Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16553

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 mei 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
C/09/674517 / FA RK 24-7586
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10:56 BWArt. 3 Protocol 2007Art. 1:94 lid 2 sub a BWArt. 1:95 lid 2 BWArt. 1:87 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met partneralimentatie en verdeling huwelijksgemeenschap inclusief woning en nevenvoorzieningen

Partijen zijn gehuwd in 2017 en verzoeken echtscheiding met nevenvoorzieningen. De rechtbank wijst het verzoek tot echtscheiding toe wegens duurzaam ontwricht huwelijk. De partneralimentatie wordt vastgesteld op €528 bruto per maand vanaf inschrijving echtscheidingsbeschikking, gebaseerd op berekening van behoefte en draagkracht.

De verdeling van de huwelijksgemeenschap vindt plaats onder Nederlands recht, met toepassing van het Haags Huwelijksvermogensverdrag. De woning wordt getaxeerd en de man krijgt twee maanden om financiering aan te tonen; lukt dit niet, dan volgt verkoop aan derden. De auto wordt aan de man toegedeeld tegen een waarde van €2.250, waarbij hij de helft aan de vrouw moet betalen. Bankrekeningen en crypto worden gelijk verdeeld. Percelen grond in de Filipijnen worden aan de vrouw toegedeeld met een verplichting tot vergoeding aan de man.

De man krijgt het recht tot voortgezet gebruik van de woning voor zes maanden na inschrijving echtscheidingsbeschikking. De vrouw moet een bedrag van €6.690,47 aan de man betalen voor vaste lasten en eigenaarslasten. Verzoeken tot vergoedingsrecht van de man wegens erfenis worden afgewezen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad, met uitzondering van de echtscheiding zelf.

Uitkomst: Echtscheiding uitgesproken, partneralimentatie vastgesteld op €528 per maand, en verdeling van woning, inboedel, bankrekeningen en overige vermogensbestanddelen geregeld.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Enkelvoudige Kamer
Rekestnummer: FA RK 24-7586 (echtscheiding)
FA RK 25-4744 (verdeling)
Zaaknummer: C/09/674517 (echtscheiding)
C/09/687427 (verdeling)
Datum beschikking: 19 mei 2026

Scheiding met nevenvoorzieningen

Beschikking op het op 24 oktober 2024 ingekomen verzoek van:

[de vrouw] ,

de vrouw,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. R.F. van Galen te [plaats] .
Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.A. Visser te Amsterdam.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
  • het verzoekschrift;
  • het F9-formulier van 31 oktober 2024 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het verweerschrift tevens houdende zelfstandige verzoeken;
  • het verweerschrift op zelfstandige verzoeken tevens houdende zelfstandige verzoeken;
  • het verweerschrift tegen zelfstandige verzoeken tevens vermeerdering c.q. wijziging verzoeken;
  • het F9-formulier van 1 augustus 2025 van de zijde van de man, met bijlage;
  • het F9-formulier van 10 april 2026 van de zijde van de man, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 13 april 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlage;
  • het F9-formulier van 15 april 2026 van de zijde van de man, met bijlage;
  • de F9-formulieren van 15 april 2026 van de zijde van de vrouw, met bijlagen;
  • het F9-formulier van 17 april 2026 van de zijde van man, met bijlagen.
Op 21 april 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
  • de vrouw met haar advocaat en tolk S. Huiberts;
  • de man met de waarnemer van zijn advocaat mr. F.C. Bouwmeester en tolk P. Molenaar.
Namens de man zijn pleitnotities overgelegd.

Feiten

  • Partijen zijn gehuwd op [datum] 2017 te [plaats] .
  • De man heeft de Italiaanse nationaliteit en de vrouw heeft de Filipijnse nationaliteit.
  • Deze rechtbank heeft op 13 mei 2025 het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een voorlopige bijdrage in haar levensonderhoud afgewezen.

Verzoek en verweer

Het verzoek van de vrouw zoals dat na aanvulling luidt, strekt tot echtscheiding met nevenvoorzieningen tot:
- bepaling dat de man onvoorwaardelijk en onherroepelijk alle medewerking zal verlenen teneinde de woning staande en gelegen te [adres] , zo spoedig mogelijk te verkopen en goederenrechtelijk te leveren aan een derde, waartoe in ieder geval de navolgende (rechts)handelingen c.q. verplichtingen dienen te worden begrepen:
- de man zal zo spoedig mogelijk opdracht geven aan [makelaar] te [plaats] danwel een door de rechtbank in goede justitie aan te wijzen makelaar, tot verkoop van de woning voor een door die makelaar te bepalen marktconforme vraagprijs;
- de man zal alle redelijke adviezen van de aangewezen makelaar ter zake de prijsstelling van de woning opvolgen;
- de man dient te garanderen dat de woning en het daarbij behorende perceel blijvend voortdurend toegankelijk is en zich blijvend en voortdurend in een schone, opgeruimde, goed onderhouden, verzorgde en representatieve staat bevindt;
- de man dient alle medewerking te verlenen aan de toelating van potentiële kopers tot de woning;
- de man dient zodra de woning zal zijn verkocht ter zake de woning en onherroepelijke en onvoorwaardelijke volmacht ten behoeve van de notaris tot goederenrechtelijke levering van de woning af te geven of te verzorgen;
alsmede bepaling dat bij gebreke van medewerking aan voornoemde (rechts)handelingen, de in deze te wijzen beschikking voor de medewerking c.q. toestemming van de man in de plaats treedt als had de man die medewerking c.q. toestemming verleend, en voor zover de in deze te wijzen beschikking niet in de plaats kan treden van voornoemde (rechts)handelingen, al het voorgaande te bepalen op verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag, een dagdeel daaronder begrepen, dat de man in gebreke blijft aan de in deze zaak te wijzen beschikking te voldoen;
  • bepaling dat de netto verkoopopbrengst van de echtelijke woning te [adres] tussen partijen bij helfte moet worden gedeeld;
  • bepaling dat de auto (Fiat Punto) met kenteken [kenteken] aan de man wordt toebedeeld en veroordeling van de man om binnen veertien dagen na de in deze zaak te wijzen beschikking aan de vrouw een bedrag te betalen van € 1.391,67;
  • veroordeling van de man om binnen twee weken na de datum van de in deze zaak te wijzen beschikking aan de vrouw afschriften te verstrekken van:
