Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16518

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/09/650595 / FA RK 23-4993
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:253a BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verdeling zorg- en opvoedingstaken en vervangende toestemming medische behandeling minderjarige

De rechtbank Den Haag behandelde een verzoek van de vader om de zorgregeling voor de minderjarige vast te stellen en vervangende toestemming te verlenen voor medische behandeling. Eerder was gezamenlijk gezag toegekend en waren ouders verwezen naar begeleidingstrajecten, maar overeenstemming over de zorgregeling ontbrak.

Uit het verslag van Jeugdformaat bleek dat de omgang tussen de vader en de minderjarige onder begeleiding positief verliep, maar zelfstandig contact nog niet mogelijk was. De moeder maakte bezwaar tegen de voorgestelde zorgregeling en stelde dat de minderjarige eerst een hulptraject voor separatieangst moet volgen. De vader verzocht tevens om een dwangsom bij niet-naleving van de zorgregeling.

De rechtbank oordeelde dat een nieuw hulpverleningstraject of onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming niet zinvol is vanwege eerdere langdurige hulpverlening en wachttijden. De zorgregeling wordt vastgesteld conform het advies van Jeugdformaat met een opbouwschema voor omgang. De dwangsom wordt afgewezen omdat geen sprake is van niet-naleving. Vervangende toestemming wordt verleend om de minderjarige aan te melden bij iHub voor diagnose en behandeling.

De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard en de proceskosten worden door partijen zelf gedragen.

Uitkomst: De rechtbank stelt een zorgregeling met opbouw vast en verleent vervangende toestemming voor medische behandeling van de minderjarige.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Enkelvoudige kamer
Rekestnummer: FA RK 23-4993
Zaaknummer: C/09/650595
Datum beschikking: 19 mei 2026

Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken

Beschikking op het op 12 juli 2023 ingekomen verzoek van:

[de vader] ,

de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.E.M. Boukens te Hoorn.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de moeder] ,

de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. J.M. Bekooij te Den Haag.

Procedure

Bij beschikking van 13 november 2023 van deze rechtbank, voor zover hier van belang:
  • is bepaald dat voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk het gezag zal toekomen over de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te [geboorteplaats] ;
  • is bepaald dat de moeder een keer per maand de vader per e-mail zal informeren over [minderjarige] , onder bijvoeging van een recente foto van hem;
  • zijn de vader en de moeder verwezen naar Kenniscentrum Kind en Scheiding voor deelname aan de trajecten Ouderschapsbemiddeling en Omgangsbegeleiding;
  • is iedere verdere beslissing ten aanzien van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de proceskosten aangehouden.
De rechtbank heeft opnieuw kennis genomen van de stukken, waaronder nu ook:
  • de brief van 11 december 2023 van de vader;
  • de brief van 14 december 2023 van de moeder;
  • het F9 formulier van 10 januari 2024, met bijlagen, van de moeder;
  • het F9 formulier van 13 januari 2024 van de vader;
  • het F9 formulier van 15 januari 2024 van de moeder;
  • het F9 formulier van 6 mei 2024 van de vader;
  • het F9 formulier van 28 november 2024 van de vader;
  • het F9 formulier van 6 mei 2025 van de vader;
  • het e-mail bericht van 12 augustus 2025 met daarbij het tussentijdse verslag van Stichting Jeugdformaat;
  • het F9 formulier van 18 augustus 2025 van de vader;
  • het F9 formulier van 26 augustus 2025 van de moeder;
  • het F9 formulier van 25 september 2025 van de vader;
  • het F9 formulier van 29 september 2025 van de moeder;
  • het F9 formulier van 18 december 2025 van de vader;
  • de brief van 19 maart 2026 met bijlagen van de vader;
  • de brief van 25 maart 2026 met bijlagen van de moeder;
  • het e-mailbericht van 30 maart 2026 met bijlage van de moeder;
Op 31 maart 2026 is de behandeling op de zitting voortgezet. Hierbij zijn verschenen: de vader met zijn advocaat, de moeder met haar advocaat en [naam] namens de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad). Van de zijde van de vader zijn pleitnotities overgelegd.

Gewijzigd verzoeken

De vader heeft zijn verzoek gewijzigd in die zin dat hij nu verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat:
- [minderjarige] bij de vader verblijft:
o week 1 tot en met 4: op woensdag en op zaterdag of zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur (exclusief reistijd);
o week 5 tot en met 10: op woensdag van 10.00 uur tot 18.00 uur (exclusief reistijd) en één keer in de twee weken van zaterdag 10.00 uur tot zondag 15.00 uur (exclusief reistijd);
o vanaf week 10: op woensdag van 10.00 uur tot 18.00 uur (exclusief reistijd) en één keer in de twee weken van vrijdag 17.00 uur tot zondag 17.00 uur (exclusief reistijd), alsmede vakanties en feestdagen bij helfte;
- de moeder per dag of dagdeel dat zij in gebreke blijft de geldende zorgregeling na te komen aan de vader een onmiddellijk opeisbare dwangsom verbeurt van € 250,-.
De moeder heeft haar zelfstandig verzoek gewijzigd in die zin dat zij nu verzoekt om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:
de verzoeken van de vader worden afgewezen;
de Raad onderzoek zal doen waarbij antwoord wordt gegeven op de volgende vragen:
a. welke hulpverlening is passend bij [minderjarige] voor het verwerken van separatieangst en eventuele trauma’s?
b. welke vorm van omgang is passend voor [minderjarige] , begeleid of onbegeleid?
c. welke opbouw qua zorgregeling is passend voor [minderjarige] ?
d. welke belasting qua zorgregeling, duur en reisafstand is passend voor [minderjarige] en past bij zijn leeftijd?
3. Vervangende toestemming wordt verleend om [minderjarige] aan te melden voor een medische behandeling ten aanzien van zijn psychische gezondheid bij iHub.

