Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16562

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30299
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1a Vreemdelingenbesluit 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000Art. 67 VreemdelingenwetArt. 66a Vreemdelingenwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister heeft op 29 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 9 juni 2026 via een beeldverbinding.

De minister baseerde de maatregel op zware gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland en het onttrekken aan toezicht. De rechtbank oordeelde dat deze gronden feitelijk juist zijn en voldoende zijn om de maatregel te dragen. De minister hoefde geen nadere toelichting te geven op het onttrekkingsrisico.

Eiser voerde aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel en onvoldoende voortvarend was bij de uitzetting. De rechtbank stelde vast dat de minister voldoende gemotiveerd heeft waarom een lichter middel niet volstaat, mede vanwege het recidiverende karakter van eiser. Ook werd geoordeeld dat de minister voortvarend handelt, aangezien binnen zeven dagen na inbewaringstelling een vertrekgesprek is gevoerd.

De rechtbank vond geen aanleiding om de maatregel onrechtmatig te achten en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. Er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30299

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3h. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van Pro de Wet of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Wet;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;
4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
1.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens de zitting zware grond 3i heeft laten vallen.
1.2.
Eiser heeft alle zware gronden en lichte gronden 4c en 4d betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zware grond 3a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, is eiser Nederland ingereisd zonder een geldig reisdocument. Eiser is dus niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen. Eisers betoog – dat het niet beschikken over een geldig reisdocument niet zonder meer betekent dat er een risico bestaat hij zich aan het toezicht zal onttrekken – leidt niet tot een ander oordeel. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat de minister bij bewaring voor de meeste in artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000 bedoelde zware gronden kan volstaan met een toelichting die laat zien dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [1] De minister hoeft dan geen nadere toelichting op het onttrekkingsrisico te geven. Uit deze onbetwiste feitelijke gronden, waaronder grond 3a, vloeit namelijk voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Ook is zware grond 3b feitelijk juist. Eiser heeft zich namelijk niet direct na aankomst in Nederland gemeld bij de autoriteiten. Hiermee heeft hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen onttrokken. Eisers stelling dat de minister (onder meer) deze zware grond onvoldoende feitelijk heeft geconcretiseerd, volgt de rechtbank niet.
1.3.
Zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000, te kunnen dragen. [2] Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Er is geen kenbare belangenafweging gemaakt. De minister dient zelfstandig te onderzoeken of de inbewaringstelling evenredig is. In dat kader hadden eisers EU-nationaliteit, zijn verklaarde bereidheid tot terugkeer naar Litouwen, het ontbreken van een reisdocument buiten zijn schuld en de mogelijkheid van begeleiding naar de Litouwse ambassade moeten worden meegewogen.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister verwijst daarbij terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Ook heeft de minister hierbij mogen betrekken dat het de dertiende vertrekprocedure van eiser betreft. Eisers verblijfsrecht is met het besluit van 31 augustus 2016 beëindigd en hij is met dit besluit tevens ongewenst verklaard. Eiser keert desondanks steeds terug naar Nederland. Het toepassen van een lichter middel wordt daarom niet doelmatig geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Werkt de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting?
3. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Uit het verslag van het vertrekgesprek van 4 juni 2026 blijkt dat de DT&V [3] op dat moment pas heeft aangekondigd een T&O [4] -aanvraag te zullen opstarten en dat pas na reactie van de Litouwse ambassade een vlucht zal worden geboekt. De minister had inzichtelijk moeten maken welke concrete stappen sinds de inbewaringstelling op 29 mei 2026 zijn gezet, wanneer de Litouwse autoriteiten zijn benaderd en binnen welke termijn uitzetting daadwerkelijk wordt verwacht.
3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister voldoende voortvarend aan eisers uitzetting. Uit vaste rechtspraak volgt dat het starten met de daadwerkelijke voorbereiding van de overdracht op de zevende dag voldoende voortvarend is. [5] Uit het dossier blijkt dat op 4 juni 2026 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd. Dit was op de zevende dag van de inbewaringstelling. Een vertrekgesprek is een daadwerkelijke handeling gericht op uitzetting. Naar het oordeel van de rechtbank werkt de minister hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [6]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.Zie artikel 5.1a, eerste lid, van het Vb 2000, in combinatie met artikel 5.1b, eerste lid, van het Vb 2000.
3.Dienst Terugkeer en Vertrek.
4.Terug- en overnameovereenkomst.
5.Zie bijvoorbeeld ABRvS 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 10.
6.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (