ECLI:NL:RBDHA:2026:16506

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 juni 2026
Publicatiedatum
18 juni 2026
Zaaknummer
24/6397
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbParticipatiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding ondanks feitelijke scheiding

Eiseres heeft een bijstandsuitkering aangevraagd op grond van de Participatiewet, maar het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvraag af omdat zij en haar (ex-)partner een gezamenlijke huishouding voeren. Het college baseerde dit op het feit dat zij nog gehuwd zijn, samen vier kinderen hebben en hetzelfde hoofdverblijf delen.

Eiseres voerde in bezwaar en beroep aan dat zij feitelijk gescheiden woont en zelfstandig haar boodschappen doet, en dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan en het besluit niet deugdelijk heeft gemotiveerd. De rechtbank oordeelt dat het college terecht uitgaat van het rechtsvermoeden van gezamenlijke huishouding bij het delen van hetzelfde hoofdverblijf en het gehuwd zijn, en dat de feitelijke situatie van gescheiden wonen daaraan niet afdoet.

De rechtbank concludeert dat eiseres niet als zelfstandig subject van bijstand kan worden aangemerkt en verklaart het beroep ongegrond. De afwijzing van de bijstandsuitkering blijft daarmee in stand. Eiseres krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de bijstandsuitkering wordt ongegrond verklaard en de afwijzing blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/479

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 juni 2026 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. M.K. Bhadai),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag (het college),

(gemachtigde: mr. E.H. Buizert).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag om een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet (Pw).
1.1.
Het college heeft de aanvraag van eiseres afgewezen bij primair besluit van
15 augustus 2024. Met het bestreden besluit van 2 december 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. Eiseres heeft op 11 augustus 2024 door middel van het daartoe bestemde formulier een bijstandsuitkering aangevraagd. Als adres is ingevuld [adres] te [plaats]. Bij de woonsituatie is vermeld: “alleenstaand met thuiswonende kinderen”. Verder heeft eiseres ter toelichting vermeld dat de relatie met haar ex-partner is verbroken.
3. Bij primair besluit van 15 augustus 2024 heeft het college de aanvraag van eiseres afgewezen op de grond dat zij met haar (ex-) partner een gezamenlijke huishouding voert. Eiseres en haar (ex-)partner hebben dezelfde woning als hoofdverblijf, en zij hebben samen meerdere kinderen. Eiseres en haar (ex-)partner hebben volgens het college voldoende middelen om in de kosten van levensonderhoud te voorzien.
4. Bij het bestreden besluit van 2 december 2024 heeft het college het door eiseres ingediende bezwaar tegen het primaire besluit ongegrond verklaard. Het college heeft dit besluit doen steunen op de overweging dat eiseres en haar (ex-)partner een gezamenlijke huishouding voeren. Zij zijn nog met elkaar gehuwd en hebben samen vier kinderen. Daarom is alleen van belang of zij hoofdverblijf hebben in dezelfde woning. Eiseres heeft niet betwist dat daarvan sprake is. Gelet op dit onweerlegbare rechtsvermoeden is er geen aanleiding om eiseres als zelfstandig subject van bijstand aan te merken. De omstandigheid dat eiseres feitelijk gescheiden woont en haar eigen boodschappen doet, maakt dit volgens het college niet anders.
5. Eiseres voert in beroep aan dat het bestreden besluit niet deugdelijk is gemotiveerd omdat niet is aangegeven op welke grond de afwijzing is gebaseerd. Tevens is volgens eiseres geen zorgvuldig onderzoek gedaan naar de feiten, wat een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel oplevert. Volgens eiseres voldoet zij aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor een bijstandsuitkering.
6. Deze beroepsgronden vormen (vrijwel) letterlijk een herhaling van wat door eiseres in bezwaar is aangevoerd. Het college is in het bestreden besluit op de bezwaargronden ingegaan en heeft aan de hand daarvan het primaire besluit heroverwogen.
Eiseres heeft in beroep verzuimd om aan te geven waarom de beoordeling door het college onjuist is. Kort samengevat heeft het college (nogmaals) aangegeven dat eiseres en haar (ex) partner, met hun kinderen, nog steeds hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en dat zij reeds daarom een gezamenlijke huishouding voeren. De omstandigheid dat de relatie is verbroken, zoals eiseres stelt, maakt voor de beoordeling van het recht op bijstand geen verschil. Gelet hierop slaagt het beroep niet.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een bijstandsuitkering op grond van de Pw in stand blijft. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr. H.J. Verspuij-Fung, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 30 juni 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.