zodra daar de ruimte voor ontstond, is weggevlucht via zijn slaapkamer en daarbij een sprong van drie meter (uit het slaapkamerraam vanaf de eerste verdieping naar buiten) heeft moeten maken.
Het vorenstaande brengt de rechtbank tot het oordeel dat de door de verdachte gekozen gedragingen als verdedigingsmiddel in redelijke verhouding staat tot de ernst van de aanranding, waarmee voldaan is aan de zogenaamde proportionaliteitseis.
Conclusie
De rechtbank komt tot de conclusie dat het beroep op noodweer slaagt. De rechtbank acht het bewezen verklaarde om die reden niet strafbaar. De verdachte zal daarom worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Dit betekent dat de rechtbank voor het bewezenverklaarde geen straf zal opleggen aan de verdachte.

5.De vordering van de benadeelde partij

[aangever] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij vordert ter vergoeding van schade een bedrag van € 6.165,-, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering ziet op € 165,- aan materiële schade en € 6.000,- aan immateriële schade. Ook is oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.
5.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie concludeert tot niet-ontvankelijk verklaring van de benadeelde partij. De vordering is onvoldoende onderbouwd.
5.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, dan wel dat de vordering moet worden afgewezen, nu de verdachte ontslagen moet worden van alle rechtsvervolging. Bovendien is de vordering ook onvoldoende onderbouwd.
5.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in zijn vordering tot schadevergoeding, aangezien de verdachte van het feit waarop de vordering betrekking heeft, zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en aan hem geen maatregel zal worden opgelegd.
Dit brengt mee dat de benadeelde partij moet worden veroordeeld in de kosten die de verdachte tot aan deze uitspraak in verband met zijn verdediging tegen die vordering heeft moeten maken. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil.

6.De beslissing

De rechtbank:
bewezenverklaring
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven in paragraaf 3.5 bewezen is verklaard en kwalificeert dit als:
poging tot doodslag;
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen wat aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde niet strafbaar en ontslaat de verdachte van alle rechtsvervolging;
de vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, en begroot deze kosten op nihil;
het bevel tot voorlopige hechtenis
heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de veroordeelde.
Dit vonnis is gewezen door:
mr. M.C. Ritsema van Eck-van Drempt, voorzitter,
mr. N.B. Haverhoek, kinderrechter,
en mr. A. Tsjapanova, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. L.J. van Heel, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 juni 2026.