- de bankafschriften over de periode 24 april 2024 tot en met het heden van alle bankrekeningen die (mede) op naam van de man staan en stonden, waaronder in ieder geval begrepen de bankrekeningen met de volgende nummers:
 [bankrekening 1] ;
 [bankrekening 2] ;
 [bankrekening 3] (bij de Italiaanse bank Antonveneta);
een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de man niet aan deze veroordeling voldoet;
  • ter zake de bankrekeningen en de daarop aanwezig zijnde saldi een beslissing te nemen die de rechtbank in goede justitie juist acht;
  • veroordeling van de man om binnen twee weken na betekening van de in deze zaak te wijzen beschikking aan de vrouw afschriften te verstrekken van:
- de cryptocurrency-portefeuille en de waarden daarvan in de periode van 24 april 2024 tot en met heden;
- het transactie-overzicht van de cryptocurrency in de periode van 21 april 2024 tot en met heden;
een en ander onder verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag of dagdeel dat de man niet aan deze veroordeling voldoet;
  • het gelasten van de wijze van verdeling van de inboedelgoederen, in die zin dat ieder der partijen om-en-om een inboedelgoed mag aanwijzen welk goed hij/zij toebedeeld wenst te krijgen;
  • de man te gelasten aan de vrouw een overzicht te verstrekken van de door hem opgebouwde pensioenaanspraken in Nederland en daarbuiten, via onder andere www.mijnpensioenoverzicht.nl;
  • primairte bepalen dat (de opties op) de percelen grond in de Filipijnen niet tot de huwelijksgoederengemeenschap behoren;
subsidiairte bepalen dat (de opties op) de percelen grond in de Filipijnen aan de vrouw worden toebedeeld, waarbij de vrouw € 1.000,- aan de man dient te voldoen;
- vaststelling van door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie van
€ 1.051,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;
- veroordeling van de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 18.900,-, althans € 9.450,-, althans een bedrag dat de rechtbank juist acht;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De man voert – onder referte voor het verzoek ten aanzien van de inboedel – verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Bovendien heeft de man, na wijziging, zelfstandig verzocht om de echtscheiding uit te spreken, met nevenvoorzieningen tot:
  • verklaring voor recht dat de man een vergoedingsrecht heeft op de gemeenschap van € 109.648,06;
  • het gelasten van de wijze van verdeling van de echtelijke woning aan de [adres] , in die zin dat:
- de echtelijke woning aan de man wordt toegedeeld tegen een waarde van
€ 313.000,-, onder de voorwaarde dat binnen zes maanden na inschrijving van de echtscheidingsbeschikking duidelijk is dat de man de overname van het aandeel van de vrouw in de echtelijke woning zal kunnen herfinancieren en dat de vrouw zal kunnen worden ontslagen uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de hypothecaire geldlening bij de Rabobank en dat de levering van de echtelijke woning aan de man in dat geval binnen drie maanden, nadat de man de vrouw (binnen genoemde termijn van zes maanden) heeft bericht dat hij de echtelijke woning kan overnemen, dient plaats te vinden en dat de kosten van het notariële transport voor rekening van partijen dient te komen;
- bij toedeling van de echtelijke woning aan de man wordt de overbedelingsvergoeding van de vrouw berekend met inachtneming van de restanthypotheek en het vergoedingsrecht van de man jegens de huwelijksgoederengemeenschap conform de beleggingsleer van
€ 1.09.648,06, en dat de man de helft van de overwaarde berekend op
€ 32.167,59 aan de vrouw dient te voldoen ten tijde van de overdracht bij de notaris;
- voor het geval dat toedeling van de echtelijke woning aan de man onder ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid uit hoofde van de hypothecaire geldlening bij de Rabobank niet binnen zes maanden gerealiseerd zal zijn, dient de echtelijke woning verkocht en geleverd te worden aan een derde, waarbij de verkoopopbrengst na aflossing van de resterende hypothecaire geldlening, het vergoedingsrecht van de man van
€ 109.648,06 jegens de gemeenschap en de betaling van de kosten van verkoop en overdracht tussen partijen wordt verdeeld, dan wel een eventuele restantschuld door partijen gelijkelijk wordt gedragen;
- de hierboven vermelde verkoop aan een derde dient te geschieden binnen drie maanden nadat de vermelde termijn van zes maanden is verstreken, door middel van een overdracht aan een door partijen aan te wijzen NVM-makelaar werkzaam in [plaats] ;
- partijen in overleg met de vermelde makelaar de vraagprijs, welke dient te zijn gebaseerd op de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de woning, dienen te bepalen. Indien partijen niet binnen twee weken na opdrachtverlening aan de makelaar erin slagen om de vraagprijs te bepalen dan zal de makelaar de echtelijke woning te koop aanbieden tegen een bindende marktconforme vraagprijs;
- partijen in overleg met de makelaar de verkoopovereenkomst zullen aangaan met degene die de hoogste prijs biedt indien en voor zover die prijs volgens beide partijen, gezien de onroerendgoedmarkt ter plaatse en de kwaliteit van de echtelijke woning, de best mogelijke prijs is. In het geval dat partijen het niet eens kunnen worden over de vraag of een aanbod de best mogelijke prijs is, dan zal de makelaar die naar beste weten en kunnen bindend bepalen;
- iedere partij bij de overdracht van de echtelijke woning aan een derde gehouden is de helft van de kosten van de taxateur/makelaar, de notaris en de overige kosten ter zake van de verkoop en levering te dragen;
  • te bepalen dat de man jegens de vrouw bevoegd is de echtelijke woning aan de [adres] te bewonen en te gebruiken, evenals de tot de inboedel daarvan behorende zaken, gedurende een termijn van zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;
  • te bepalen dat de vrouw gehouden zal zijn een overzicht te verstrekken van de bankrekening(en) op haar naam in Nederland en/of in het buitenland met het/de bijbehorende saldo/saldi per 24 oktober 2024;
  • het gelasten van de wijze van verdeling van de bankrekeningen van partijen in die zin dat de saldi van de bankrekeningen op naam van de man aan hem worden toebedeeld en de saldi van de bankrekeningen op naam van de vrouw aan haar worden toebedeeld, onder de verplichting om de helft van het totale saldo per 24 oktober aan elkaar te voldoen;
