Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2026:16564

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.30306
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59a Vw 2000Art. 5.1a Vb 2000Art. 5.1b Vb 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel van bewaring op grond van de Vreemdelingenwet 2000

De minister van Asiel en Migratie heeft op 29 mei 2026 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De rechtbank behandelde het beroep op 9 juni 2026 via een beeldverbinding.

De minister baseerde de bewaring op zware gronden, waaronder het niet op de voorgeschreven wijze binnenkomen van Nederland met een verlopen paspoort zonder visum, en het zich onttrekken aan toezicht door zich niet direct te melden bij de autoriteiten. Daarnaast werden lichte gronden genoemd, waarvan lichte grond 4d tijdens de zitting werd laten vallen. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden feitelijk juist zijn en dat deze voldoende zijn om de maatregel te dragen.

Eiser voerde aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan bewaring, omdat niet was gebleken dat hij daadwerkelijk ondergedoken was. De rechtbank stelde echter vast dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet doelmatig was, mede omdat eerdere lichtere maatregelen niet tot vertrek hadden geleid.

De rechtbank vond geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en concludeerde dat de maatregel niet onrechtmatig was. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Een proceskostenveroordeling werd niet toegewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.30306

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. M.M. Polman),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S.J. de Vries).

Procesverloop

Bij besluit van 29 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Kunnen de gronden de maatregel van bewaring dragen?
1. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
1.1.
De rechtbank stelt vast dat de minister tijdens de zitting lichte grond 4d heeft laten vallen.
1.2.
Eiser heeft alle zware gronden en lichte grond 4c betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zware grond 3a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, is eiser Nederland ingereisd met een verlopen (en daardoor ongeldig) paspoort. Ook beschikte hij niet over een visum. Eiser is derhalve niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen. Ook is zware grond 3b feitelijk juist. Eiser heeft zich niet direct na aankomst in Nederland gemeld bij de autoriteiten. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling heeft verklaard op 24 december 2025 te zijn ingereisd, en zich op
29 december 2025 te hebben gemeld bij het aanmeldcentrum.
Eisers betoog – dat de enkele verwijzing naar de feitelijke juistheid van deze gronden onvoldoende is om een onttrekkingsrisico aan te nemen – leidt niet tot een ander oordeel. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat de minister bij bewaring voor de meeste in artikel 5.1b, derde lid, van het Vb 2000 bedoelde zware gronden kan volstaan met een toelichting die laat zien dat deze gronden zich feitelijk voordoen. [1] De minister hoeft dan geen nadere toelichting op het onttrekkingsrisico te geven. Uit deze feitelijk onbetwiste gronden vloeit namelijk voort dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
1.3.
Zware gronden 3a en 3b zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000, te kunnen dragen. [2] Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
2. Eiser voert aan dat de minister had moeten beoordelen of kon worden volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. De inbewaringstelling is een ultimum remedium. De motivering dat eiser niet wil meewerken aan zijn overdracht is onvoldoende, omdat niet is gebleken dat eiser daadwerkelijk is ondergedoken of zich aan het toezicht heeft onttrokken.
2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister verwijst daarbij terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Ook heeft de minister hierbij mogen betrekken dat het toepassen van een lichter middel in het verleden, namelijk een meldplicht, het plannen van een vrijwillige overdracht en het voeren van een vertrekgesprek, niet heeft geleid tot het vertrek van eiser. Het toepassen van een lichter middel wordt daarom niet (langer) doelmatig geacht. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
3. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest. [3]

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van
mr. J.M. van Kouwen, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829.
2.Zie artikel 5.1a, vijfde lid, aanhef en onder b, van het Vb 2000, in combinatie met artikel 5.1b, tweede lid, van het Vb 2000.
3.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (