ECLI:NL:RBDHA:2026:16582

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
9 juni 2026
Publicatiedatum
19 juni 2026
Zaaknummer
NL26.10297
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • K.C.L.J. Verhoeven
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 DublinverordeningVerordening (EU) nr. 604/2013ECLI:EU:C:2019:218
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verlenging overdrachtstermijn asielzoeker op grond van Dublinverordening

Eiser diende op 12 juli 2025 een asielaanvraag in Nederland in, die niet in behandeling werd genomen omdat Duitsland verantwoordelijk was volgens de Dublinverordening. De minister vroeg Duitsland om terugname, wat na een heroverweging werd aanvaard. De overdracht van eiser aan Duitsland was gepland op 17 februari 2026, maar eiser vertrok zelfstandig naar Duitsland met de intentie door te reizen naar Bosnië en Herzegovina om overdracht te voorkomen.

De minister verlengde daarop de overdrachtstermijn tot achttien maanden wegens onderduiken. Eiser stelde dat hij vrijwillig meewerkte en zich in Turkije bevond bij familie, maar kon dit niet aannemelijk maken. De rechtbank oordeelde dat eiser doelbewust buiten bereik van de autoriteiten bleef, waardoor de minister terecht de termijn verlengde.

De rechtbank baseerde zich op het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de EU, waarin onderduiken wordt gedefinieerd als het doelbewust buiten bereik blijven van autoriteiten om overdracht te frustreren. De rechtbank concludeerde dat eiser zich niet beschikbaar hield voor een gecontroleerde overdracht en dat de minister het bewijsvermoeden van onderduiken terecht aannam.

Het beroep is daarom ongegrond verklaard en de verlenging van de overdrachtstermijn tot maximaal achttien maanden is rechtsgeldig. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt de verlenging van de overdrachtstermijn tot achttien maanden wegens onderduiken.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10297

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 juni 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Procesverloop