  • het gelasten van de wijze van verdeling van de inboedelgoederen, in die zin dat die worden verdeeld aan de hand van de door partijen nog te overleggen inboedellijsten, althans de wijze van verdeling van de inboedelgoederen vast te stellen in die zin dat ieder der partijen om-en-om een inboedelgoed mag aanwijzen welk goed hij/zij toegedeeld wenst te krijgen;
  • het gelasten van de wijze van verdeling van de percelen in de Filipijnen, in die zin dat die worden toegedeeld aan de vrouw tegen een waarde van € 30.000,-, op grond waarvan de vrouw aan de man een overbedelingsvergoeding van € 15.000,- dient te voldoen;
  • voorwaardelijk, bepaling dat de vrouw op grond van artikel 195 Rv Pro gehouden zal zijn om de onderliggende stukken ten aanzien van de aankoop van de percelen over te leggen. Daaronder begrepen: de koopovereenkomst ten aanzien van de percelen en documentatie waaruit de huidige waarde van de percelen blijkt;
  • bepaling dat de vrouw gehouden zal zijn om een overzicht te verstrekken van de door haar opgebouwde pensioenaanspraken in Nederland en/of daarbuiten, via onder andere www.mijnpensioenoverzicht.nl;
  • bepaling dat de persoonlijke lening van partijen bij Freo (leningnummer 411939290) tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap behoort en gelijk door ieder van partijen dient te worden gedragen;
  • bepaling dat het aantal Bitmonds nagenoeg bij helfte tussen partijen wordt verdeeld;
  • bepaling dat de vrouw, binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn, volledige en deugdelijke opgave doet van de omvang, aard en samenstelling van de door haar uit de nalatenschap van haar moeder ontvangen erfenis, onder overlegging van relevante bewijsstukken, alsmede de eventuele besteding van de nalatenschap;
  • bepaling dat de vrouw, binnen een door de rechtbank vast te stellen termijn, volledige en deugdelijke opgave doet van de omvang van de giften die zij deed aan derden over de periode 24 april 2024 tot en met 24 oktober 2024;
  • bepaling dat de vrouw uiterlijk binnen veertien dagen na de beschikking aan de man een bedrag van € 6.690,47 dient te voldoen als vergoeding van het teveel bijgedragene in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding;
een en ander voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vrouw voert verweer, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Beoordeling

Echtscheiding
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de echtgenoten hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding. Op grond van artikel 10:56 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Inhoudelijke beoordeling
Partijen zijn het erover eens dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De over en weer gedane verzoeken tot echtscheiding zijn daarom op de wet gegrond en worden toegewezen.
Partneralimentatie
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Omdat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het echtscheidingsverzoek, heeft zij tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek om partneralimentatie. Op dit verzoek zal de rechtbank op grond van artikel 3 van Pro het Protocol van [datum] 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen, Nederlands recht toepassen.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank ziet aanleiding om eerst de ingangsdatum van de partneralimentatie te brespreken.
De vrouw heeft ter zitting verzocht de partneralimentatie vast te stellen met ingang van de datum van de beschikking van de voorlopige voorziening, omdat zij vindt dat over die periode nog afgerekend moet worden tussen partijen.
De man verweert zich hiertegen. Volgens hem is er geen reden en geen mogelijkheid om de partneralimentatie op een datum in het verleden vast te stellen.
De rechtbank overweegt dat uit de wet volgt dat partneralimentatie niet eerder kan ingaan dan de dag waarop de echtscheiding tot stand is gekomen door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. Gelet hierop zal de rechtbank de partneralimentatie met ingang van die datum vaststellen.
Behoefte
De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw berekenen aan de hand van de hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen. De rechtbank zal bij de berekening van de behoefte uitgaan van de periode 2024-II, omdat partijen in die periode uit elkaar zijn gegaan.
Partijen zijn het niet eens over het netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man, zodat de rechtbank dat hierna zal berekenen. Hiervoor gaat de rechtbank uit van een inkomen van
€ 45.830,- bruto per jaar (€ 31.288,- + € 14.542,-), zoals dat blijkt uit de twee jaaropgaven van de man van 2024. De vrouw vindt dat bij het inkomen van de man nog huurinkomsten opgeteld moeten worden, omdat een vriend van de man bij partijen inwoonde en een bijdrage aan de man betaalde. Volgens de man was dit een bijdrage voor de boodschappen die gedaan werden en geen bijdrage in de huur. De rechtbank stelt vast dat de huisgenoot slechts tijdelijk in de woning van partijen verbleef en dus ook slechts tijdelijk heeft bijgedragen. Daarmee is de bijdrage naar het oordeel van de rechtbank niet representatief voor de huwelijksstandaard van partijen. De rechtbank zit daarom geen aanleiding deze bijdrage te betrekken in de berekening van de behoefte van de vrouw. Op basis van het voorgaande berekent de rechtbank het NBI van de man op € 3.001,- per maand in 2024.
Voor de berekening van het NBI van de vrouw zal de rechtbank uitgaan van een inkomen van € 16.454,- bruto per jaar, zoals volgt uit de jaaropgave 2024. Op basis hiervan berekent de rechtbank haar NBI op € 1.355,- per maand in 2024.
De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) op € 4.356,- (€ 3.001 + € 1.355) per maand. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de hofnorm € 2.614,- netto per maand (60% van € 4.356,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de netto behoefte van de vrouw € 2.912,-. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Aanvullende behoefte
Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 2.912,- per maand moet in mindering worden gebracht haar NBI in 2026.
Voor de berekening van het NBI van de vrouw in 2026 gaat de rechtbank uit van haar salarisstrook van maart 2026. De rechtbank gaat daarom uit van een inkomen van € 2.517,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld. De rechtbank houdt verder rekening met een premie OP/NP van € 56,- per maand. Op basis van deze genoemde uitgangspunten berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2026 op € 2.410,- per maand.
Dit leidt tot een aanvullende behoefte van (€ 2.912,- - € 2.410,- =) € 502,- netto per maand. Dat is € 962,- bruto per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Draagkracht man
Voor de bepaling van de draagkracht van de man gaat de rechtbank uit van een inkomen van € 3.400,- bruto per maand, te vermeerderen met € 324,- per maand aan benefitbudget en onder aftrek van een pensioenpremie van € 81,- per maand. De rechtbank gaat hierbij uit van de salarisspecificatie van maart 2026. Door de vrouw is naar voren gebracht dat de man eerder meer verdiende en dat dus gerekend moet worden met een hoger inkomen aan zijn zijde. De rechtbank volgt dit standpunt van de vrouw niet. Uit de loonstroken van de man over 2025, waarop de vrouw zich baseert, volgt dat zijn loon in 2025 niet wezenlijk hoger was. Een aanzienlijk deel van het op basis van die loonstroken uitbetaalde bedrag betrof de reiskostenvergoeding (geen inkomen) en overwerk. Uit de loonstrook van de man van maart 2026 blijkt dat hij fulltime, 40 uur per week, werkt. Dat hij in 2025 kennelijk tijdelijk heeft overgewerkt, betekent niet dat hij dat moet blijven doen. Van de man kan niet worden verwacht dat hij meer dan een fulltime werkweek werkt.
Op basis van de hiervoor genoemde uitgangspunten en rekening houdend met de in de aangehechte berekening opgenomen heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2026 op € 2.989,- per maand. De rechtbank verwijst hiervoor naar de aangehechte berekening.
Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.200,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1365)] toepassen.
Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 436,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)]). Gebruteerd komt dit neer op € 689,- per maand.
Inkomensvergelijking
Om te bepalen of de man door voldoening van partneralimentatie niet in een nadeliger financiële positie komt te verkeren dan de vrouw, heeft de rechtbank op verzoek van de man een inkomensvergelijking gemaakt.
Uit de inkomensvergelijking volgt dat de man bij een bedrag van € 528 bruto per maand aan partneralimentatie een gelijk te besteden vrije ruimte overhoudt als de vrouw. Aangezien dit bedrag lager ligt dan de draagkracht van de man, zal de rechtbank de inkomensvergelijking volgen.
Conclusie
De rechtbank zal gelet op het voorgaande bepalen dat de man, met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking, een partneralimentatie van € 528,- bruto per maand aan de vrouw moet betalen.
Verdeling
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
De rechtbank gaat bij bepaling van het toepasselijke recht uit van het volgende. Omdat het huwelijk is gesloten na 1 januari 1992 is het Haags Huwelijksvermogensverdrag van 14 maart 1978 (HVV) van toepassing op het huwelijksvermogensregime van partijen.
Nu niet is gesteld of gebleken dat partijen een rechtskeuze hebben gemaakt vóór (artikel 3 HVV Pro 1978) of tijdens (artikel 6 HVV Pro 1978) het huwelijk en zij ook geen gemeenschappelijke nationaliteit bezaten ten tijde van de huwelijkssluiting dan wel kort daarna (artikel 4 tweede Pro lid HVV 1978), is de eerste huwelijksdomicilie bepalend voor het tussen partijen geldende huwelijksgoederenregime. Het huwelijksgoederenregime van partijen wordt dus beheerst door Nederlands recht, nu de eerste huwelijksdomicilie van partijen in Nederland is gelegen.
Algehele gemeenschap van goederen
Gesteld noch gebleken is dat de echtgenoten huwelijkse voorwaarden hebben gemaakt. Partijen zijn gehuwd op [datum] 2017 te [plaats] waardoor moet worden aangenomen dat tussen hen een wettelijke algehele gemeenschap van goederen bestaat. Hierbij geldt als uitgangspunt dat de ontbonden huwelijksgemeenschap bij helfte wordt verdeeld, nu het huwelijk is gesloten voor 1 januari 2018 (artikel 1:100 BW Pro).
Peildatum
Voor het vaststellen van de omvang van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geldt de datum van indiening van het verzoekschrift bij de rechtbank, namelijk 24 oktober 2024. Als peildatum voor de waardering van de te verdelen goederen geldt in beginsel de datum van verdeling, tenzij de man en de vrouw anders overeenkomen of op basis van de redelijkheid en billijkheid daarvan moet worden afgeweken.
Omvang
Door partijen is gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen (mogelijk) tot de wettelijke gemeenschap behoren:
woning [plaats] (en de daaraan verbonden hypothecaire lening);
inboedel;
auto Fiat Punto, kenteken [kenteken] ;
bankrekeningen;
crypto (Bitmonds);
percelen grond in de Filipijnen;
pensioen;
lening bij Freo, leningnummer [nummer] ;
erfenis moeder van de vrouw en giften;
Ad. a. woning [plaats]
De man verzoekt de woning toegedeeld te krijgen voor een waarde van € 313.000,-. Na aftrek van de hypotheek en het vergoedingsrecht zal de man de helft van de resterende waarde aan de vrouw voldoen. Het is de man nog niet gelukt om de financiering voor de overname van de woning rond te krijgen, omdat de bank eerst meer duidelijkheid wil over de gevolgen van de echtscheiding. De man verzoekt daarom nog twee maanden de gelegenheid om aan te tonen dat hij genoeg financiële middelen heeft. Op de zitting heeft hij hierbij nog aangegeven dat hij hierbij eventueel kan worden bijgestaan door familie uit Italië.
De vrouw verzoekt de verkoop en levering van de woning aan een derde. Ze heeft geprobeerd afspraken te maken met de man over de echtelijke woning en de man zou gaan uitzoeken of hij de woning kon overnemen. Dit is hem niet gelukt. De vrouw vindt dat de man voldoende tijd heeft gekregen om te onderzoeken of hij de financiële middelen heeft. Zij gaat er vanuit dat het de man niet gaat lukken om de echtelijke woning over te nemen. Daarnaast betwist de vrouw ook de door de man gestelde waarde van de woning. In 2024 bedroeg de WOZ-waarde van de woning volgens haar al meer dan de € 313.000,- die door de man naar voren is gebracht. De woning zal daarom nu nog meer in waarde gestegen zijn en moet getaxeerd worden.
De rechtbank vindt het in dit geval redelijk om de man nog een termijn van twee maanden te geven om duidelijkheid te krijgen over de financiering voor de overname van de woning. Mede gelet op het feit dat de man heeft aangegeven dat zijn familie misschien kan bijdragen, is het op voorhand niet uit te sluiten dat hij de financiering rond krijgt. Als het de man niet lukt om binnen te termijn van twee maanden aan te tonen dat hij de woning kan overnemen, zal de woning verkocht worden aan een derde.
