De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om een voorwaardelijke machtiging te verlenen voor gesloten jeugdhulp en een machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, geboren in 2009. De minderjarige verblijft sinds januari 2026 in een instelling en staat onder een ondertoezichtstelling die loopt tot december 2026. De gecertificeerde instelling heeft het verzoek gewijzigd en verzocht om een voorwaardelijke machtiging voor gesloten jeugdhulp voor drie maanden en een machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van de ondertoezichtstelling.
Tijdens de zitting, die met gesloten deuren plaatsvond, gaf de minderjarige aan het verzoek te begrijpen en akkoord te gaan met de voorwaarden. Ook de moeder staat achter het verzoek en meldt verbeterd contact met de minderjarige. De kinderrechter oordeelt dat er sprake is van ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de minderjarige ernstig belemmeren, en dat gesloten jeugdhulp noodzakelijk is om te voorkomen dat de minderjarige zich onttrekt aan de hulp.
De kinderrechter stelt vast dat de minderjarige positieve stappen heeft gezet binnen de instelling, maar dat het wegloopgedrag blijft zorgen baren. Daarom is een voorwaardelijke machtiging passend om de overgang naar een open setting mogelijk te maken binnen duidelijke kaders. De machtiging tot uithuisplaatsing wordt verleend omdat de minderjarige niet thuis kan wonen en een stabiele woonplek nodig heeft. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en er is mogelijkheid tot hoger beroep binnen drie maanden.