ECLI:NL:RBDHA:2026:16580

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL25.29125
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K.C.L.J. Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 Vreemdelingenwet 2000Vreemdelingenwet 2000Vreemdelingencirculaire 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing machtiging voorlopig verblijf nareis pleegkind Afghanistan

Eiser, een minderjarige met de Afghaanse nationaliteit, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van nareis als pleegkind van zijn oom, die asielstatushouder is in Nederland. De minister wees de aanvraag af omdat de biologische moeder nog in beeld is en de rol van de referent in het leven van eiser als beperkt werd beoordeeld.

De rechtbank oordeelt dat eiser onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de biologische moeder niet meer voor hem kan zorgen, ondanks de bijzondere situatie van vrouwen in Afghanistan. De minister mocht het voordeel van de twijfel geven, maar het contact tussen eiser en zijn moeder is niet duurzaam verbroken en de moeder blijft betrokken.

Verder is vastgesteld dat eiser ongeveer een jaar feitelijk in het gezin van referent heeft verbleven, maar dit is onvoldoende om te spreken van een duurzame pleegzorgrelatie. De verklaringen over verzorging en financiële ondersteuning zijn niet concreet genoeg om volledige ouderlijke verantwoordelijkheid aan te nemen.

Het ontbreken van officiële documenten over pleegouderschap of voogdij weegt mee, maar is niet de enige reden voor afwijzing. De minister mocht dit in samenhang met andere feiten beoordelen. De rechtbank concludeert dat de feiten onvoldoende zijn om een pleegsituatie aan te nemen en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf nareis wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29125