Tegenover de betwisting van de vrouw heeft de man onvoldoende gemotiveerd dat de waarde van de woning € 313.000,- is. Voor de bepaling van de waarde waartegen de man de woning kan overnemen dient de woning daarom te worden getaxeerd. Partijen zijn het er over eens dat zij daartoe opdracht zullen geven aan [makelaar] uit [plaats] . De rechtbank zal het voorgaande in een spoorboekje opnemen in de beslissing. Het meer of anders verzochte ten aanzien van de woning wordt afgewezen.
Vergoedingsrecht
De man is van mening dat hij een vergoedingsrecht heeft en dat dat vergoedingsrecht bij de verdeling van de woning moet worden verrekend. De man heeft ter onderbouwing van het vergoedingsrecht aangevoerd dat hij de Italiaanse nationaliteit heeft en zijn hele familie in Italië woont. Een nicht van de vader van de man is in juni 2013 overleden, waarna de man (samen met drie anderen) erfgenaam werd. De man verkreeg twee appartementen en vier bergingen. De appartementen zijn verkocht voor een bedrag van € 70.000,-. Om de waarde van de erfenis van de man en zijn broer gelijk te maken, heeft de broer van de man nog
€ 70.000,- overgemaakt naar hem, waarmee de totale waarde van de erfenis € 140.000,- is. De man stelt dat op de erfrechtelijke verkrijging Italiaans recht van toepassing is en niet het Nederlands huwelijksvermogensrecht. Op grond van het Italiaanse recht valt de erfenis niet in de gemeenschap. In het testament van de erflaatster staat geen uitsluitingsclausule, maar de man stelt dat erflaatster niet bedacht kon zijn op een mogelijke toepassing van Nederlands recht. De man woonde nog in Italië, had geen voornemen om naar Nederland te verhuizen en had de vrouw ook nog niet ontmoet. De erflaatster kon niet bedacht zijn op internationale aspecten en heeft heel bewust vier erfgenamen opgenomen in haar testament. Daarnaast is volgens de man nog van belang dat in de akte van verdeling expliciet is opgenomen dat bij een van de gehuwde erfgenamen de erfenis buiten de gemeenschap valt. De man vindt gelet op het voorgaande de toepassing van artikel 1:94 lid 2 sub Pro a (oud) BW in strijd met de redelijkheid en billijkheid.
Omdat de man van de € 140.000,- een bedrag van € 82.868,36 heeft geïnvesteerd bij de aankoop van de echtelijke woning, heeft hij op grond van 1:95 lid 2 jo. artikel 1:87 (oud) BW een vergoedingsrecht. De huidige waarde van de woning is volgens de man € 313.000,-, waardoor zijn vergoedingsrecht (82.868 / 236.555) x 313.000 = € 109.648,- is.
De vrouw betwist de stellingen van de man. De appartementen die de man verkocht heeft, en dus ook het geld dat daarmee verdiend is, behoort niet tot het privévermogen van de man, omdat het niet onder uitsluiting verkregen is. De € 70.000,- die de man van zijn broer heeft gekregen om de waarden van de erfenissen gelijk te trekken is geen erfenis, laat staan een erfenis (of schenking) onder uitsluiting. Dit bedrag is dus ook geen privévermogen. Partijen zijn een algehele gemeenschap van goederen aangegaan, waardoor er volgens de vrouw sprake is van boedelmenging. De vrouw betwist daarom dat het bedrag van € 140.000,- buiten de gemeenschap valt en zij betwist ook dat de man een vergoedingsrecht heeft vanwege de investering in de echtelijke woning. De man had huwelijkse voorwaarden kunnen opmaken om goederen privé te maken, maar daar hebben partijen bewust niet voor gekozen. Dat de man ten tijde van het aangaan van het huwelijk niet goed wist hoe de Nederlandse wet omgaat met erfenissen moet voor rekening en risico van de man zelf komen. Het verzoek van de man moet volgens de vrouw dus afgewezen worden.
De rechtbank overweegt dat, op grond van artikel 1:94 lid Pro w sub a (oud) BW, zoals dat luidde ten tijde van de huwelijkssluiting, geldt dat goederen die één van de echtgenoten krachtens erfrecht of door middel van een gift verkrijgt in de gemeenschap van goederen vallen, met uitzondering van goederen waarvan bij uiterste wilsbeschikking respectievelijk schenkingsakte is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen (de zogeheten uitsluitingsclausule). Dit is echter niet het geval als het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat deze goederen in de gemeenschap zouden vallen.
Naar vaste rechtspraak dient hierbij terughoudendheid te worden betracht. Van belang is in dit verband of de buitenlandse erflater/schenker bedacht kon zijn geweest op de toepasselijkheid van Nederlands huwelijksvermogensrecht en de gevolgen daarvan en of redelijkerwijs moet worden aangenomen dat hij niet heeft gewenst dat die zaken door huwelijk zouden komen te vallen in een gemeenschap van goederen waarin de verkrijger is gehuwd of gaat huwen. Voorts kan van belang zijn of de echtgenoot die voor het huwelijk krachtens naar buitenlands recht goederen heeft verkregen, redelijkerwijs in staat is geweest om door het opmaken van huwelijkse voorwaarden te zorgen dat die goederen overeenkomstig de (veronderstelde) wil van de erflater niet door boedelmenging in een huwelijksgemeenschap vallen. Op de echtgenoot die zich op de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid beroept, rust de stelplicht en bewijslast van de daartoe redengevende feiten en omstandigheden. De enkele omstandigheid dat het op de erfrechtelijke verkrijging toepasselijke buitenlandse recht niet een algehele gemeenschap van goederen als huwelijksvermogensregime kent of tot uitgangspunt neemt, volstaat in dat verband niet (zie Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:276).