1. Bij besluit van 17 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de termijn voor de overdracht van eiser aan Duitsland verlengd tot achttien maanden. [1]
1.1.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 16 april 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Waar gaat deze zaak over?
2. Op 12 juli 2025 heeft eiser in Nederland een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 12 december 2025 heeft de minister deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat op grond van de Dublinverordening Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
2.1.
De minister heeft op 15 augustus 2025 bij Duitsland een verzoek om terugname gedaan. Op 18 augustus 2025 heeft Duitsland dit verzoek in eerste instantie afgewezen. Op 19 augustus 2025 heeft de minister een heroverwegingsverzoek gestuurd, waarna Duitsland het verzoek op 20 augustus 2025 alsnog heeft aanvaard.
2.2.
Eiser is tegen het besluit van 12 december 2025 in beroep gegaan en heeft de rechtbank ook verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraken van 6 februari 2026 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard maar de rechtsgevolgen ervan in stand gelaten. [2] Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening heeft de rechtbank afgewezen. [3] Dit betekent dat eisers asielaanvraag terecht niet in behandeling is genomen en eiser overgedragen kan worden aan Duitsland.
2.3.
De minister heeft de overdracht van eiser aan Duitsland gepland op 17 februari 2026. Dit is eiser tijdens het vertrekgesprek van 12 februari 2026 ook medegedeeld. Daags voor de geplande overdracht heeft eiser aan de minister bericht dat hij zelfstandig naar Duitsland zou vertrekken, om vandaar uit (legaal of illegaal) door te reizen naar Bosnië en Herzegovina. Dit om te voorkomen dat hij aan Duitsland zal worden overgedragen.
2.4.
De overdracht heeft vervolgens niet plaatsgevonden. De minister heeft daarop bij brief van 17 februari 2026 aan Duitsland meegedeeld dat de termijn waarin eiser door Nederland wordt overgedragen, wordt verlengd tot achttien maanden, dit vanwege de vermissing van eiser. In het bestreden besluit van diezelfde datum heeft de minister dit ook aan eiser meegedeeld. Tegen het verlengingsbesluit heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank.
Heeft de minister terecht het besluit tot verlenging van de overdrachtstermijn genomen?
3. Eiser voert aan dat de minister de overdrachtstermijn ten onrechte heeft verlengd, omdat volgens hem geen sprake is van een situatie waarin hij zich doelbewust heeft onttrokken aan toezicht of anderszins geprobeerd heeft de geplande overdracht te frustreren. Eiser stelt dat hij vrijwillig uitvoering heeft gegeven aan het overdrachtsbesluit door zelfstandig naar Duitsland te vertrekken. Verder stelt eiser dat hij zich inmiddels in Turkije bevindt, waar hij bij familie verblijft. Daarvan heeft hij bewijsstukken meegestuurd.
Wat is het juridisch kader?
4. Op grond van artikel 29, eerste lid, van de Dublinverordening dient een lidstaat de verzoeker voor wiens asielverzoek een andere lidstaat verantwoordelijk is, binnen een termijn van zes maanden vanaf de aanvaarding van het verzoek tot terug- of overname, aan de verantwoordelijke lidstaat over te dragen. Op grond van het tweede lid van dit artikel wordt, indien de overdracht niet binnen deze termijn van zes maanden plaatsvindt, de verzoekende lidstaat verantwoordelijk voor de behandeling van het asielverzoek. Eveneens op grond van het tweede lid van dit artikel kan deze overdrachtstermijn tot maximaal 18 maanden worden verlengd indien de vreemdeling onderduikt.
4.1
Het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) heeft in het arrest Jawo [4] geoordeeld dat artikel 29, tweede lid, tweede zin, van de Dublinverordening aldus dient te worden uitgelegd dat een verzoeker “onderduikt” in de zin van die bepaling wanneer deze persoon doelbewust ervoor zorgt dat hij buiten het bereik blijft van de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de overdracht, teneinde deze overdracht te voorkomen. Volgens het Hof mag aangenomen worden dat dit het geval is wanneer die overdracht niet kan worden uitgevoerd omdat de verzoeker de hem toegekende woonplaats heeft verlaten zonder de bevoegde nationale autoriteiten van zijn afwezigheid op de hoogte te brengen, op voorwaarde dat hij werd geïnformeerd over zijn desbetreffende verplichtingen. De betrokken verzoeker behoudt de mogelijkheid om aan te tonen dat er geldige redenen waren om de autoriteiten niet in te lichten over zijn afwezigheid en dat hij niet de bedoeling had om zich te onttrekken aan die autoriteiten.
4.2.