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S.T.C. Rebergen),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in het kader van ‘nareis’.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 14 mei 2024 (primaire besluit) afgewezen.
1.2.
Met het bestreden besluit van 5 juni 2025 op het bezwaar van eiser heeft de minister deze eerdere afwijzing gehandhaafd.
1.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld bij de rechtbank.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referent] (referent), de gemachtigde van eiser, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Waar gaat deze zaak over?
4. Eiser is geboren op [geboortedag] 2014 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Referent, de oom van eiser, heeft in juni 2022 een verblijfsvergunning asiel gekregen in Nederland en vervolgens nareis aangevraagd voor eiser. Eiser stelt het pleegkind te zijn van referent, omdat zijn moeder, de zus van referent, niet voor eiser kan zorgen. De biologische vader van eiser is namelijk overleden en zijn moeder moest hertrouwen met een mannelijk familielid van vaderskant. De nieuwe echtgenoot van eisers moeder wilde de zorg voor eiser niet op zich nemen. Referent heeft toen met de moeder van eiser geregeld dat hij voortaan de zorg voor eiser op zich zou nemen. Eiser heeft gedurende ongeveer één jaar voorafgaand aan het vertrek van referent naar Nederland feitelijk in het gezin van referent verbleven. Op dit moment verblijft eiser bij de ouders van referent.
Wat heeft de minister besloten?
5. De minister heeft de aanvraag in het primaire besluit afgewezen.
5.1.
Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt. Na het houden van een hoorzitting heeft de minister de afwijzing van de aanvraag in het bestreden besluit gehandhaafd. In het kader van de integrale herbeoordeling heeft de minister eiser het voordeel van de twijfel gegeven en de identiteit van eiser en die van zijn gestelde ouders alsnog aannemelijk geacht.
De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de familierechtelijke relatie tussen eiser en zijn gestelde biologische moeder niet met officiële documenten of met andere bewijsmiddelen is aangetoond. De minister heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat eiser ook op dit punt het voordeel van de twijfel kan worden gegeven en dat van een familierechtelijke relatie wordt uitgegaan. In zoverre heeft de minister het ontbreken van officiële documenten of andere bewijsmiddelen niet langer in het nadeel van eiser tegengeworpen. Desalniettemin heeft de minister de aanvraag afgewezen. Volgens de minister heeft dit twee redenen. In de eerste plaats is de biologische moeder nog in beeld en ten tweede is de rol die referent in het leven van eiser heeft vervuld vrij beperkt gebleven.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Wat zijn de relevante regels?
6. Uit wet- en regelgeving [1] volgt dat een minderjarige die als pleegkind tot het gezin van een asielstatushouder behoort eenzelfde verblijfsrecht als die asielstatushouder kan verkrijgen, als voldaan wordt aan de geldende voorwaarden. De asielstatushouder (referent) moet daartoe binnen drie maanden na inwilliging van zijn asielstatus namens het gestelde pleegkind een mvv-aanvraag onder de beperking ‘nareis’ bij de minister indienen.
6.1.
Een van de voorwaarden voor het verkrijgen van een dergelijke mvv nareis is dat het minderjarige pleegkind op het moment van de inreis van referent in Nederland (peilmoment) feitelijk tot het gezin van referent behoort. De minister betrekt bij de beoordeling van de feitelijke gezinsband tussen de referent en het gestelde pleegkind in ieder geval [2] :
- de identiteit en de familierechtelijke relatie van het pleegkind en zijn/haar biologische ouders;
- de duur en de reden van de opname van het pleegkind in het gezin van de referent;
- de (financiële) afhankelijkheid van het pleegkind van de referent;
- in hoeverre de biologische ouders van het pleegkind in staat zijn voor het pleegkind te zorgen en, als dit aan de orde is, in hoeverre zij betrokken zijn gebleven bij de opvoeding van het pleegkind;
- of de referent de voogdij over het pleegkind heeft gekregen.
De rol van de biologische moeder
7. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat zijn biologische moeder nog in beeld is. Niet alleen is het contact tussen hem en zijn moeder na het vertrek van referent naar Nederland afgenomen, maar ook uit de feitelijke situatie volgt dat zijn moeder niet meer voor hem wil of kan zorgen. Volgens eiser moet daarbij rekening worden gehouden met de specifieke situatie van vrouwen in Afghanistan. Eiser heeft in dit verband erop gewezen dat zijn moeder na het overlijden van zijn vader moest hertrouwen met een mannelijk familielid van zijn vader. Ter onderbouwing van deze stelling heeft eiser een document van VluchtelingenWerk Nederland (VWN) van 2 april 2026 overgelegd. [3] Deze informatie bevestigt volgens eiser dat zijn moeder feitelijk geen zelfstandige ouderlijke rol kan vervullen omdat haar nieuwe echtgenoot dit niet wil hebben.
7.1.
Eiser kan niet worden gevolgd in zijn betoog. Onder verwijzing naar Werkinstructie 2024/4 heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de bewijslast om aannemelijk te maken dat de biologische ouder niet meer voor een kind kan of wil zorgen bij eiser ligt. De minister heeft daarbij niet ten onterechte naar voren gebracht dat, wanneer een biologische ouder nog in beeld is en deze ook nog steeds betrokken is bij de zorg of opvoeding van een kind, zwaardere eisen mogen worden gesteld aan de onderbouwing van een gestelde pleegrelatie. Anders dan eiser betoogt, heeft de minister in dit geval bij de beoordeling kunnen betrekken dat de moeder van eiser nog steeds in beeld is en dat niet is gebleken dat ieder contact tussen eiser en zijn moeder duurzaam is verbroken. De minister heeft daar ook bij mogen betrekken dat uit de afgelegde verklaringen van referent blijkt dat de onderlinge band tussen eiser en zijn moeder erg hecht is. De enige reden waarom eiser niet bij zijn moeder woont, zo volgt ook uit de verklaring van referent, is omdat de nieuwe echtgenoot van zijn moeder dit niet ziet zitten. Dat het contact tussen eiser en zijn moeder inmiddels minder is geworden, heeft de minister onvoldoende mogen achten om daaruit af te leiden dat de moeder niet meer betrokken is bij de zorg en opvoeding van eiser. Verder heeft de minister zich niet ten onterechte op het standpunt gesteld dat het in bepaalde gevallen gebruikelijk is dat familieleden binnen de familie tijdelijk of aanvullend zorg dragen voor elkaars kinderen, bijvoorbeeld wanneer een biologische ouder feitelijk beperkt is in de verzorging van het kind. De minister kan worden gevolgd in zijn betoog dat een dergelijke opvangsituatie niet zonder meer betekent dat sprake is van een daadwerkelijke pleegrelatie waarbij de volledige ouderlijke verantwoordelijkheid duurzaam is overgenomen.