De rechtbank is van oordeel dat het beroep van de man op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid in dit geval niet kan slagen. De rechtbank gaat ervan uit dat erflaatster er ten tijde van het opstellen van het testament niet op bedacht was dat de man zou trouwen en in Nederland zou wonen, waardoor Nederlands recht van toepassing zou raken. De rechtbank heeft echter geen enkele indicatie dat het de bedoeling van de erflaatster was dat de erfenis alleen aan de man zou toekomen en een eventuele toekomstige partner van de man heeft willen uitsluiten. De man heeft gewezen op de notariële akte van verdeling, waarin volgens hem de uitsluiting is opgenomen ten aanzien van de huwelijkspartner van een van de andere erfgenamen. Van een dergelijke uitsluiting blijkt even wel niet uit het testament. Integendeel, in het testament is niets opgenomen over de gevolgen voor het huwelijk. De passage in de verdelingsakte betreft enkel de feitelijke vaststelling dat één van de erfgenamen op het moment van verdeling gehuwd was en het erfdeel van die erfgenaam persoonlijk is (niet in de huwelijkse boedel) op grond van de Italiaanse wet. Onder die omstandigheden zegt de verdelingsakte niets over de wil van de erflaatster.
Van belang is verder dat de man, in de wetenschap dat hij een erfenis had verkregen, ten tijde van de huwelijkssluiting huwelijkse voorwaarden had kunnen aangaan om te voorkomen dat de erfenis in de gemeenschap zou vallen. Ook ten tijde van de latere investering van het volgens hem privé zijnde vermogen in de echtelijke woning had hij nog nadere afspraken kunnen maken over de gevolgen. Dit is niet gebeurd.
De rechtbank vindt het onder deze omstandigheden ook niet aannemelijk dat partijen de bedoeling hadden dat de erfenis buiten de gemeenschap zou blijven. Het heeft er alle schijn van dat partijen daar bij het aangaan van het huwelijk en tijdens het huwelijk niet over nagedacht hebben.
Alles overwegende ziet de rechtbank geen aanleiding om te bepalen dat de erfenis buiten de gemeenschap van goederen valt. Er is daarom geen reden om artikel 1:94 lid 2 sub Pro a (oud) BW buiten toepassing te laten. Dat betekent dat de man geen vergoedingsrecht toekomt ter zake van de investering in de woning. Het daarop gerichte verzoek wordt dan ook afgewezen.
Ad. b. inboedel
Partijen zijn het erover eens dat de inboedel verdeeld wordt door middel van het om en om kiezen van een goed, met gesloten beurzen. De rechtbank beslist overeenkomstig.
Ad. c. auto
Door de man is naar voren gebracht dat hij de auto, de Fiat Punto, in 2022 als gift heeft ontvangen van zijn ouders. De auto behoort daarom volgens de man tot zijn privévermogen. Omdat de ouders van de man uit Italië komen en zich niet bewust zijn van de gevolgen van het Nederlandse huwelijksvermogensrecht is er geen nadrukkelijke uitsluitingsclausule. Wel heeft de man een kerstkaart waaruit blijkt dat de auto een gift was aan hem. Mocht de rechtbank oordelen dat de auto wel tot de huwelijksgemeenschap behoort, dan is de waarde volgens de man € 1.750,-. Voor dat bedrag wil hij de auto dan toegedeeld krijgen, onder de verplichting de helft hiervan aan de vrouw te voldoen.
De vrouw betwist dat de auto tot het privévermogen van de man behoort. De vrouw vindt dat de auto toegedeeld kan worden aan de man, maar niet voor het door hem gestelde bedrag. Omdat de auto al verouderd is kan de waarde niet worden afgeleid uit de ANWB-koerslijst. De vrouw heeft op internet naar vergelijkbare auto’s gezocht. De gemiddelde waarde daarvan is € 2.783,-. De vrouw vindt het daarom redelijk om van die waarde uit te gaan.
De rechtbank overweegt dat uit de kerstkaart blijkt dat er sprake is geweest van een schenking van de auto. Schenkingen vallen in beginsel in de gemeenschap van goederen, tenzij in een schenkingsakte is bepaald dat zij buiten de gemeenschap vallen of wanneer het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn dat deze goederen in de gemeenschap zouden vallen. Van deze uitzonderingen is niet gebleken. De rechtbank ziet geen omstandigheden waaruit af te leiden is dat de ouders van de man de uitdrukkelijke wens hadden dat de vrouw niet zou delen in de schenking.
Het voorgaande betekent dat de auto tot de goederengemeenschap behoort en dus in de verdeling moet worden betrokken. De rechtbank zal de auto toedelen aan de man en stelt de waarde schattenderwijs vast op € 2.250,-. De man dient de helft van die waarde aan de vrouw te vergoeden.
Ad. d. bankrekeningen
Partijen vinden beiden dat de saldi van de bankrekeningen bij helfte verdeeld moeten worden. Daarnaast willen zij beiden dat de ander inzage geeft in de rekeningen en de saldi hierop per peildatum.
De vrouw heeft aangegeven dat zij een rekening heeft bij de Rabobank. De man heeft ook een rekening bij de Rabobank en daarnaast twee SNS-rekeningen en een Italiaanse bankrekening. De rechtbank zal overeenkomstig het verzoek van partijen bepalen dat de saldi op alle hiervoor genoemde rekeningen bij helfte gedeeld moeten worden op de peildatum. Partijen dienen hiervoor elkaar over een weer de nodige stukken te verschaffen.
Ad. e. crypto
Partijen zijn ter zitting tot overeenstemming gekomen over de Bitmonds. De man zal de helft van de 35 Bitmonds aan de vrouw overdragen. De rechtbank beslist overeenkomstig.
Ad. f. percelen Filipijnen
Door de man is naar voren gebracht dat partijen samen twee percelen ter grootte van 3 hectare gekocht hebben op de Filipijnen. De man beschikt niet over onderbouwende stukken hiervan, omdat de vrouw de koop geregeld heeft. Volgens de man zijn deze percelen
€ 30.000,- waard. Hij baseert zich daarbij op de waarde van een perceel dat recent in de omgeving te koop stond. De man verzoekt de percelen toe te delen aan de vrouw, waarbij zij de helft van de waarde aan hem moet voldoen.
De vrouw betwist dat de percelen eigendom zijn van partijen, omdat niet aan de voorwaarden van een overdracht is voldaan. Het geld dat is overgemaakt, € 2.000,-, is voor een optie op de percelen. Daarnaast betwist de vrouw de door de man gestelde waarde. Dat bedrag is veel te hoog voor een stuk grond in de Filipijnen.