Beoordeling

De rechtbank handhaaft alles wat in de vorige beschikking is overwogen en beslist, voor zover in deze beschikking niet anders wordt overwogen of beslist.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en dwangsom
Uit het verslag van Jeugdformaat van 23 december 2025 komt, kort samengevat, het volgende naar voren. De ouders zijn in september 2024 gestart met individuele gesprekken bij Ouderschap Blijft. Daarna hebben er iedere twee weken oudergesprekken plaatsgevonden en is er ook negentien keer begeleide omgang geweest tussen [minderjarige] en de vader. De ouders hebben tijdens het traject geen overeenstemming bereikt over een zorgregeling voor [minderjarige] . Het lukt de ouders niet om [minderjarige] op een ontspannen wijze over te dragen van de moeder naar de vader. [minderjarige] klemt zich tijdens het overdrachtsmoment vast aan de moeder, raakt overstuur en wil niet met de vader mee. Het lukt de moeder niet om [minderjarige] het vertrouwen te geven dat het goed is om naar de vader te gaan. Uit het verslag komt verder naar voren dat, zodra de moeder uit beeld is, [minderjarige] snel rustig wordt en het fijn heeft bij de vader. Tijdens de begeleide omgangen is door de hulpverlening een positieve contactgroei tussen [minderjarige] en de vader gezien. Verder is geconstateerd dat de vader goed in staat is [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. Op 18 juni 2025 was de omgang tussen [minderjarige] en de vader voor de eerste keer zonder begeleiding. De overdracht was nog wel begeleid. Na dit omgangsmoment heeft de moeder een klacht ingediend bij Jeugdformaat en heeft het traject enige tijd stilgestaan. Na de klachtenprocedure hebben er nog drie oudergesprekken plaatsgevonden, maar is het de ouders niet gelukt om te komen tot een gezamenlijk ouderschapsplan.
Jeugdformaat adviseert nu om in het belang van [minderjarige] de volgende zorgregeling op te leggen aan de ouders. Dit omdat het dan voor de ouders duidelijk is waar zij naar toe werken en zij niet meer hoeven te strijden over de invulling van de zorgregeling. Dit advies houdt het volgende in:
Week 1 tot en met 4:
 Twee vaste momenten per week
 Een doordeweekse dag (woensdag)
 Een weekenddag (zaterdag of zondag)
 Tijd: 10.00 uur – 18.00 uur exclusief reistijd
Week 5 tot en met 10:
 Doordeweekse dag, woensdag 10.00 uur- 18.00 uur
 Om het weekend een omgangsmoment met één overnachting (zaterdag 10.00 uur – zondag 15.00 uur)
 Tijden exclusief reistijd
Week 10 en verder:
 Doordeweekse dag, woensdag 10.00 uur – 18.00 uur
 Om het weekend een volledig weekend, vrijdag 17.00 uur – zondag 17.00 uur
 Tijden exclusief reistijd
 Vakanties en feestdagen 50/50 (vastgelegd in ouderschapsplan)
Daarnaast wordt een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming geadviseerd om zicht te krijgen op de onderliggende oorzaak van het ontbreken van zelfstandig contact tussen [minderjarige] en de vader.
De vader brengt naar voren dat nadat de begeleide omgang is gestopt, het contact op verzoek van de moeder twee maanden lang alleen via videobellen heeft plaatsgevonden. Daarna was het de bedoeling om de ene week te videobellen en de andere week een omgangsmoment te laten plaatsvinden. De vader rijdt inmiddels één keer in de twee weken op woensdag naar de moeder, maar het lukt niet om [minderjarige] dan mee te nemen voor de omgang. De vader is van mening dat [minderjarige] geen (volledig) emotionele toestemming van de moeder krijgt en dat de moeder [minderjarige] onvoldoende actief ondersteunt om met de vader mee te gaan voor de omgang. De vader stelt verder dat hij zich de afgelopen jaren volledig heeft ingezet om een band op te bouwen met [minderjarige] en tijdens de begeleide omgang is dat wat hem betreft ook gelukt. Sinds het stoppen van de begeleide omgang heeft de vader het gevoel weer terug bij af te zijn. De vader is van mening dat de door hem verzochte zorgregeling vastgesteld dient te worden, omdat hij in staat is op een fijne manier omgang te hebben met [minderjarige] . De vader geeft aan open te staan voor (opnieuw) een (kort) traject onder begeleiding zodat de omgang opgestart kan worden. Daarbij vindt de vader een financiële prikkel voor de moeder, in de vorm van een dwangsom, noodzakelijk.
De moeder geeft aan zich niet te herkennen in het beeld dat de vader schetst. De begeleide omgang is volgens de moeder, in tegenstelling tot wat de vader zegt, niet goed verlopen en dit heeft tot veel angst bij [minderjarige] geleid. Dit uitte zich bij [minderjarige] in het herhaaldijk hebben van nachtmerries. De moeder heeft haar zorgen hierover naar voren gebracht bij de begeleiders van Jeugdformaat, maar daar werd door hen niets mee gedaan. Omdat de moeder zich niet gehoord voelde, heeft zij een klacht ingediend bij Jeugdformaat. De moeder ziet hiervan onvoldoende terug in het eindverslag van Jeugdformaat. Volgens de moeder is het verslag om die reden niet bruikbaar voor de omgang.
De moeder benadrukt verder dat zij het contact tussen [minderjarige] en de vader belangrijk vindt en dit stimuleert. [minderjarige] is wel bereid mee te gaan met de vader als zij zelf aanwezig is. Daarom is zij al mee geweest naar de Mall of the Netherlands en Peppa World. Dat [minderjarige] zich huilend en overstuur aan haar vastklemt als de vader [minderjarige] komt ophalen voor de omgang, komt volgens de moeder deels door separatieangst bij [minderjarige] en deels door het handelen van de medewerker van Jeugdformaat bij de begeleide omgang. De moeder heeft bij de huisarts een doorverwijzing gevraagd voor een hulptraject voor [minderjarige] . Omdat de vader nog niet heeft ingestemd met dit hulptraject, heeft zij een (zelfstandig) verzoek om vervangende toestemming ingediend.
De moeder stelt dat de door de vader verzochte zorgregeling, gelet op de reisafstand tussen de woonplaatsen van de ouders, te belastend is voor [minderjarige] . De moeder meent dat [minderjarige] eerst het hulptraject voor separatieangst moet volgen en een band moet opbouwen met de vader. Pas dan kan volgens haar gekeken worden naar welke zorgregeling passend voor [minderjarige] is. Een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming is daarbij zinvol. De moeder stemt niet in met de door de vader verzochte dwangsom. Zij stelt altijd meegewerkt te hebben aan de omgang en de videbelmomenten tussen [minderjarige] en de vader. De moeder verzoekt daarom dit verzoek af te wijzen.
De rechtbank stelt voorop dat zij het in het belang van [minderjarige] vindt dat hij omgang heeft met de vader en dat er een zorgregeling wordt vastgesteld. Er is negentien keer begeleide omgang geweest , waarbij werd gezien dat het contact tussen [minderjarige] en de vader steeds beter werd. Ook is vastgesteld dat de vader tijdens de omgang goed in staat is [minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft. Toch is er op dit moment geen zelfstandig omgang tussen [minderjarige] en de vader. De rechtbank zal de ouders niet opnieuw verwijzen voor deelname aan een traject; er is al langdurig hulpverlening ingezet en dit heeft niet tot succes geleid. Bovendien zal een nieuw hulpverleningstraject tot vertraging leiden, onder meer vanwege de wachttijden. Ditzelfde geldt voor een Raadsonderzoek. De vertegenwoordiger van de Raad heeft op de zitting verklaard dat een onderzoek ongeveer een half jaar in beslag zal nemen, waarbij op dit moment niet duidelijk is wat de meerwaarde van een dergelijk onderzoek is. De vertegenwoordiger van de Raad heeft op de zitting verwezen naar het eindverslag van Jeugdformaat en gezegd aan de conclusies daarvan waarde te hechten.
De rechtbank zal de ouders uit de ontstane impasse halen door duidelijkheid te scheppen en een zorgregeling met een opbouw vast te stellen.
Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de hulpverlening heeft gezien dat, na de zeer moeizame overdrachtsmomenten, het contact tussen [minderjarige] en de vader wel goed verliep en [minderjarige] het fijn heeft bij de vader. Dat het overdrachtsmoment bij het opstarten van de omgang met de vader weer moeilijk voor [minderjarige] zal zijn, is te verwachten en begrijpelijk omdat [minderjarige] de afgelopen maanden ver verwijderd is geraakt van de vader. De rechtbank heeft er voldoende vertrouwen in dat de vader in staat is [minderjarige] naderhand goed te begeleiden en de omgang plezierig te laten verlopen. Ook gaat de rechtbank er van uit dat [minderjarige] naarmate hij vaker met de vader meegaat, zal gaan wennen aan het overdrachtsmoment. Beide ouders zullen er begrip voor moeten hebben dat [minderjarige] hier tijd voor nodig heeft en [minderjarige] moeten steunen en stimuleren in dit gewenningsproces.
De rechtbank zal daarom bepalen dat de omgang wordt opgebouwd conform de door Jeugdformaat geadviseerde opbouwregeling.
Om er voor te zorgen dat er duidelijkheid komt voor beide ouders, zal de rechtbank deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
De rechtbank ziet geen aanleiding om een de dwangsom te verbinden aan de in deze beschikking vastgestelde zorgregeling, zoals door de vader is verzocht. Hiertoe overweegt de rechtbank dat er geen sprake van is dat de moeder een eerder vastgestelde zorgregeling niet is nagekomen.
Vervangende toestemming medische behandeling
Juridisch kader
Op grond van artikel 1:253a, eerste lid, BW kunnen op verzoek van de ouders of van een van hen geschillen over de gezamenlijke uitoefening van het gezag aan de rechtbank worden voorgelegd.
Inhoudelijke beoordeling
De ouders zijn het er over eens dat er hulp moet komen voor [minderjarige] . Gebleken is dat de vader al eerder heeft ingestemd met het opstarten hiervan, maar dat de aanmelding van [minderjarige] in de praktijk is gestrand op details. Op de zitting heeft de vader ingestemd met de aanmelding van [minderjarige] bij iHub voor het stellen van een diagnose en behandeling. Zoals op de zitting al is aangegeven, zal de rechtbank aan de moeder volledigheidshalve ook vervangende toestemming verlenen, om te voorkomen dat de aanmelding na de zitting mogelijk vertraging oploopt.
Proceskosten
Gelet op het feit dat het hier een procedure van familierechtelijke aard betreft, zal de rechtbank de proceskosten compenseren als hierna vermeld.

Beslissing

De rechtbank:
*
verleent de moeder toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, om de minderjarige [minderjarige] aan te melden bij iHub voor het stellen van een diagnose en behandeling;
*
bepaalt dat de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2023 te
[geboorteplaats] bij de vader zal zijn conform de volgende opbouwregeling:
- *;
week 1 tot en met 4:
 twee vaste momenten per week
 een doordeweekse dag (woensdag)
 een weekenddag (zaterdag of zondag)
 tijd: 10.00 uur – 18.00 uur exclusief reistijd
week 5 tot en met 10:
 een doordeweekse dag, woensdag 10.00 uur- 18.00 uur
 om het weekend een omgangsmoment met één overnachting (zaterdag 10.00 uur – zondag 15.00 uur)
 tijden exclusief reistijd
week 10 en verder:
 doordeweekse dag, woensdag 10:00 – 18.00 uur, en
 om het weekend een volledig weekend, vrijdag 17.00 uur – zondag 17.00 uur
 tijden exclusief reistijd
 vakanties en feestdagen 50/50 (vastgelegd in ouderschapsplan)
*
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. P. Burgers, kinderrechter, bijgestaan door
mr. I.E. Moerkerk-van Kersbergen als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting
van 19 mei 2026.