Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16546

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/09/703665 / JE RK 26-654
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:265b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp en machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om een voorwaardelijke machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2009. De minderjarige verblijft sinds januari 2026 in een instelling en staat onder een ondertoezichtstelling die loopt tot december 2026. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek gewijzigd en verzocht om een voorwaardelijke machtiging voor gesloten jeugdhulp voor drie maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, gaf de minderjarige aan het verzoek te begrijpen en akkoord te gaan met de voorwaarden. Ook de moeder staat achter het verzoek en meldt verbeterd contact met de minderjarige. De kinderrechter oordeelt dat er sprake is van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de minderjarige ernstig belemmeren, en dat gesloten jeugdhulp noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich onttrekt aan de hulp.

De kinderrechter stelt vast dat de minderjarige positieve stappen heeft gezet binnen de instelling, maar dat het wegloopgedrag blijft zorgen baren. Daarom is een voorwaardelijke machtiging passend om de overgang naar een open setting mogelijk te maken binnen duidelijke kaders. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend omdat de minderjarige niet thuis kan wonen en een stabiele woonplek nodig heeft. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.

Uitkomst: De kinderrechter verleent een voorwaardelijke machtiging voor gesloten jeugdhulp en een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Jeugd – en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/703665 / JE RK 26-654
Datum uitspraak: 19 mei 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] ,
advocaat: mr. A. Ramsoedh uit Delft.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.M.D. Naarden uit Den Haag.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 april 2026;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 7 mei 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 mei 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [de minderjarige] met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat;
- [naam] namens de gecertificeerde instelling.
1.3.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds 7 januari 2026 op [instelling] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 november 2025 de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] verlengd tot 11 december 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 november 2025 een machtiging verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 25 mei 2026.

3.Het verzoek

3.1.
Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling het verzoek gewijzigd en verzocht een voorwaardelijke machtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de gecertificeerde instelling een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De jeugdhulpaanbieder heeft in het hulpverleningsplan van 23 april 2026 de voorwaarden opgenomen en de jeugdhulpaanbieder genoemd die bereid is [de minderjarige] op te nemen. Ook is vermeld welke medewerker bevoegd is tot het nemen van het besluit tot opname.
3.3.
De gecertificeerde instelling heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De gecertificeerde instelling heeft gezien dat [de minderjarige] in de afgelopen maanden veel is weggeweest. Tegelijkertijd is opgevallen dat [de minderjarige] binnen de groepssetting op [instelling] goed heeft gefunctioneerd. [de minderjarige] heeft laten zien dat hij mee kan doen, relaties aangaat en stappen zet wanneer hij perspectief krijgt. Om deze ontwikkeling voort te zetten wil de gecertificeerde instelling [de minderjarige] de mogelijkheid geven om door te stromen naar een open setting. Vanwege het aanhoudende wegloop gedrag wordt de overstap zonder juridisch kader als risicovol ingeschat. ’s Heeren Loo heeft daarom als voorwaarde gesteld dat plaatsing alleen kan plaatsvinden binnen het kader van een voorwaardelijk gesloten machtiging. De voorwaardelijk gesloten machtiging is nodig als duidelijke begrenzing en als stok achter de deur, zodat [de minderjarige] binnen duidelijke kaders kan werken aan meer zelfstandigheid. De machtiging tot uithuisplaatsing is nodig omdat [de minderjarige] niet thuis bij zijn moeder kan wonen. Zonder de plaatsing op de open groep bij ’s Heeren Loo bestaat het risico dat [de minderjarige] geen stabiele en veilige woonplek heeft. Ter zitting heeft de gecertificeerde instelling naar voren gebracht dat de verhuisdatum naar ’s Heeren Loos is vastgesteld op 26 mei 2026.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens [de minderjarige] is het volgende naar voren gebracht. Volgens de advocaat vond [de minderjarige] het verzoek in eerste instantie moeilijk. Nu begrijpt [de minderjarige] wat het verzoek inhoudt en gaat [de minderjarige] akkoord met het gewijzigde verzoek. [de minderjarige] heeft beloofd zich aan de voorwaarden te zullen houden.
4.2.
Door en namens de moeder is het volgende naar voren gebracht. Het contact tussen de moeder en [de minderjarige] gaat beter. Als [de minderjarige] thuiskomt is het gezellig en is er geen ruzie. De moeder staat achter het gewijzigde verzoek.
5.
De beoordeling
5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie onder voorwaarden noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Buiten de gesloten accommodatie kan de ernstige belemmering in de ontwikkeling naar volwassenheid alleen worden afgewend door het stellen en naleven van voorwaarden, Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
5.2.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [1] De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. Ondanks dat [de minderjarige] de afgelopen maanden meermaals is weggelopen, heeft [de minderjarige] positieve stappen laten zien op [instelling] . Onder meer doet [de minderjarige] mee op de groep en staat hij open verbinding te maken met anderen. Ook de moeder heeft aangegeven dat het beter gaat op de momenten dat [de minderjarige] thuis is. Het is in het belang van [de minderjarige] dat wordt toegewerkt naar meer vrijheden. Gebleken is dat de onvoorwaardelijk gesloten plaatsing niet langer passend is voor [de minderjarige] , nu hij niet meer lijkt te profiteren van de geboden kaders. Hoewel [de minderjarige] een stijgende lijn laat zien, blijven de zorgen over zijn wegloop gedrag nog wel bestaan. Om deze stijgende lijn voort te zetten acht de kinderrechter het van belang om [de minderjarige] de kans te bieden door te stromen naar een open setting. Omdat het risico bestaat dat [de minderjarige] wegloopt heeft ’s Heeren Loo voor de plaatsing een voorwaardelijk gesloten machtiging verzocht. [de minderjarige] heeft kenbaar gemaakt de jeugdhulp te aanvaarden, zoals opgenomen in het overgelegde hulpverleningsplan. Tevens heeft [de minderjarige] zich bereid verklaard tot naleving van de voorwaarden. Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter de voorwaardelijke machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp verlenen voor de duur van drie maanden, en de machtiging tot uithuisplaatsing in een open setting bij ’s Heeren Loo, verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verleent een voorwaardelijke machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp van 26 mei 2026 tot 26 augustus 2026, onder de voorwaarden welke aan [de minderjarige] in het aangehechte hulpverleningsplan zijn gesteld;
6.2.
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder van 26 mei 2026 tot 11 december 2026.
6.3.
Verklaart deze beschikking onder 6.2. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026 door mr. J.M.J. Keltjens, kinderrechter, in aanwezigheid van B. van der Laken als griffier, en op schrift gesteld op 4 juni 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, BW.