Op de zitting zijn door de vrouw foto’s van stukken getoond, waaruit af te leiden is dat zij een koopovereenkomst heeft gesloten voor twee percelen grond. Voor het ene stuk is een bedrag van 50.000,- Filipijnse peso’s betaald, en voor het andere stuk 70.000,- Filipijnse peso’s. Deze betalingen zijn gedaan in 2022 en 2023. De stelling van de vrouw is dat de koop niet rond is, omdat er nog geen levering heeft plaatsgevonden. Voor de levering moeten nog aanvullende kosten gemaakt worden. De man gaat ervan uit dat er al wel geleverd is. De rechtbank kan niet vaststellen dat de percelen aan de vrouw geleverd zijn. Dat neemt niet weg dat er rechten zijn die voortvloeien uit de koopovereenkomst. Die rechten, of het nou eigendomsrechten zijn of andere rechten uit de koopovereenkomst, behoren tot de boedel van partijen en moeten verdeeld worden.
De rechtbank zal de rechten uit de overeenkomst toedelen aan de vrouw onder de verplichting om de helft van de waarde van de rechten aan de man uit te keren. De rechtbank zal bepalen dat, als partijen geen overeenstemming bereiken over die waarde, partijen de rechten moeten laten taxeren door een deskundige. Zij moeten deze deskundige samen benoemen.
Ad. g. pensioen
Partijen hebben beiden verzocht te bepalen dat de ander gehouden is informatie te verschaffen over zijn of haar pensioen.
De rechtbank overweegt dat op grond van artikel 1:155 BW Pro na echtscheiding recht bestaat op pensioenverevening overeenkomstig de Wet Verevening pensioenrechten bij scheiding (WVPS), tenzij de echtgenoten op de wijze voorzien in deze wet toepasselijkheid hebben uitgesloten. Omdat hiervan geen sprake is zal niet worden afgeweken van de in artikel 2 lid 1 WVPS Pro opgenomen standaardregeling dat de ene echtgenoot, in geval van scheiding en voor zover de andere echtgenoot pensioenaanspraken heeft opgebouwd, overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet recht heeft op pensioenverevening. De rechtbank gaat ervanuit dat partijen hiertoe zullen overgaan en de relevante gegevens zullen uitwisselen. Nu de verplichting tot verevening en het verstrekken van gegevens reeds volgt uit de wet zal de rechtbank het verzochte ten aanzien van het pensioen bij gebrek aan belang afwijzen.
Ad. h. lening bij Freo
Door de man is op de zitting naar voren gebracht dat de lening bij Freo is afbetaald. De rechtbank hoeft daarom geen beslissing meer te nemen op het verzoek.
Ad. i. erfenis moeder van de vrouw en giften
De man heeft op de zitting zijn verzoek met betrekking tot de erfenis van de moeder van de vrouw en de giften ingetrokken, zodat de rechtbank daarop geen beslissing meer hoeft te nemen.
Voortgezet gebruik
De man verzoekt op grond van artikel 1:165 BW Pro het voortgezet gebruik van de echtelijke woning gedurende zes maanden na de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking. De vrouw heeft zich inhoudelijk niet verweerd tegen het verzoek, maar enkel aangegeven dat zij verwacht dat het verzoek zal stranden omdat zij een kort geding zal starten om de echtelijke woning te verkopen en te leveren. Gelet op de omstandigheid dat de man de woning toegedeeld zal krijgen, zal de rechtbank het verzoek van de man toewijzen.
Bijdrage vaste lasten en eigenaars- en gebruikerslasten en veroordeling tot betaling
De man verzoekt te bepalen dat de vrouw een bedrag van € 6.690,47 aan hem moet betalen. In de voorlopige voorzieningenprocedure is volgens de man overwogen dat de vrouw 1/3 van de woonlasten moet dragen, want partijen woonden met een huisgenoot. De totale woonlasten waren € 1.560,- en daar ging € 227,- vanaf aan energielasten, waardoor de te verdelen vaste lasten € 1.343,- bedragen. De voorzieningenrechter ging destijds daarom uit van een bijdrage van € 448,- voor de vrouw. De vrouw heeft dat bedrag nooit voldaan, zij betaalt € 341,- . Inmiddels is de huisgenoot van partijen verhuisd, waardoor partijen ieder
€ 672,- zouden moeten voldoen. In januari 2026 is door de man een goedkoper energiecontract afgesloten, waardoor de totale maandelijkse lasten € 1.177,62 zijn, waarvan € 589,- voor rekening van de vrouw moet komen. De man meent daarom dat door de vrouw van november 2024 tot december 2025 € 488,- bijgedragen moet worden, voor december
€ 672,- en vanaf januari € 589,-. Totaal gaat het dan om een bedrag van € 4.201,- dat nog door de vrouw betaald moet worden. De door de vrouw al betaalde bedragen zijn hier vanaf getrokken.
De man vindt daarnaast dat partijen gelijk moeten bijdragen in de eigenaarslasten. Vanaf de uitspraak in de voorlopige voorziening zit dit verdisconteerd in de bijdrage van de vrouw. Vanaf de peildatum tot aan die uitspraak heeft alleen de man € 2.941,93 voldaan, waarvan een bedrag van € 1.470,97 voor rekening van de vrouw moet komen.
Tot slot moet de vrouw 1/3 van de extra energiekosten voor haar rekening nemen. Het gaat dan om en bedrag van € 3.055,51 / 3 = € 1.018,50. Het totale bedrag dat de man van de vrouw wil krijgen is gelet op het voorgaande € 6.690,47.
De vrouw is het niet eens met het verzoek. Zij heeft maandelijks bijgedragen en daarnaast huishoudelijke taken verricht. Ze vindt daarom niet dat er nog iets afgerekend hoeft te worden over de periode, ook omdat de man geen voorlopige partneralimentatie aan haar betaald heeft. De vrouw heeft zelf een aanvullend verzoek ingediend om de man te veroordelen een bedrag aan haar te betalen. De tijdelijke huisgenoot verbleef in de echtelijke woning van 30 november 2023 tot en met 31 januari 2026. De vrouw heeft nooit ingestemd met zijn verblijf in de woning. De vrouw schat dat de man € 700,- per maand ontving voor het verblijf van de huisgenoot in de echtelijke woning en vindt dat de man dit bedrag, vermenigvuldigd met de 27 maanden dat hij in de echtelijke woning verbleef, op grond van artikel 3:194 lid 2 BW Pro aan haar moet betalen. Het gaat dan om een bedrag van € 18.900,-. Subsidiair wil de vrouw de helft van dit bedrag ontvangen.