Uitgangspunt in het arrest Jawo is dus dat slechts sprake is van onderduiken als iemand doelbewust buiten het bereik blijft van de autoriteiten met als doel om zijn overdracht te frustreren. Het is in beginsel ook aan die autoriteiten om dit aannemelijk te maken. Om de autoriteiten daarin tegemoet te komen is in het arrest Jawo het (bewijs)vermoeden opgenomen dat wanneer een vreemdeling niet kan worden overgedragen omdat hij met onbekende bestemming (mob) is vertrokken, aangenomen kan worden dat hij mob is vertrokken met de bedoeling om die overdracht te voorkomen. Het is aan de minister om dit aannemelijk te maken. Indien de minister dit aannemelijk maakt, staat voor de vreemdeling nog de mogelijkheid open om dit bewijsvermoeden te weerleggen door aan te tonen dat hij niet de bedoeling had zich aan de overdracht te onttrekken.
Het oordeel van de rechtbank
5. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft aangenomen dat eiser is ondergedoken als in de Dublinverordening bedoeld. Daarvoor is in de eerste plaats van belang dat uit het dossier volgt dat eiser op 12 februari 2026 voldoende is geïnformeerd over zijn verplichtingen en over zijn vertrek. Uit het door de minister overgelegde verslag van het vertrekgesprek volgt dat eiser is geïnformeerd over zijn verplichting zich tijdens de procedure beschikbaar te houden op de aangewezen locatie en ook dat aan eiser de overdrachtsgegevens zijn uitgereikt, meegedeeld en toegelicht. Daarnaast is eiser geïnformeerd over zijn verplichting om medewerking te verlenen aan de gecontroleerde overdracht en de gevolgen van het niet meewerken.
5.1.
Op de dag van de overdracht is eiser niet op het aangezegde tijdstip verschenen. Hoewel vaststaat dat eiser daags vóór de geplande overdracht heeft meegedeeld zelfstandig naar Duitsland te vertrekken, kan eiser niet worden gevolgd in zijn standpunt dat daarmee sprake is van een vrijwillige uitvoering van het overdrachtsbesluit. Eiser geeft immers zelf aan dat hij zal doorreizen naar Bosnië en Herzegovina (en daarmee het grondgebied van de Europese Unie te verlaten), juist om te voorkomen dat hij door Nederland dan wel enig ander Europees land aan Duitsland wordt overgedragen. Hij vreest namelijk dat Duitsland hem vervolgens zal uitzetten naar Turkije, waar hij niet veilig is. Hieruit volgt dat eiser zich mogelijk wel naar Duitsland heeft begeven, maar dat dit louter ter doorreis was en dat hij zich niet heeft gemeld bij de Duitse autoriteiten. Dit vindt steun in het feit dat vanuit de Duitse autoriteiten geen terugmelding is gevolgd. Zoals de minister op zitting onweersproken heeft gesteld, volgt in de praktijk een terugmelding indien een vreemdeling zich meldt bij de autoriteiten van de verantwoordelijke lidstaat.
5.2.
Met zijn gestelde vertrek naar (uiteindelijk) Turkije, is eiser feitelijk buiten het bereik van de Nederlandse autoriteiten geweest en heeft eiser zijn overdracht gefrustreerd. De rechtbank kan de minister volgen in zijn betoog dat het van belang is dat een vreemdeling meewerkt aan een gecontroleerde overdracht, omdat het juist dan voor de autoriteiten duidelijk blijft waar de vreemdeling zich bevindt. De minister heeft daarbij ook terecht van belang mogen vinden dat een andere uitleg ertoe zou kunnen leiden dat vreemdelingen zich eenvoudig aan toezicht kunnen onttrekken door kort voor een overdracht zelfstandig te vertrekken en vervolgens buiten beeld van de autoriteiten te raken, terwijl niet controleerbaar is waar de vreemdeling zich dan bevindt.
5.3.
Voor zover eiser stelt dat hij zich inmiddels bij familie in Turkije bevindt, heeft de minister in dit verband op zitting gesteld dat deze stelling niet controleerbaar is en dat de door eiser overgelegde stukken [5] in dat verband onvoldoende aanknopingspunten bieden om die stelling te verifiëren. Dit standpunt is door eiser niet weersproken, nu eiser en zijn gemachtigde niet op zitting zijn verschenen.
5.4.
De rechtbank laat daarom in het midden waar eiser zich momenteel feitelijk bevindt. Voor de beoordeling van het bestreden besluit is dit ook niet doorslaggevend. Uit het voorgaande volgt namelijk dat eiser zich voorafgaand aan de geplande overdracht niet beschikbaar heeft gehouden voor een gecontroleerde overdracht en zich daarmee aan het toezicht van de minister heeft onttrokken.
5.5.
Gelet op het voorgaande heeft de minister terecht geconcludeerd dat sprake is van onderduiken als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat de minister de overdrachtstermijn terecht heeft verlengd tot maximaal 18 maanden.
6.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. K.C.L.J. Verhoeven, in aanwezigheid van mr. P.I. van der Meer, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 29, tweede lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening).
3.NL25.61161.
4.Zie het arrest van het Hof van 19 maart 2019, C163/17, ECLI:EU:C:2019:218, paragrafen 61-62.
5.Bij e-mail van 21 maart 2026 heeft eiser enkele foto’s overgelegd waaruit volgens hem blijkt dat hij zich in Turkije bevindt omdat hij die foto’ is te zien met enkele Turkse kranten van 13 maart 2026.