De rol van referent
8. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de feitelijke rol die referent in het leven van eiser heeft vervuld. Volgens eiser heeft hij feitelijk in het gezin van referent ingewoond. Daarnaast heeft referent hem verzorgd, naar school gebracht en hem ook financieel onderhouden. Referent stelt voor wat betreft het laatste aspect dat hij een lening is aangegaan om in het levensonderhoud van eiser te kunnen voorzien. Op zitting heeft referent desgevraagd verklaard dat hij zich als vader van eiser voelt en hem ook in emotioneel opzicht als een vader heeft bijgestaan.
8.1
De rechtbank stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat eiser gedurende ongeveer één jaar voorafgaand aan het vertrek van referent naar Nederland feitelijk in het gezin van referent heeft verbleven. Ook de door eiser gestelde aanleiding daarvoor heeft de minister niet betwist. De minister heeft zich evenwel op het standpunt mogen stellen dat deze omstandigheden op zichzelf onvoldoende zijn om aannemelijk te achten dat sprake is van een daadwerkelijke pleegzorgrelatie. De minister heeft daarbij van belang mogen achten dat de duur van dat verblijf, hoewel bezien in het licht van de jonge leeftijd van eiser niet helemaal zonder betekenis, relatief beperkt is gebleven. Volgens de minister moet deze omstandigheid niet op zichzelf worden beschouwd, maar in samenhang met de overige feiten en omstandigheden worden beoordeeld. In dat verband heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat de verklaringen van referent over de invulling van de verzorging en opvoeding van eiser onvoldoende concreet zijn om daaruit een duurzame overdracht van de volledige ouderlijke verantwoordelijkheid af te leiden. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat met de verklaringen van referent niet aannemelijk is gemaakt, dat hij ook belangrijke beslissingen heeft genomen voor eiser. Verder heeft de minister daarbij mogen betrekken dat de gestelde emotionele afhankelijkheid van eiser onvoldoende is onderbouwd, laat staan dat eiser aannemelijk heeft gemaakt hoe dit zich verhoudt tot de rol van zijn moeder. Voor zover eiser heeft gewezen op het feit dat referent hem financieel heeft ondersteund, heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat de duur daarvan vrij beperkt is gebleven en verder dat de gestelde financiële afhankelijkheid niet van doorslaggevende betekenis is voor de beoordeling van de gestelde pleegrelatie. Verder heeft de minister zich op zitting terecht op het standpunt gesteld dat de door referent genoemde lening niet doorslaggevend is, omdat deze pas is aangegaan na binnenkomst van referent in Nederland. Voor de beoordeling van de pleegrelatie is echter het moment van binnenkomst van referent in Nederland van belang.
Officiële documenten die het pleegouderschap of voogdij bevestigen
9. Eiser voert tot slot aan dat hem niet mag worden tegengeworpen dat de pleegrelatie niet formeel is vastgelegd. Daar komt bij dat de minister – onder verwijzing naar het algemeen ambtsbericht Afghanistan van juni 2023 – aanvankelijk nog heeft erkend dat in Afghanistan geen voogdijdocumenten bestaan en dat het normaal is dat een familielid een kind opneemt.
9.1.
In dit betoog kan eiser niet worden gevolgd. De rechtbank stelt vast dat de minister het ontbreken van officiële documenten niet als afzonderlijke afwijzingsgrond heeft gehanteerd. De minister heeft aan het ontbreken van formele vastlegging echter wel bewijsrechtelijke betekenis mogen toekennen in samenhang met de overige omstandigheden van het geval. Daarbij heeft de minister gewicht mogen toekennen aan de omstandigheid dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en zijn moeder duurzaam is verbroken, de nog bestaande betrokkenheid van eisers moeder in zijn leven, de beperkte duur van het verblijf van eiser bij referent en het ontbreken van voldoende aanknopingspunten dat referent feitelijk de exclusieve ouderlijke verantwoordelijkheid droeg. Op zitting heeft de minister er aanvullend nog op gewezen dat uit de door eiser overgelegde stukken van VWN volgt dat bij overlijden van de vader de zorg en de verantwoordelijkheid in beginsel via de mannelijke lijn van de familie wordt overgenomen. De minister heeft zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat deze informatie niet zonder meer aansluit bij de door eiser beschreven situatie, waarin juist een broer van moederszijde als pleegouder zou zijn opgetreden, terwijl het mannelijk familielid van vaderszijde van die verantwoordelijkheid zou hebben afgezien. Gelet hierop heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank mogen concluderen dat alle feiten en omstandigheden samengenomen onvoldoende zijn om te spreken van een pleegsituatie.

Conclusie en gevolgen

10. Gelet op wat de rechtbank hiervoor heeft overwogen, is het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie artikel 29, tweede en vierde lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000), in samenhang met paragraaf C2/4.1.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000)
2.Zie paragraaf C2/4.1.2.2 van de Vc.
3.Hierin staat – kort samengevat – dat het in Afghanistan gebruikelijk is dat de familie van een overleden of verdwenen echtgenoot bepaalt met welke man binnen de familie een weduwe hertrouwt. Wettelijk mag een weduwe vier maanden en tien dagen na het overlijden hertrouwen, tenzij ze zwanger is. Weduwen zijn vaak afhankelijk van de familie van hun echtgenoot, die eist dat zij met een broer of neef trouwen. Vrouwen hebben weinig zeggenschap en weigering is zeldzaam. Hertrouwen buiten de familie kan leiden tot verlies van voogdij over kinderen. Volgens het Pashtun-gewoonterecht wordt een vrouw gezien als onderdeel van de erfenis en moet zij trouwen met haar zwager of neef.