De rechtbank begrijpt het verzoek van de man ziet op een bijdrage in de kosten op grond van de onderlinge draagplicht voor de gezamenlijk schulden van partijen. Partijen zijn ieder gehouden de helft van de gezamenlijke verplichtingen vanaf de peildatum te voldoen. De man heeft nu alle kosten voldaan en heeft daarom naar het oordeel van de rechtbank voor de helft van die kosten regres op de vrouw. De man heeft er in zijn berekening rekening mee gehouden dat een huisgenoot bij partijen heeft gewoond, die een bijdrage heeft betaald. De bijdrage van de vrouw is daarop aangepast. Dat de huisgenoot méér heeft voldaan dan 1/3 van de kosten is niet gebleken. Feitelijk heeft de vrouw al wel € 341,- per maand betaald. Dat bedrag is in mindering gebracht op het door de man verzochte bedrag. Het verzoek van de man is aldus op de wet gegrond en wordt toegewezen.
Ten aanzien van het verzoek van de vrouw overweegt de rechtbank dat dit weliswaar laat is ingediend, maar feitelijk is gebleken dat de man voldoende gelegenheid heeft gehad om daarop te reageren. Door de man zijn namelijk nog bankafschriften ingediend en er is mondeling verweer gevoerd ter zitting. De man is daarom naar het oordeel van de rechtbank niet in zijn procesbelang geschaad. De rechtbank neemt daarom een beslissing op het verzoek.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw afwijzen. Er is naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor het verzoek van de vrouw. Vast staat dat de man alle lasten met betrekking tot de echtelijke woning heeft gedragen. Op de zitting is door de man naar voren gebracht dat het bedrag dat hij van de huisgenoot ontving is gebruikt voor kosten van bijvoorbeeld boodschappen. Dat hij een bedrag van hem ontving is ook meegenomen in de berekening van het bedrag dat de vrouw moet betalen. Zij hoeft over de periode dat de huisgenoot in het huis woonde slechts één derde van de kosten te betalen in plaats van de helft. Er is daarom geen aanleiding om de vordering van de vrouw toe te wijzen.
Beslissing
De rechtbank:
*
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd op [datum] 2017 te [plaats] ;
*
bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van de dag dat de beschikking van echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, een partneralimentatie van € 528,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
*
bepaalt dat de man jegens de vrouw bevoegd is de bewoning van de echtelijke woning aan de [adres] en het gebruik van de zaken die behoren bij deze woning en tot de inboedel daarvan, voort te zetten gedurende zes maanden na de inschrijving van deze beschikking, onder de voorwaarde dat de vrouw deze woning op het moment van die inschrijving bewoont en aan de man uitsluitend of mede toebehoort of ten gebruike toekomt;
*
stelt de verdeling van de huwelijksgemeenschap als volgt vast, onder de voorwaarde van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand:
a. met betrekking tot de woning, gelegen aan de [adres] en de daaraan gekoppelde hypothecaire geldleningen:
1. de woning wordt toegedeeld aan de man op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen verstrekken binnen één week een gezamenlijke opdracht aan [makelaar] uit [plaats] tot taxatie van de woning. Deze makelaar-taxateur zal tussen partijen bindend de waarde vaststellen waartegen de man de woning zal overnemen;
b) de man dient binnen twee maanden na de taxatie aan de vrouw aan te tonen dat hij de woning tegen de getaxeerde waarde kan overnemen met ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid van de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen;
c) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de getaxeerde waarde, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de makelaar-taxateur;
d) de kosten van de notariële overdracht worden door de man, als kosten koper, voldaan;
e) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
2) indien de man de woning niet kan overnemen onder bovengenoemde voorwaarden dan wordt de woning verkocht en geleverd aan een derde op de volgende wijze en onder de volgende voorwaarden:
a) partijen dienen binnen één week nadat de onder 1) genoemde termijn is verstreken of nadat de man kenbaar heeft gemaakt de woning niet te kunnen overnemen aan de onder 1) genoemde makelaar-taxateur een gezamenlijke opdracht verstrekken tot verkoop van de woning aan een derde. Deze makelaar-taxateur zal – als partijen het niet eens zijn – partijen bindend adviseren over de vast te stellen vraag- en laatprijs van de woning;
b) de over- dan wel onderwaarde wordt tussen partijen bij helfte gedeeld dan wel gedragen. De over- dan wel onderwaarde bestaat uit de verkoopopbrengst van de woning, te vermeerderen met de waarde van de aan de woning gekoppelde polissen ten tijde van de overdracht, minus de aan de woning gekoppelde hypothecaire geldleningen ten tijde van de overdracht en minus de kosten van de verkoop en de overdracht, waaronder de kosten van de makelaar-taxateur;
c) partijen verlenen over en weer op eerste verzoek van de ander hun medewerking aan de notariële overdracht van de woning;
b. de inboedelgoederen worden door partijen in onderling overleg bij helfte gedeeld, in die zin dat zij ieder om en om een inboedelgoed kiezen;
c. de auto Fiat Punto wordt toegedeeld aan de man tegen een waarde van € 2.250,-, onder de verplichting de helft van de waarde – te weten € 1.125,- – aan de vrouw te voldoen;
d. het saldo op de bankrekeningen op naam van de man wordt toegedeeld aan de man, het saldo van de bankrekeningen op naam van de vrouw wordt toegedeeld aan de vrouw, waarbij partijen gehouden zijn elkaar de helft van de saldi op die rekeningen te vergoeden en partijen elkaar over en weer dienen te voorzien van bewijsstukken van de hoogte van de saldi op de peildatum;
e. de helft van de bitmonds wordt toegedeeld aan de man en de helft aan de vrouw;
f. de rechten uit de overeenkomst ten aanzien van de percelen in de Filipijnen worden toegedeeld aan de vrouw, onder de verplichting de helft van de waarde van die rechten aan de man te vergoeden, waarbij – als partijen het niet eens worden over de waarde – partijen de waarde bindend moeten laten vaststellen door een door hen samen gekozen deskundige;
*
bepaalt dat de vrouw aan de man moet voldoen een bedrag van € 6.609,47 in verband met vaste lasten en eigenaars- en gebruikerslasten;
*
verklaart deze beschikking – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte.
*
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. E.M. van Middelkoop als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 19 mei 2026.