Uitspraak
Beschikking op het op 11 maart 2025 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoeker 1] en [verzoeker 2] ,
de ambtenaar van de burgerlijke stand,
Procedure
Feiten
Petitioner [verzoeker 1] is an Intended Parent for the child to be delivered by Carrier pursuant to the Gestational Carrier Agreement. The expected due date is on or about [datum 1] , 2024;
Petitioner [verzoeker 2] is an Intended Parent for the child to be delivered by Carrier pursuant to the Gestational Carrier Agreement. The expected dus date is on or about [datum 1] , 2024;
[draagmoeder] was a gestational carrier/surrogate and has no parental rights to the minor child to be delivered by Carrier pursuant to the Gestational Carrier Agreement;
[naam 1] has no parental rights to the minor child to be delivered by Carrier pursuant to the Gestational Carrier Agreement;
Intended Parents are the legal parents immediately upon birth of the minor child to be delivered by Carrier pursuant to the Gestational Carrier Agreement;
Petitioner [verzoeker 1] is the biological, legal and intended parent of [minderjarige 2] born on [datum 2] , 2024.
Petitioner [verzoeker 2] is a legal and intended parent of [minderjarige 2] born on [datum 2] , 2024. [verzoeker 1] and [verzoeker 2] have and equally share all parental rights, duties and authority towards the child.
(…)
[draagmoeder] was a gestational carrier/surrogate and has no parental rights to the child delivered by Carrier pursuant to the Gestational Carrier Agreement.
[naam 1] is married to the Carrier and has no parental rights to the child delivered by Carrier pursuant to the Gestational Carrier Agreement.
Verzoek
de rechtbank begrijpt: 27 maart 2024], waarop beide verzoekers als ouders worden vermeld, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in het register van de burgerlijke stand van de gemeente Den Haag;
[de rechtbank begrijpt: en de beslissing van 1 februari 2024], waarbij is vastgesteld dat [draagmoeder] en haar echtgenoot [naam 3] niet de juridisch ouders zijn van het kind en waarbij is vastgesteld dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] wel de juridische ouders zijn, die daarbij ook zijn belast met het ouderlijk gezag, van rechtswege in Nederland wordt erkend en naar zijn aard vatbaar is voor opneming in een Nederlands register van de burgerlijke stand;
[de rechtbank begrijpt: de beslissing van 1 februari 2024], welke de verklaring voor recht behelst dat de draagmoeder en haar echtgenoot niet de juridische ouders zijn van de minderjarige en dat [verzoeker 1] en [verzoeker 2] de juridische ouders zijn van de minderjarige;
Beoordeling
Kamerstukken II1995/96, 24649, nr. 3 (hierna: MvT), blijkt dat de wetgever destijds, bij het bepalen van de term “moeder” van het kind ook heeft stilgestaan bij de bijzondere wijzen van voortplanting. De MvT zegt daarover op pagina 7:
De moeder van het kind is de vrouw die het kind heeft gebaard, ook als het genetische materiaal waaruit het kind is ontstaan, niet van haar afkomstig is. Het gaat mij te ver om, nu er technische mogelijkheden tot embryodonatie zijn voor alle gevallen het vaste uitgangspunt ten aanzien van het moederschap te vervangen door een vermoeden van moederschap dat zonodig door de vrouw die het kind heeft gebaard of het kind en eventueel door de vader kan worden ontkracht. Het gegeven dat de vrouw op deze wijze een kind wilde krijgen, de zwangerschap en de geboorte vormen voor deze opvatting voldoende grondslag.” Er is destijds, dus al in 1995, door de wetgever nagedacht over een mogelijkheid om het vaste uitgangspunt dat de moeder van het kind altijd de vrouw is uit wie het kind geboren is, te verlaten. Daar is weliswaar vanaf gezien, maar het idee dat de moeder een ander kan zijn, was geaccepteerd.
’s-Gravenhage. De rechtbank zal dan ook de ambtenaar op grond van artikel 1:26b BW in samenhang met artikel 1:25 BW Pro gelasten deze geboorteakte van [minderjarige 2] in te schrijven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.